Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2764

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
8147684 \ CV EXPL 19-47789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak over een gedeeltelijk onbetaalde factuur van een aannemer. Het ligt op de weg van de aannemer om zijn uren te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. De aannemer heeft de gebruikte materialen wel voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8147684 \ CV EXPL 19-47789

uitspraak: 27 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: Invorderingsbedrijf B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 september 2019, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van 6 november 2019 met het mondelinge antwoord van [gedaagde] en de door haar vooraf toegezonden conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 11 november 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 februari 2020 gehouden comparitie van partijen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] heeft in maart 2019 in opdracht van [gedaagde] diverse aanneemwerkzaamheden verricht in de woning gelegen aan de [adres] , [postcode] , te Rotterdam (hierna: de woning).

2.2.

Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [eiser] en de door hem ingeschakelde werknemers/bedrijven per gewerkt uur betaald zouden worden.

2.3.

Op 4 maart 2019 zijn de werkzaamheden aangevangen. De eerste factuur van 9 maart 2019 ten bedrage van € 1.400,65 inclusief btw is betaald door [gedaagde] .

2.4.

[gedaagde] heeft op 12 maart 2019 de werkzaamheden in de woning stopgezet.

2.5.

Over de tweede en derde factuur van [eiser] is tussen partijen discussie ontstaan. [eiser] heeft daarna aan [gedaagde] op 18 maart 2019 een nieuwe factuur (nota 2019-0063) verzonden. Deze factuur bedroeg in totaal € 4.006,86 inclusief btw. Op deze factuur zijn de materialen die [eiser] heeft gekocht in rekening gebracht en de gewerkte uren. Daarnaast is op de factuur een bedrag van € 33,06 gecrediteerd in verband met het meegenomen oud ijzer.

2.5.

[gedaagde] heeft ten aanzien van de factuur van 18 maart 2019 een bedrag van € 2.000,- betaald aan [eiser] .

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen € 2.006,86 aan hoofdsom, € 17,59 aan verschenen rente en € 364,25 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2019 tot aan de dag van algehele voldoening. Tevens heeft [eiser] gevorderd [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk totstandgekomen. [eiser] zou voor [gedaagde] werkzaamheden in de woning verrichten. [gedaagde] heeft nagelaten om de factuur van 18 maart 2019 die betrekking heeft op die werkzaamheden volledig te betalen. De uren die [eiser] op de factuur in rekening heeft gebracht zijn juist. De dochter van [gedaagde] (hierna: [dochter gedaagde] ) was niet altijd aanwezig in de woning, zodat zij niet alles gezien kan hebben. Ook de in rekening gebrachte materiaalkosten zijn correct. [eiser] heeft veel materiaal in moeten kopen voor het renoveren van het huis van [gedaagde] . [eiser] heeft een kopie van de inkoopfacturen overgelegd ter onderbouwing hiervan.

Omdat [gedaagde] heeft nagelaten de factuur volledig te betalen, heeft [eiser] zijn vordering uit handen moeten geven aan zijn incassogemachtigde. [gedaagde] moet daarom veroordeeld worden om de buitengerechtelijke incassokosten te betalen.

Op grond van artikel 6:119 BW heeft [gedaagde] daarnaast aanspraak gemaakt op de wettelijke rente.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering geconcludeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de uren heeft betaald die [eiser] en de door hem ingehuurde werknemers daadwerkelijk gewerkt hebben. De overige door [eiser] gefactureerde uren hoeft [gedaagde] niet te betalen, omdat deze geen gewerkte uren betreffen. De materiaalkosten wil [gedaagde] wel betalen, maar alleen als ze daarvan een specificatie krijgt van [eiser] . [eiser] heeft aan dit verzoek nooit voldaan en komt pas bij dagvaarding met facturen van de groothandel en van het bedrijf van [naam] .

5. De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] het restantbedrag van € 2.006,86 van de factuur van 18 maart 2019 aan [eiser] moet betalen. Dit restantbedrag ziet op twee onderdelen, namelijk op de gebruikte materialen en op de gewerkte uren.

Uren

5.2.

[gedaagde] heeft betwist dat al de door [eiser] in rekening gebrachte uren zijn gewerkt in de woning. [dochter gedaagde] was volgens [gedaagde] de gehele tijd in de woning aanwezig en heeft geconstateerd dat [eiser] te veel uren in rekening heeft gebracht. [gedaagde] is van mening dat zij daarom alleen de uren moet betalen die volgens haar daadwerkelijk zijn gewerkt. Daarom heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.000,- betaald aan [eiser] . [gedaagde] heeft ter onderbouwing verwezen naar de e-mailcorrespondentie met [eiser] waarin zij heeft gespecificeerd welke uren [dochter gedaagde] heeft genoteerd.

5.3.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dat de door [eiser] gefactureerde uren ook daadwerkelijk gewerkt zijn in de woning, had het op de weg van [eiser] gelegen om de uren nader te onderbouwen. Dat heeft [eiser] echter niet gedaan, terwijl op hem als eiser wel de bewijslast voor de uren rust. Hij heeft geen enkele onderbouwing van de gefactureerde uren overgelegd. Hij heeft in zijn e-mail van 13 maart 2019 bijvoorbeeld verwezen naar het gps-systeem in zijn auto, maar heeft daarvan geen uitdraai overgelegd. Evenmin heeft hij de uren op een andere manier onderbouwd. Dit betekent dat [eiser] zijn vordering onvoldoende nader heeft toegelicht, zodat het restantbedrag voor de in rekening gebrachte uren zal worden afgewezen.

Materialen

5.4.

[gedaagde] heeft daarnaast het bedrag betwist dat [eiser] heeft gerekend op de factuur voor de materialen ten bedrage van € 1.120,00 exclusief btw. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] te veel materialen in rekening gebracht, zodat zij zonder nadere onderbouwing dit bedrag niet aan [eiser] wil betalen.

5.5.

De kantonrechter begrijpt uit wat [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij wel wil betalen voor de door [eiser] gebruikte materialen, maar dat het voor haar onduidelijk is welke materialen [eiser] daadwerkelijk gebruikt heeft.

5.6.

[eiser] heeft ter onderbouwing van de materialen een inkoopfactuur overgelegd van Logus Bouwcenter (productie 6a). Tevens heeft [eiser] gewezen op de factuur van [naam] waarop hij de gebruikte materialen gespecificeerd heeft en waarop een bedrag is verrekend ten aanzien van niet gebruikte materialen. Het had, gelet hierop, op de weg van [gedaagde] gelegen om te concretiseren dat de inkoopfactuur niet klopt en dat hierop materialen staan die niet gebruikt zijn in de woning. Dat heeft [gedaagde] echter niet gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiervoor wel voldoende gelegenheid heeft gehad na de dagvaarding. Gelet hierop heeft [gedaagde] onvoldoende de door [eiser] in rekening gebrachte materialen betwist, zodat zij deze wel zal moeten betalen.

5.7.

Omdat [eiser] een bedrag inclusief btw heeft gevorderd, zal [gedaagde] worden veroordeeld om een bedrag van € 1.355,20 inclusief (21%) btw aan [eiser] te betalen.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.8.

[eiser] heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij door [eiser] is aangemaand om te betalen. De aanmaning voldoet tevens aan de vereisten in artikel 6:96 BW. Omdat in de aanmaning aan [gedaagde] echter is uitgegaan van een te hoog bedrag aan hoofdsom (de gehele factuur in plaats van het toegewezen bedrag van € 1.355,20) wordt de vergoeding, waarop [eiser] op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan maken, berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. Dit komt uit op een bedrag aan toewijsbare buitengerechtelijke kosten van € 203,28. [eiser] heeft ook de btw over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. In de aanmaning is de btw echter niet aangezegd, zodat deze niet toewijsbaar is.

Wettelijke rente

5.9.

Omdat [gedaagde] de factuur te laat betaald heeft is zij op grond van de wet tevens de wettelijke rente verschuldigd. Deze zal slechts worden toegewezen over de hoofdsom, omdat er voor het meerdere geen wettelijke grondslag is. Omdat een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen heeft [gedaagde] de verschenen wettelijke rente op een te hoog bedrag berekend. Omdat ook onduidelijk is vanaf welke dag [gedaagde] in verzuim is, zal de kantonrechter de wettelijke rente toe wijzen over € 1.355,20 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening.

Proceskosten

5.10.

De kantonrechter ziet in deze zaak aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Partijen zijn namelijk over en weer deels in het ongelijk gesteld. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat [eiser] pas in de dagvaarding de inkoopfactuur van de materialen heeft overgelegd, terwijl [gedaagde] zowel [eiser] als diens gemachtigde hier meerdere keren naar gevraagd had. Hierdoor kon [gedaagde] pas in deze procedure op de inkoopfactuur reageren.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 1.558,48 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.355,20 vanaf 5 september 2019 tot de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688