Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2749

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
10/960057-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een handelshoeveelheid cocaïne (artikel 10 van de Opiumwet) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne (artikel 10a van de Opiumwet). Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960057-14

Datum uitspraak: 27 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Patist heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres delict 1] oktober 2013 is slechts een geringe hoeveelheid cocaïne aangetroffen en er is onvoldoende bewijs dat in de getapte telefoongesprekken en OVC-gesprekken is gesproken over cocaïne. In het OVC-gesprek van 14 oktober 2013 dat aanleiding was voor de doorzoeking is slechts gesproken over ‘40’ en niet over ’40 kilo cocaïne’ en er zijn andere gesprekken waarin aanwijzingen kunnen worden gevonden dat het hier mogelijk ging om geld en niet om cocaïne. In die gesprekken gaat het namelijk vaak over ‘papieren’, waarmee volgens de politie geld wordt bedoeld.

Subsidiair is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte, als medepleger, betrokken is geweest bij het aanwezig hebben van cocaïne in deze woning en hij om die reden moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde is subsidiair aangevoerd dat de pleegperiode moet worden ingekort omdat niet bewezen kan worden dat hij de voorbereidingshandelingen in de gehele hem verweten periode heeft gepleegd.

Beoordeling

Vast staat dat de woning aan de [adres delict 2] te Rotterdam (hierna: de woning) in de ten laste gelegde periode in gebruik was bij de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Blijkens het huurcontract werd de woning vanaf 1 april 2013 voor de duur van een jaar gehuurd door de verdachte. Uit getapte telefoongesprekken is gebleken dat [naam medeverdachte 1] de huur van de woning betaalde. Verder volgt onder andere uit observaties dat de verdachte in de woning verbleef en dat [naam medeverdachte 1] daar regelmatig kwam en sprak over zijn eigen huis.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder vast dat de verdachte in de woning goederen onder zich had en dat hij onder meer de taak had om in verband daarmee de woning te bewaken. De rechtbank gaat ervan uit dat die goederen cocaïne betroffen. Daartoe overweegt zij het volgende.

Op 17 oktober 2013 heeft in de woning een doorzoeking plaatsgevonden. De voordeur bleek gebarricadeerd met een lange houten balk, die haaks op de deur klem was gezet tegen de tegenoverliggende muur. In de woning zijn onder andere 6,25 gram cocaïne, vier sporttassen, rollen bruin verpakkingstape en handschoenen aangetroffen. Daarnaast is ook een schrijfblok met daarin enkele beschreven losse vellen papier aangetroffen. Daarop stonden getallen en berekeningen en geschreven tekst, waaronder de woorden: Stek- Bruin - van kwart - Brown pack - no star plain - white sugar. De verdachte was in de woning aanwezig en is toen aangehouden. Kort na zijn verhoor is hij weer in vrijheid gesteld.

Op 29 oktober 2013 heeft opnieuw een doorzoeking plaatsgevonden. Toen is een verborgen ruimte ontdekt. Deze ruimte was leeg en leek kort geleden schoongemaakt. In de woning zijn nog een vacuümsealmachine, een grote tas (van de Jumbo) met verpakkingsmateriaal, drie sporttassen, een bagagetrolley, een paar rubberen handschoenen en tape aangetroffen. Op de bagagetrolley, één van de sporttassen en de vacuümsealmachine zijn volgens de politie sporen van minimale hoeveelheden cocaïne aangetroffen.

De goederen die bij deze doorzoekingen zijn aangetroffen, wijzen erop dat de woning werd gebruikt als opslag- en verpakkingspand voor drugs. Dit wordt ondersteund door de inhoud van tap- en OVC-gesprekken.

Uit tapgesprekken in de periode van 12 augustus 2013 tot en met 16 oktober 2013 tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte blijkt dat hij werd geïnstrueerd om de woning te bewaken. Er is een telefoongesprek waarin hem werd gezegd dat hij weer snel naar de woning moest gaan en de plank neer moest leggen. Gelet op de lange balk die bij de eerste doorzoeking was aangetroffen, is hiermee bedoeld dat hij de voordeur moest barricaderen. Ook mocht hij van [naam medeverdachte 1] niet zomaar de deur open doen, alleen als hij eraan kwam, en moest hij de omgeving van de woning in de gaten houden. Verder werd de verdachte ook gevraagd om schoon te maken op het moment dat [naam medeverdachte 1] met iemand naar de woning kwam. Ook is er een telefoongesprek (op 25 augustus 2013) waarin [naam medeverdachte 1] hem vroeg of hij een beetje monster mee wilde nemen.

Enkele dagen voor de eerste doorzoeking, op 14 oktober 2013, is er een gesprek opgenomen in café [naam café] , tussen [naam medeverdachte 1] en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] . Daarbij werd gesproken over “hoeveel er nog zijn”. Hierbij werd onder andere genoemd “48 stuks” en werd ook gezegd dat ze nog ongeveer 40 in hun handen hebben. Later die dag vond weer een gesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in café [naam café] waarin werd gesproken over “45 stuks”. Daarbij werd ook besproken over betaling, namelijk: “ze moeten betalen. (…) het is 1 ,2 miljoen. 45, 46. Als ze het geld brengen geef ik het!”

Op 17 oktober 2013 vond er na de doorzoeking opnieuw een gesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in café [naam café] . [naam medeverdachte 1] zei tegen [naam medeverdachte 2] dat “ze” [de rechtbank begrijpt: de politie] al weg zijn en dat het voor hen belangrijk is of ze het daar wel of niet gevonden hebben. Ook zei [naam medeverdachte 1] dat tegen hem was gezegd dat er 30/40 gram in het zicht moest blijven liggen en dat daarvan was gezegd: “Laat ze dat maar vinden”. Ook sprak [naam medeverdachte 1] met de medeverdachte [naam medeverdachte 2] over de arrestatie van de verdachte. [naam medeverdachte 2] vroeg aan [naam medeverdachte 1] of het spul in het zicht was. [naam medeverdachte 1] antwoordde dat dat niet het geval was. Ook werd tussen hen gesproken over dat “ze” het niet hebben gevonden. De verdachte kwam, nadat hij door de politie was heengezonden, in de loop van de middag in café [naam café] en praatte met [naam medeverdachte 1] over de inval van de politie in de woning. De verdachte zei dat de politie alleen 15 gram wit en 3 of 4 gram coke heeft gevonden en dat alles verborgen/opgeborgen was en voor de rest helemaal niets is gevonden.

De rechtbank stelt vast dat deze laatste zin, bezien in samenhang met het voorgaande gesprek waarin werd gesproken over 30/40 gram dat in het zicht moest blijven liggen en over ‘het spul’ dat niet in het zicht lag, niet anders kan worden verklaard dan dat zij meer drugs in de woning verborgen hadden. Hierbij komt dat in het gesprek van 14 oktober 2013 ook al over betaling werd gesproken, hetgeen er op wijst dat het iets anders moet zijn geweest dan geld.

Dit wordt ook ondersteund door hetgeen er die dag tussen de verdachten verder is besproken. [naam medeverdachte 1] zei tegen [naam medeverdachte 2] dat zij het misschien wel gaan verkopen. Ook zei hij dat ze het daar maar moeten laten liggen en hij wel weet hoe het hij daar uit moet krijgen. Hij zei dat hij een buurman kent en hij hem tassen zal geven en zal vragen om die ergens te brengen. Hij zei dat hij het door [naam medeverdachte 2] zal laten doen. Aan het eind van de middag sprak [naam medeverdachte 2] met een onbekende man in café [naam café] . Hij zei tegen de onbekende man dat hij nog een klusje voor hem heeft, namelijk om twee tassen vanaf ‘zeg maar’ Pathé ergens anders naar toe te brengen. Hij zei daarbij dat het ging om 25 kilo. De rechtbank merkt op dat nabij de [adres delict 2] te Rotterdam een vestiging van de bioscoopketen Pathé is gelegen. Hieruit komt naar voren dat zij tassen met daarin goederen met een gewicht van 25 kilo hebben laten wegbrengen.

Op 19 oktober 2013 spraken de verdachte en [naam medeverdachte 2] met elkaar in café [naam café] over zijn aanhouding en de doorzoeking van de woning. De verdachte zei toen ook tegen [naam medeverdachte 2] dat “ze” het niet gevonden hebben. [naam medeverdachte 2] vroeg daarop of ze ook de papieren niet hebben gevonden en de verdachte antwoordde dat ze de papieren wel gezien hebben, maar zich er niet mee bezig hebben gehouden. Dit lijkt niet over geld te gaan.

Later die dag was [naam medeverdachte 2] in gesprek met iemand en vertelde hem wat bij de verdachte thuis is gebeurd en zei dat het ter waarde van 1,5 miljoen is. Ook hieruit komt naar voren dat het ging om iets anders dan geld.

Op grond van al het voorgaande, mede in onderlinge samenhang bezien, wordt vastgesteld dat er in de ten laste gelegde periode een handelshoeveelheid cocaïne in de woning aan de [adres delict 2] te Rotterdam verborgen was. Het verweer van de verdediging dat het mogelijk is dat er geld verborgen was en geen cocaïne, wordt verworpen. De hiervoor aangehaalde gesprekken wijzen daar niet op en de verdachte heeft er zelf niets over willen zeggen.

Ook het subsidiaire verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij het aanwezig hebben van cocaïne in de woning, wordt verworpen. Hij huurde de woning, verbleef daar en bewaakte die in opdracht van anderen en uit de gevoerde gesprekken volgt dat hij ook wist van de handelshoeveelheid cocaïne die daar was verborgen. Hij heeft die cocaïne daar dus tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig gehad.

Gelet op het voorgaande is ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, voorbereidingshandelingen heeft verricht ten behoeve van de handel in cocaïne. Hij heeft het huurcontract voor de woning aan de [adres delict 2] te Rotterdam getekend waar de cocaïne was verborgen en heeft ontmoetingen met de medeverdachten gehad en met hen telefoongesprekken gevoerd waarbij over die handel in cocaïne is gesproken. De rechtbank ziet, gelet op de periode waarin de woning is gehuurd en waarin de gesprekken hebben plaatsgevonden, geen reden om een kortere periode bewezen te verklaren dan is ten laste gelegd.

De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een handelshoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2013 tot en met 29 oktober 2013, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid tot het plegen van datfeitheeft trachten te verschaffen,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

  • -

    één of meer telefoongesprek(ken) gevoerd (in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

  • -

    met één of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

  • -

    het huurcontract voor het pand aan de [adres delict 2] te Rotterdam getekend

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een handelshoeveelheid cocaïne. Voorts heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. De handel in harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij. Zo gaat dit vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit, zoals geweldsfeiten en het witwassen van geld dat met de handel wordt verdiend. Ook zijn de gezondheidsrisico’s voor gebruikers van cocaïne groot. Deze drugs zijn namelijk erg verslavend en kunnen bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft kennelijk geen enkele boodschap gehad aan al deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er zelf financieel beter van te worden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt.

De verdachte is in de onderhavige zaak op 2 september 2014 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis ligt een periode van vijfeneenhalf jaar. Omdat in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is die termijn met drieëneenhalf jaar overschreden. Omdat deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte en evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging is verzocht, wordt niet passend geacht.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de straffen die in min of meer soortgelijke zaken in het verleden zijn opgelegd. De rechtbank heeft daarbij de oriëntatiepunten van straftoemeting bij het aanwezig hebben van en de handel in harddrugs betrokken. Zoals overwogen, zal in strafmatigende zin rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank ziet geen reden om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, omdat de verdachte al sinds 12 september 2014 in de schorsing van zijn voorlopige hechtenis loopt en niet is gebleken dat hij in die periode opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P. van de Beek, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad, (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaaksdossier 40 kilo)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2013 tot en met 29 oktober 2013, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

  • -

    één of meer telefoongesprek(ken) gevoerd (in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

  • -

    één of meer ping/smsbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het invoeren en/of uitvoeren en /of verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

  • -

    met één of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen en/of van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

  • -

    het huurcontract voor het pand aan de [adres delict 2] te Rotterdam getekend en/of

  • -

    één of meer geldbedrag(en) overhandigd en/of in ontvangst genomen en/of vervoerd ten behoeve van het verstrekken en/of vervoeren en/of afleveren en/of verkopen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

  • -

    één of meerdere mobiele telefoon(s) en/of simkaart(en) aangeschaft en/of laten aanschaffen;

(zaaksdossier 40 kilo)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet