Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2811

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
17/6292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan pluimveehouder voor letsel ontstaan bij het vangen van pluimvee.

De boete voor vangletsel is terecht opgelegd. Er is door verweerder voldoende toegelicht dat het letsel dat is vastgesteld niet bij het transport of op de slachterij kan zijn ontstaan. Zo is toegelicht dat letsel ontstaan bij transport voornamelijk andersoortig letsel betreft en een aanzienlijk groter deel van de kuikens betreft dan bij vangletsel wordt geconstateerd; daarnaast gaat de toezichthouder na of zich bij het transport calamiteiten hebben voorgedaan. Ook is toegelicht (onder meer met een filmpje over het proces op de slachterij) dat door de toezichthouder geteld letsel niet kan zijn ontstaan op het slachthuis; de kuikens worden aan het begin van het slachtproces, voorafgaand aan het kantelen van de containers, onomkeerbaar bedwelmd en bij bedwelmde kuikens zullen ontstane bloedingen onderhuids nauwelijks uitbreiden omdat ze een zeer lage hartslag hebben en op het slachthuis is het proces te kort om een bloeding van drie centimeter of meer te ontwikkelen; daarnaast is het type letsel dat bij het slachtproces kan ontstaan anders en is er een verschil in kleur. De rechtbank vindt het voldoende aannemelijk, mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting, dat er een aanzienlijk verschil zit tussen de kleur van een verse bloeding en die van een oudere bloeding waarvan het bloed al (deels) gestold is of onderhuids verkleurd en dat dit verschil door een deskundig dierenarts goed kan worden vastgesteld; er is ter zitting toegelicht dat een verse wond goed herkenbaar is en dat een bloeding na een paar uur echt donkerrood van kleur is en eventueel gestold. Verder leidt de rechtbank uit het getoonde filmpje af dat bij een snelheid van 7500 kuikens per uur het letsel aan de karkassen voldoende kan worden beoordeeld door een deskundig dierenarts.

Gelet op de toelichting en onderbouwing van het beleid die in deze zaken is gegeven van de zijde van verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:392) te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de rapporten van bevindingen en daarbij behorende stukken, de bestreden besluiten, het verweerschrift en de gegeven toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat bij kuikens van eiseres vangletsel is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 17/6292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. de Vries.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 1.500,- vanwege een overtreding van de Wet dieren.

Bij besluit van 19 september (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door [dierenarts T] , dierenarts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [de senior toezichthoudend dierenarts] , senior toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit: “De houder op de plaats van vertrek zorgde er niet voor dat de voorschriften met betrekking tot de behandeling van dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren.” Volgens verweerder heeft eiser daarmee een overtreding begaan van artikel 2.5 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en met artikel 3, aanhef en onder e, artikel 8, eerste lid, en bijlage I, hoofdstuk III, punt 1.8, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG (de Transportverordening). Het gaat er om dat verweerder eiser verwijt dat hij bij het vangen de dieren (kippen) onnodig pijn of lijden heeft berokkend.

2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen van een controle op 1 november 2016 bij de slachterij [de slachterij] dat op 4 november 2016 is opgemaakt door een toezichthoudend dierenarts van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende:

Tijdens de AM-screening in de aanvoerhal zag ik vieze, met mest besmeurde kuikens in de lades. Daarnaast zag ik 7 zogenoemde ‘spreadlegs’ (een positie waarbij 1 of beide poten in een onnatuurlijke positie van 180 graden naast het lichaam wordt gehouden) en 1 kuiken met een fractuur van de rechter vleugel. Volgens de aanvoerplanning en na verificatie bij de chef panklaar van het betreffende pluimveeslachthuis, betroffen het vleeskuikens van koppel ‘ [eiser] ’ uit stal 1. Bij hetzelfde koppel geslachte dieren zag ik in de panklaar-afdeling tijdens de PM screening bij 625 karkassen 38 open en gesloten vleugelfracturen met donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 cm². Bloedingen van deze aard zijn in de laatste 12 uur voorafgaande aan het doden van de dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal middels een vangploeg. In totaal heb ik van bovengenoemd koppel 2 tellingscontroles naar vangletsel uitgevoerd. Beide controles duurden 2 minuten. Tussen de controles zat 42 minuten. De bandsnelheid tijdens de controle was 125 kuikens per minuut. Tijdens de eerste controle heb ik 11 letsels geteld, tijdens de tweede controle 5. Uit deze 2 tellingen kwam een gemiddelde score van 3,2 % letselschade, bestaande uit ernstige tot zeer ernstige bloedingen, waarvan het merendeel vergezeld met fracturen of luxaties, aan voornamelijk de vleugels. Deze ernstige fracturen en kneuzingen met bloedingen hebben ertoe geleid dat deze dieren vanaf het ontstaan van het letsel en vervolgens tijdens het vervoer tot aan de slacht, hevige pijn en stress hebben ervaren. Vanuit mijn professionele ervaring als dierenarts concludeer ik daarom uit bovenstaande feiten dat hier sprake is van ernstig dierenletsel. De houder van het pluimvee op de plaats van vertrek zorgde er niet voor dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden, omdat door de vangploeg onnodige pijn en ernstig lijden bij de dieren is veroorzaakt.

3. Eiser voert aan dat hij mocht afgaan op het bewijs van afkeuring waaruit volgt dat er bijna geen letselschade was geconstateerd. Ook uit het paspoort van het betreffende koppel blijkt dat er weinig letsel is geconstateerd. Voorts is eiser pas weken later op de hoogte gesteld dat er vangletsel was geconstateerd. Eiser levert al 30 jaar kippen af en dit is voor het eerst dat sprake zou zijn van vangletsel. Eiser is ook niet eerst gewaarschuwd. Hij doet zijn best voor het welzijn van zijn kippen. Er is een vangprotocol opgesteld en een dierenarts is gevraagd de kippen na het vangen te keuren op letsel; rapporten hiervan, waaruit minimaal letsel blijkt, en een begeleidende verklaring van dierenarts [dierenarts Z] heeft eiser overgelegd. Daarnaast is de betreffende toezichthouder naar het gevoel van eiser niet objectief, gelet op haar uitlatingen en ondertekening van een krantenartikel over dierenwelzijn en omdat ook veel andere pluimveehouders boetes kregen voor constateringen van dezelfde toezichthouder. Voorts zijn andere NVWA-inspecteurs op het bedrijf van eiser komen kijken naar het vangen; zij hebben eiser toen complimenten gegeven voor de werkwijze op het bedrijf. Een rapport van deze controle heeft eiser overgelegd. Ten aanzien van het vaststellen van vangletsel voert eiser aan dat het verschil tussen rode en donkerrode bloedingen afhankelijk is van de interpretatie door de toezichthouder en dat de tijdspanne tussen rode en donkerrood-paarse plekken (van 2 minuten tot 12 uur) dusdanig groot is en de verstreken tijd tussen de start van het vangproces en de keuring zodanig variërend is dat niet duidelijk is vast te stellen op welk moment het letsel is ontstaan. Het letsel kan ook op een ander moment zijn ontstaan, bijvoorbeeld tijdens het transport of bij het kantelen op de slachterij. Bovendien blijft bij gasbedwelming (die in de slachterij waar is gecontroleerd wordt toegepast) meer bloed in de kippen waardoor sneller sprake is van blauwe verkleuringen. Forensisch dierenarts [dierenarts T] heeft vastgesteld dat een juiste beoordeling van bloedingen niet kan worden gedaan aan de hand van visuele waarnemingen maar dat de kippen open gesneden moeten worden en vastgesteld moet worden of er stollingen zijn. Eiser heeft van de deze dierenarts een schriftelijk commentaar op de NVWA methode overgelegd. Voorts voert eiser aan dat een onjuiste steekproef is genomen bij de letseltelling; er moeten tenminste twee containers worden geteld, terwijl in het bestreden besluit staat dat slechts 250 kippen zijn gekeurd. Bovendien is een steekproef van 250 kippen op de 17.000 kippen die eiser aflevert niet representatief. Verder kent de door verweerder gehanteerde grenswaarde van 2 procent geen wettelijke grondslag kent en is deze norm niet wetenschappelijk onderbouwd. In wetenschappelijke onderzoeken zijn hogere percentages vastgesteld. In reactie op het rapport ‘Letsel en schade bij vleeskuikens als gevolg van vangen, transport en handelingen aan de slachtlijn’ van Wageningen University & Research (WUR) van januari 2019 en het daarover door verweerder ingenomen standpunt voert eiser aan dat het rapport niet benoemt welke slachterijen aan het onderzoek hebben meegewerkt en of de containers worden gekanteld (zoals in de betreffende slachterij) zodat het rapport maar gedeeltelijk van toepassing is op de kuikens van eiser. Verder verwijst eiser naar de reactie van forensisch dierenarts [dierenarts T] op het rapport van WUR.

3.1.

De rechtbank overweegt het volgende. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gehele rapport van bevindingen, dus niet alleen de bevindingen in het kader van de letseltelling maar ook de daaraan voorafgaande bevindingen bij de ante-mortem- of post-mortemkeuring, de grondslag vormen voor het vaststellen van de overtreding; de gegevens van de letseltelling zijn van belang voor de handhaving. De controles op vangletsel in de slachterij vinden plaats zoals beschreven in de “Toelichting op BIJLAGE (vang)letseltelling, hierna: Toelichting letseltelling. Als de toezichthoudend dierenarts bij de ante-mortem- en/of post-mortemkeuring aanwijzingen ziet voor een verhoogd percentage letsel door het vangen of laden, is er aanleiding voor het verrichten van een letseltelling bij de ontvederde dieren. Bij die letseltelling worden bloedingen op vleugel, poot of lichaam (alleen borstzijde) geteld die donkerrood van kleur zijn en die tevens drie centimeter of groter zijn. Er wordt maar één letsel per dier geteld. Dit staat ook zo beschreven op het Registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis waarop de toezichthouder het aantal getelde letsels en berekende percentages noteert. In de Toelichting letseltelling is het beleid voor het tellen van vangletsel verder uitgewerkt en toegelicht. Daarin staat onder meer: “De grootte en kleur van de bloeding geeft informatie over de ouderdom van de bloeding. Een bloeding van één centimeter of kleiner, die helderrood van kleur is, is minder dan twee minuten oud. Dit betekent dat deze bloeding tijdens het slachtproces en nadat het dier bewusteloos of dood was is ontstaan. Dat noemen we “schade”, er is geen lijden. “Letsel” daarentegen ontstaat bij het dier vanaf vangen tot het dier bewusteloos is t.g.v. de bedwelming; er is sprake van lijden.” Ook uit deze Toelichting volgt dat alleen bloedingen worden geteld aan vleugel, poot of lichaam, vanaf drie centimeter en die tevens donkerrood zijn. In de toelichting zijn ook foto’s opgenomen die een illustratie geven van welke bloedingen wel of niet meegeteld worden bij de letseltelling.

3.2.

Ter zitting is door [de senior toezichthoudend dierenarts] nader toegelicht waarom verweerder ervan uitgaat dat het letsel dat bij de letseltelling geteld wordt geen letsel is dat bij het transport of bij de slacht kan zijn ontstaan. De toezichthoudend dierenarts heeft toegelicht dat letsel dat bij transport zou kunnen ontstaan voornamelijk andersoortig letsel betreft dan vangletsel en dat als zich bij het transport een incident heeft voorgedaan een aanzienlijk groter deel van de kuikens (30-40 %) daardoor letsel oploopt dan de percentages die bij vangletseltellingen naar voren komen. Daarnaast gaat de toezichthouder na of zich bij het transport calamiteiten hebben voorgedaan die tot letsel zouden kunnen leiden door te bezien of de laad- of transportbon daarvan melding maakt en dit mondeling na te vragen bij de transporteur. In het algemeen kan dus, in het geval dat zich geen calamiteiten bij het transport hebben voorgedaan en een relatief kleiner deel van de kuikens letsel heeft, worden uitgesloten dat het door de toezichthouder vastgestelde letsel door het transport is ontstaan. Ook is op de zitting toegelicht dat het door de toezichthouder getelde letsel niet kan zijn ontstaan op het slachthuis. Toegelicht is dat het proces op de slachterij in het algemeen niet meer dan een uur duurt en dat de kuikens op de betreffende slachterij aan het begin van het slachtproces, voorafgaand aan het kantelen van de containers, onomkeerbaar worden bedwelmd. Ter zitting heeft verweerder een filmpje getoond waarop is te zien dat het uitladen geautomatiseerd plaatsvindt waarbij de kuikens in de containers worden bedwelmd en pas daarna gekanteld. De toezichthoudend dierenarts heeft verder op de zitting toegelicht dat bedwelmde kuikens een zeer lage hartslag hebben wat betekent dat eventuele in de slachterij ontstane bloedingen onderhuids nauwelijks uitbreiden en er dus alleen sprake zal zijn van kleine bloedingen als het letsel op het slachthuis is ontstaan. Bovendien heeft een bloeding van drie centimeter tijd nodig om zich tot dat formaat te ontwikkelen en daarvoor is volgens verweerder het proces op het slachthuis te kort. Daarnaast is ook het type letsel dat bij het slachtproces zou kunnen ontstaan anders dan het letsel dat over het algemeen bij het vangen kan ontstaan en is er een verschil in kleur. Letsel dat is ontstaan op de slachterij is vers en dus lichtrood van kleur. De toezichthoudende dierenartsen zijn er op getraind om eventueel vers letsel uit te sluiten. Schade die is ontstaan verderop in het slachtproces (dus na het kantelen) tijdens of na het aansnijden en leegbloeden, zal bovendien niet tot een grote bloeding leiden, omdat het bloed de weg van de minste weerstand kiest en zich dus niet onderhuids zal verspreiden maar via de snede het lichaam zal verlaten. Er is dan ook geen of nauwelijks hartslag meer om het bloed in het lichaam te verspreiden, aldus de toezichthoudend dierenarts op de zitting.

3.3.

Voorts overweegt de rechtbank dat de vaststelling van de kleur van het letsel weliswaar een subjectief element kent maar dat de toezichthoudend dierenartsen van de NVWA erop zijn getraind om dit te herkennen. De rechtbank vindt het voldoende aannemelijk, mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting, dat er een aanzienlijk verschil zit tussen de kleur van een verse bloeding en die van een oudere bloeding waarvan het bloed al (deels) gestold is of onderhuids verkleurd en dat dit verschil door een deskundig dierenarts goed kan worden vastgesteld. De toezichthoudend dierenarts heeft ter zitting toegelicht dat een verse wond goed herkenbaar is en dat een bloeding na twee uur echt donkerrood van kleur is en eventueel gestold. Daarbij is ook toegelicht dat het proces op de slachterij over het algemeen niet meer dan een uur in beslag neemt. Op het ter zitting bekeken filmpje is door verweerder de situatie getoond zoals de toezichthouder bij een letseltelling de karkassen voorbij ziet komen aan de slachtlijn met een bandsnelheid van 7500 kuikens per uur. Dat was ook de bandsnelheid bij de controle op 1 november 2016. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen en leidt uit het getoonde filmpje af dat bij die snelheid het letsel aan de karkassen voldoende kan worden beoordeeld door een deskundig dierenarts. Daar komt bij dat vangletsel niet enkel op basis van de kleur van een bloeding wordt vastgesteld. De toezichthouder kijkt ook naar de grootte en het type letsel. Bovendien laat de kleur zich ook niet altijd goed vastleggen op foto’s, zoals ter zitting ook is vastgesteld; de afdrukkwaliteit van de foto’s kan bepalend zijn voor hoe donker het rood oogt. Ten aanzien van de foto’s die bij de rapporten van bevindingen worden gevoegd is bovendien ter zitting gebleken dat dit geen foto’s zijn van de kuikens die zijn geteld bij de letseltelling. De foto’s die bij de rapporten zitten worden door de toezichthouder genomen tussen de eerste en tweede vangletseltelling en dienen ter illustratie van hoe het er in het betreffende koppel in het algemeen uitzag. De foto’s die bij de rapporten zijn gevoegd onderbouwen dus niet de overtreding, maar naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet nodig indien de rapporten zelf (en de daarbij gevoegde stukken) voldoende duidelijkheid geven over hetgeen is geconstateerd, namelijk donkerrode bloedingen van drie centimeter of meer.

3.4.

Het voorgaande vindt ook deels een onderbouwing in het hiervoor genoemde rapport van WUR waarin staat dat de methode van verweerder, namelijk het scoren van grote bloedingen in de slachtlijn, een valide methode lijkt voor het vaststellen van vangletsel. Ook volgt uit dit rapport dat niet aannemelijk is dat het transport de oorzaak is voor het ontstaan van letsel. Voor zover uit dit rapport ook blijkt dat bepaald letsel eerst na het vangen is toegenomen, is gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat verweerder dat soort letsel, waaronder vleugeldislocaties en verse (kleine) bloedingen, meetelt bij de vangletseltellingen.

3.5.

Gelet op de toelichting en onderbouwing van het beleid die in deze zaak is gegeven van de zijde van verweerder ziet de rechtbank geen aanleiding om de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:392) te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het rapport van bevindingen en daarbij behorende stukken, het bestreden besluit, het verweerschrift en de gegeven toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat bij kuikens van eiser vangletsel is vastgesteld.

3.6.

Hetgeen door [dierenarts T] in deze zaak schriftelijk en mondeling naar voren is gebracht biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de methode die verweerder hanteert om vangletsel vast te stellen. Deels ondersteunen de commentaren van [dierenarts T] namelijk het beleid van verweerder en de stellingen van [dierenarts T] over letsel dat bij het transport of slachtproces optreedt zien niet op letsel dat verweerder als vangletsel meetelt, zoals [dierenarts T] zelf ook erkent. Ook de door eiser ingebrachte verklaring en checklists van dierenarts [dierenarts Z] kan aan het voorgaande niet afdoen, nu die stukken niet zien op dit concrete geval, namelijk het vangen op 1 november 2016. Datzelfde geldt voor het overgelegde rapport van de NVWA over een controle op 25 oktober 2017. Voorts treft de verwijzing van eiser naar het bewijs van afkeuring en het paspoort van het betreffende koppel geen doel nu die documenten gaan over een controle van het koppel op andere punten dan specifiek vangletsel, namelijk op ziekelijke afwijkingen en op de kwaliteit van het vlees.

3.7.

Wat eiseres naar voren heeft gebracht en overgelegd ten aanzien van de betrokken toezichthouder levert naar het oordeel van de rechtbank in elk geval geen objectieve aanwijzing dat sprake is geweest van vooringenomenheid bij deze toezichthouder. Overigens is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij deze slachterij minimaal vier verschillende toezichthouders overtredingen inzake vangletsel hebben vastgesteld.

3.8.

Eisers stelling dat een onjuiste steekproef is genomen en dat deze niet representatief is, slaagt niet. Uit het rapport van bevindingen volgt dat de vangletseltelling heeft plaatsgevonden conform de Toelichting letseltelling waarin staat dat twee keer twee minuten wordt geteld, zodat tenminste kuikens uit twee verschillende containers worden geteld. De toezichthouder heeft twee tellingcontroles van elk twee minuten uitgevoerd bij een bandsnelheid van 125 kuikens per minuut en tussen die tellingen zat 42 minuten. Ervan uitgaande dat er 300 kuikens in een container zitten zoals eiser stelt, heeft de toezichthouder dan kuikens uit ten minste twee verschillende containers beoordeeld. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 december 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:664) waarin is overwogen dat verweerder zich er niet van hoeft te vergewissen dat de vangletseltelling representatief is voor het gehele koppel en dat toepassing van een handhavingsnorm van 2 procent niet onredelijk of anderszins onjuist is.

3.9.

Eiser stelt terecht dat hij laat op de hoogte is gesteld van de constateringen van de toezichthouder. Op 1 november 2016 zijn die constateringen gedaan en eerst bij het voornemen van 21 februari 2017 waarbij het rapport van bevindingen van 4 november 2016 is meegestuurd, is dit eiser bekend geworden, waarna verweerder eerst op 14 april 2017 het boetebesluit heeft genomen. Op grond van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening van het proces-verbaal omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete te beslissen. Die termijn is in dit geval met tien weken overschreden. Dit is weliswaar te laat, maar de termijn van artikel 5:51, eerste lid van de Awb moet als een termijn van orde worden aangemerkt (TK 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 150), dus overschrijding daarvan leidt als zodanig niet tot verval van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Gelet op de mate van overschrijding en nu niet is gebleken dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad, ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete om die reden te matigen.

3.10.

Verweerder heeft eiser ook niet eerst hoeven te waarschuwen alvorens een boete op te leggen. Nu verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld, was verweerder bevoegd een boete op te leggen. Op grond van het geldende Interventiebeleid Diertransport (IB01-SPEC 17) wordt een boete opgelegd als sprake is van ernstig lijden en kan in andere gevallen worden volstaan met een schriftelijke waarschuwing. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat tot juni 2017, dus de periode hier aan de orde, de ernst van het lijden werd beoordeeld door de toezichthouder. In het rapport van bevindingen is door de toezichthouder geconcludeerd dat sprake was van ernstig lijden en dus heeft verweerder terecht aan eiser een boete opgelegd.

4. De rechtbank concludeert dat in voldoende mate vaststaat dat eiser de overtreding heeft begaan en dat verweerder terecht daarvoor aan eiser een boete heeft opgelegd. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete.

5. Het beroep is dus ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is gedaan op 3 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is buiten staat

deze uitspraak te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.