Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
TUL: 10/741435-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gedeeltelijke tenuitvoerlegging voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer TUL: 10/741435-16

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] (Suriname) op [geboortedatum veroordeelde] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,
gemachtigd raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam.

Vordering

Op 20 februari 2020 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam d.d. 10 februari 2017 aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel.

Bij de vordering zijn overgelegd het rapport d.d. 21 januari 2020 en het aanvullend rapport d.d. 3 maart 2020 van het Leger des Heils, afdeling reclassering (hierna ook: de reclassering).

Feiten

Bij voornoemd vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. Daarbij is met vaststelling van een proeftijd van 3 jaren bepaald dat een gedeelte van deze straf, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de veroordeelde de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden niet naleeft.

De bijzondere voorwaarden luiden, na wijziging bij beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 24 januari 2019, waarbij de derde voorwaarde is toegevoegd, als volgt:

  1. de veroordeelde zal zich melden hij Reclassering Nederland/Bouman GGZ, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. de veroordeelde zal zich op basis op van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling voor behandeling van zijn problematiek laten opnemen in de forensische verslavingskliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke intramurale instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd voor de duur van maximaal 3 (drie) maanden, of zoveel korter als de (geneesheer-) directeur van die instelling verantwoord vindt;

  3. aanvullend zal de veroordeelde zich op basis op van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling voor behandeling van zijn problematiek laten opnemen in de forensische verslavingskliniek van Bouman GGZ of een soortgelijke intramurale instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd voor de duur van maximaal nog eens 6 (zes) maanden, of zoveel korter als de (geneesheer-) directeur van die instelling verantwoord vindt;

  4. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van een door de reclassering nader te bepalen instelling voor zijn vastgestelde problematiek, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven. gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt;

  5. de veroordeelde zal verplicht meewerken aan een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met die instelling verantwoord vindt;

  6. de veroordeelde zal zich verplicht inspannen voor het op orde krijgen van zijn financiƫn en voor het verkrijgen van een zinvolle dagbesteding, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt.

De mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 8 maart 2017 aan de veroordeelde verzonden.

Procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 6 maart 2020. De officier van justitie mr. H.J. du Croix en de (gemachtigd) raadsman zijn gehoord. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Voorts is als getuige gehoord [naam getuige] , als reclasseringswerker verbonden aan voornoemde reclasseringsinstelling.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting gepersisteerd bij de ingediende vordering.

Bevoegdheid

De meervoudige kamer van deze rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien deze kamer de straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, heeft opgelegd.

Ontvankelijkheid

De proeftijd van 3 jaar is ingegaan op 25 februari 2017. De vordering is ingediend op 20 februari 2020. De vordering is dus niet later dan drie maanden na het verstrijken van de proeftijd ingediend. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vordering.

Gegrondheid vordering

Het rapport van de reclassering van 21 januari 2020 houdt het volgende in.

De verdachte heeft van 6 augustus 2019 tot 21 oktober 2019 verbleven in verslavingskliniek Novadic- Kentron en heeft daar in het begin van de behandeling goede stappen gemaakt. Gedurende de behandeling is gebleken dat de veroordeelde geen openheid van zaken geeft over zijn delictverleden en het moeilijk vindt om over zijn gevoelens te praten. Daardoor komen de behandelaren niet verder met de behandeling.. De veroordeelde stond daarnaast niet open voor begeleid wonen, dat ook als bijzondere voorwaarde is opgelegd. Tijdens een evaluatiegesprek heeft Novadic-Kentron aan de veroordeelde te kennen gegeven dat de behandeling niet goed gaat en alsnog kan worden hervat, mits de veroordeelde zich openstelt. De veroordeelde besloot echter de kliniek te verlaten.

De reclassering heeft door de geslotenheid van de veroordeelde geen zicht op zijn intrinsieke motieven voor ander gedrag en daarmee ook niet op de kans op recidive.

De eerdere klinische opnamen en een ambulante behandeling zijn ook gestagneerd om die reden. De conclusie is dat de veroordeelde een behandeltraject gericht op zijn verslaving niet positief heeft afgerond. De klinische opname komt niet van de grond en de veroordeelde wil ook niet meewerken aan begeleid wonen. De veroordeelde heeft daarmee onvoldoende meegewerkt aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.

Geadviseerd wordt om over te gaan tot tenuitvoerlegging van (een deel van) het voorwaardelijke strafdeel.

Het aanvullend rapport van 3 maart 2020 houdt het volgende in.

De veroordeelde is op 18 december 2019 voor het laatst gezien door de reclassering. Hij is de gemaakte afspraken niet nagekomen. In de periode tussen 24 december 2019 en 19 februari 2020 was de veroordeelde niet bereikbaar voor de reclassering. Op 29 februari 2020 belde de veroordeelde naar de reclassering en werd met hem een afspraak gemaakt op 20 februari 2020. De veroordeelde verscheen echter niet en ook op een nieuwe afspraak op 24 februari 2020 is de veroordeelde niet verschenen. De veroordeelde is opnieuw aangemeld voor een (ambulante) behandeling bij Antes in november 2020. De veroordeelde verscheen echter niet op de intake op 24 februari 2020.

De veroordeelde toont zich onvoldoende gemotiveerd en reclassering ziet dan ook geen meerwaarde in het toezicht. De veroordeelde loopt al enkele jaren in toezicht en houdt zich herhaaldelijk niet aan zijn bijzondere voorwaarden.

Het advies luidt nu om een volledige tenuitvoerlegging te gelasten.

De getuige [naam getuige] heeft op de terechtzitting verklaard dat de persoonlijke crisis die bij ernstig verslaafden doorgaans nodig is om inzicht en bereidheid tot behandeling te bewerkstelligen bij de verdachte nog niet zodanig is dat te verwachten is dat met een kans op succes kan worden ingestoken op een vorm van behandeling van die verslaving en aanpak van de daarmee samenhangende problemen. Tijdens een eerdere klinische opname stelde de verdachte zich aanvankelijk benaderbaar op, maar tijdens een diepgaander in kaart brengen van de problematiek weigerde de verdachte verdere medewerking. De verdachte is sinds 20 februari 2020 volledig uit zicht van de reclassering.

De gemachtigd raadsman van de veroordeelde heeft op de terechtzitting opgemerkt dat het opgelegde reclasseringstoezicht en de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden door de verdachte weliswaar met vallen en opstaan is verlopen, maar dat de verdachte er toch bij herhaling blijkt van heeft gegeven wel hulpverlening te wensen, maar daar niet op elk moment en in alle gevallen toe in staat lijkt te zijn.

De rechtbank is op grond van de opgemaakte rapporten en de verklaring van de deskundige van oordeel dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd.

Er is daarom aanleiding om de tenuitvoerlegging te gelasten van het aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel.

Niettemin zal de tenuitvoerlegging worden beperkt tot een gedeelte groot 3 maanden, omdat de verdachte in het kader van de uitvoering van de bijzondere voorwaarden wel gedurende een substantiƫle periode klinisch opgenomen is geweest en zich in de aanvangsperiode van die opname binnen zijn mogelijkheden heeft ingespannen om mee te werken aan de beoogde behandeling aldaar.

Het restant van het aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel zal de verdere duur van de proeftijd, zonder daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden, boven het hoofd van de veroordeelde blijven hangen.

Beslissing

De rechtbank

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 3 maanden, van de bij voormeld vonnis aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat de aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gekoppelde bijzondere voorwaarden komen te vervallen;

wijst de vordering voor het overige af.

Deze beslissing is genomen door mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2020.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn

buiten staat deze beslissing te ondertekenen.