Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2754

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
7756207 CV EXPL 19-3248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maakt gedaagde misbruik van het (tucht)procesrecht met de door haar ingediende klacht, die kennelijk ongegrond is verklaard? Verschil in beleving van gebeurtenissen en terugkomen op standpunten van belang voor de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7756207 CV EXPL 19-3248

uitspraak: 26 maart 2020 (bij vervroeging)

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser] ,

zaakdoende te [plaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr.drs. A.J. van der Knijff,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr.drs. R.G.M. van der Pas.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 25 april 2019, met producties;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. het tussenvonnis van 20 juni 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  4. de nadere producties van [eiser] ter griffie binnengekomen op 25 november 2019;

  5. de aantekening dat de comparitie (na verleend uitstel op verzoek van partijen) heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020.

Ter comparitie heeft [eiser] na overleg tussen partijen besloten de geldelijke vorderingen niet langer te vorderen, maar slechts nog een verklaring voor recht te wensen dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat [gedaagde] vrijwillig een bedrag van € 250,- doneert aan Het Ivoren Kruis.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[gedaagde] is sinds 2012 patiënt bij de tandartskliniek van [eiser] . [gedaagde] heeft op
29 juni 2018 telefonisch contact opgenomen met de kliniek waaraan [eiser] verbonden is in verband met een afgebroken kies. [gedaagde] heeft gesproken met een receptioniste en heeft in het gesprek kenbaar gemaakt een klacht te zullen indienen. In de telefoonnotitie van de receptioniste staat het volgende geschreven:

Mw belt met verzoek voor afspraak voor vandaag ivm afgebroken kies welke pijnlijk aanvoelt. Ik bied mevrouw een afspraak aan maar dit past niet voor haar wegens de zorg voor haar kinderen. Helaas is dit de enige vrije plaats in de agenda voor die dag en er zijn geen andere opties. Ik heb dit aan mevrouw doorgegeven waarop zij zeer verontwaardig reageert. Ik leg nogmaals uit dat bij spoed-afspraken de mogelijkheden zeer beperkt zijn. Zij blijft vervolgens ook bij haar standpunt dat ze onmogelijk kan komen op het door mij aangeboden tijdstip. Na enige tijd heen en weer gepraat geeft mevrouw aan dat ze een klacht zal gaan indienen.

2.3

[gedaagde] heeft bij het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg een klacht ingediend. Op 20 december 2018 heeft het tuchtcollege de klacht afgewezen, als kennelijk ongegrond.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert – na wijziging van eis – een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld.

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] met haar klacht bij het tuchtcollege misbruik heeft gemaakt van het procesrecht, omdat zij een klacht heeft ingediend die is gebaseerd op onjuistheden en die getuigt van een apert onredelijke stellingname.

3.3

Het verweer van [gedaagde] wordt in het navolgende besproken.

4. De beoordeling

4.1

Voor de ontvankelijkheid van een vordering tot verklaring voor recht is vereist dat eiser een concreet belang in de zin van art. 3:303 BW bij die vordering heeft. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat de onrechtmatigheid van de gedraging van [gedaagde] jegens [eiser] en daarmee haar schadeplichtigheid komt vast te staan.

4.2

[eiser] verwijt [gedaagde] dat zij een tuchtklacht tegen hem heeft ingediend, gebaseerd op onwaarheden en een apert onredelijke stellingname, waardoor sprake is van misbruik van het tucht(proces)recht. Misbruik maken van een processuele bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen, kan misbruik van bevoegdheid als bedoeld artikel 3:13 BW opleveren, aangezien deze bepaling op grond van artikel 3:15 BW ook buiten het vermogensrecht toepassing vindt.

4.3

Van misbruik van procesrecht is sprake pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Bij het aannemen van misbruik van tucht(proces)recht past terughoudendheid gelet op het recht op onbelemmerde toegang tot de tuchtrechter.

4.4

De klacht van [gedaagde] berust op de gebeurtenissen van 29 juni 2018. Vast staat dat [gedaagde] heeft gebeld met de receptioniste van de tandartskliniek. Over de verdere inhoud van het gesprek verschillen partijen van mening. De stellingen van partijen worden hierna uiteengezet en besproken.

4.5

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de receptioniste heeft aangegeven dat [gedaagde] die ochtend nog langs kon komen om haar kies te laten behandelen. Dit tijdstip schikte [gedaagde] niet. [gedaagde] heeft gevraagd of zij die middag terecht kon, daarvoor was geen mogelijkheid. [gedaagde] heeft vervolgens een klacht ingediend met daarin een drietal onterechte verwijten, aldus [eiser] . [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij door deze klacht is aangetast in zijn eer en goede naam.

4.6

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Zij stelt de gebeurtenissen op 29 juni 2018 op een andere manier te hebben ervaren, mogelijk doordat zij door haar Spaanstalige achtergrond de mededeling van de receptioniste niet helemaal goed heeft begrepen. Er is een verschil in perceptie in de mededeling van de receptioniste, waardoor [gedaagde] het gevoel kreeg dat [eiser] haar niet wilde behandelen. [gedaagde] is van mening dat [eiser] dan wel zijn receptioniste zich onbehoorlijk tegenover haar heeft opgesteld. [gedaagde] is eveneens van mening dat het hebben van een andere beleving bij het gesprek op 29 juni 2018 niet de onrechtmatigheid van de door haar ingediende klacht meebrengt.

4.7

[eiser] en [gedaagde] hebben de gebeurtenissen van 29 juni 2018 kennelijk anders beleefd. Uit de stellingen van [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat zij dacht dat [eiser] geen andere mogelijkheid wilde bieden nadat zij te kennen had gegeven dat een afspraak die betreffende ochtend voor haar praktisch niet mogelijk was. Uit de stellingen van [eiser] blijkt ook niet dat [eiser] of zijn receptioniste met [gedaagde] nog contact heeft gezocht om een afspraak te plannen nadat [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt een klacht te zullen indienen. Dat [gedaagde] daadwerkelijk een klacht heeft ingediend kan gezien de aankondiging door [gedaagde] geen verrassing zijn voor [eiser] . Hier is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een klacht met slechts als doel het schaden van de belangen van [eiser] , zodat [gedaagde] zich van de klacht had moeten onthouden of van een klacht waarvan [gedaagde] de onjuistheid kende of behoorde te kennen.

4.8

Het handelen van [gedaagde] onderschrijft haar standpunt dat zij in de veronderstelling verkeert dat [eiser] zich klachtwaardig tegenover [gedaagde] heeft opgesteld. Dat het tuchtcollege heeft geoordeeld dat de klacht kennelijk ongegrond is doet niet af aan de beleving van [gedaagde] van de gebeurtenissen op 29 juni 2018. Daarbij komt dat [gedaagde] in de tuchtprocedure al in haar repliek is teruggekomen op de stellingen waarvan zij op dat moment inzag dat die niet juist waren geformuleerd. Dat brengt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer mee dat gegeven het verschil in hoe partijen de gebeurtenissen op 29 juni 2018 hebben beleefd, sprake is van evidente onwaarheden die [gedaagde] behoorden te weerhouden van haar klacht of van een klacht waarvan [gedaagde] behoorde te begrijpen dat die geen kans van slagen had. Van misbruik van (tucht)procesrecht door het indienen van een klacht bij het tuchtcollege is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. De kantonrechter wijst de vordering daarom af.

4.9

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 200,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645