Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2672

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
FT RK 20/85
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek faillietverklaring afgewezen, bestaan van vorderingsrecht verzoeksters niet summierlijk gebleken.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Rekestnummer: [Nummer]

BESCHIKKING op het verzoekschrift van 11 februari 2020, met producties, van:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

LETTERFRACK B.V., en

DELPHI PHARMACEUTICALS B.V.,

hierna Letterfrack en Delphi,

verzoeksters,

advocaat mr. D.W.E. Urbanus,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

statutair gevestigd te Ridderkerk,

verweerster.

1 De procedure

Verzoeksters, bij monde van hun advocaat, voormeld, en verweerster, bij monde van haar bestuurder, [naam 3] ( [naam 3] ), zijn gehoord in raadkamer op 17 maart 2020.

Op 16 maart 2020 hebben verzoeksters het verzoekschrift aangevuld en aanvullende producties overgelegd. Verweerster heeft op die datum ook een productie overgelegd.

Tijdens de mondelinge behandeling van 17 maart 2020 hebben verzoeksters nadere stukken overgelegd en verweerster pleitnotities.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Standpunten

Verzoeksters stellen het volgende. Verweerster heeft een groot aantal facturen van verzoeksters onbetaald gelaten waarvan de betalingstermijn is verstreken. De facturen zien op aan verweerster door Letterfrack uitgeleend personeel en door Delphi geleverde farmaceutische producten. Zij hebben op grond daarvan opeisbare vorderingen op verweerster van in hoofdsom € 62.332,98 (Letterfrack) en € 61.905,33 (Delphi). Verzoeksters hebben afschriften van de facturenoverzichten, facturen en een sommatiebrief van 7 februari 2020 overgelegd. Verweerster laat ook andere schuldeisers onbetaald.

Verweerster erkent, in zijn algemeenheid, dat er steunvorderingen zijn. Zij betwist echter dat verzoeksters vorderingen op haar hebben en voert daartoe het volgende aan.

Verzoeksters en verweerster zijn onderdeel van de Spanhoff groep waarvan de heer [naam 1] ( [naam 1] ) middellijk meerderheidsaandeelhouder is. De aandelen in verweerster worden tevens middellijk gehouden door de heer [naam 2] (de medeaandeelhouder).

Op verzoek van de medeaandeelhouder heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam in oktober 2019 in een enquêteprocedure aangegeven dat is gebleken van wanbeleid. Het wanbeleid volgde met name uit het feit dat [naam 1] de belangen van onder andere(n) zijn medeaandeelhouder en verweerster heeft geschaad door de belangen van andere onderdelen van de Spanhoff te laten prevaleren. De Ondernemingskamer heeft [naam 1] geschorst als bestuurder van verweerster en [naam 3] als zodanig aangewezen. Vanwege daarop volgende schikkingsonderhandeling tussen [naam 1] en zijn medeaandeelhouder heeft [naam 3] zich aanvankelijk terughoudend opgesteld. Wel heeft [naam 3] , zoals hij onweersproken heeft aangegeven, kort na zijn aanwijzing als bestuurder aan de toenmalig advocaat van [naam 1] en verweerster verzocht om inzage in de financiële positie van verweerster; de administraties van verzoeksters en verweerster zijn gevoerd door medewerkers van de Spanhoff groep en deze staan niet aan verweerster ter beschikking.

Naar aanleiding van het verzoek om inzage heeft [naam 4] op 15 november 2019 een crediteurenlijst gestuurd aan [naam 3] waaruit onder meer vorderingen bleken van Letterfrack van € 22.696,37 en Delphi van € 14.738,67. Daarna heeft [naam 3] niet vernomen dat deze vorderingen onjuist waren en dat de vorderingen feitelijk hoger zouden zijn. In deze periode is [naam 3] wel gebleken dat [naam 1] vlak voor en tijdens zijn schorsing rechtshandelingen heeft verricht namens verweerster waarover [naam 3] door [naam 1] of zijn advocaten niet (tijdig) dan wel onvolledig is geïnformeerd.

Nadat de onderhandelingen over een minnelijke regeling tussen [naam 1] en zijn medeaandeelhouder op niets uitliepen, heeft [naam 4] namens verzoeksters op 7 februari 2020 verweerster gesommeerd hogere bedragen te betalen dan op 15 november 2019 aangegeven, te weten € 62.332,98 aan Letterfrack en € 61.905,33 aan Delphi.

[naam 3] heeft tevergeefs onderzoek gedaan naar de reden van deze verhogingen. Dit is niet opgehelderd door de door hem ingeschakelde accountant of de leverancier van de boekhoudsoftware, Twinfield. [naam 3] constateerde dat de hogere bedragen inmiddels wel bleken te zijn ingevoerd in de digitale administratie van verweerster. Twinfield heeft, ondanks het feit dat [naam 3] Twinfield daar meer dan een maand geleden om heeft verzocht, [naam 3] niet geantwoord op zijn vraag wie op welk moment de digitale administratie van verweerster heeft gewijzigd.

Verweerster heeft de vorderingen van verzoeksters die blijken uit de op 15 november 2019 toegezonden crediteurenlijst voldaan. Dit betreft een van bedrag van € 22.696,37 aan Letterfrack en van € 14.738,67 aan Delphi. Verzoeksters hebben ontvangst van deze bedragen bevestigd.

3 De beoordeling

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.

De faillietverklaring van verweerster kan dus niet worden uitgesproken op het verzoek van verzoeksters indien niet summierlijk blijkt van het bestaan van hun vorderingsrecht.

Verweerster betwist gemotiveerd dat het vorderingsrecht van verzoeksters (nog) bestaat. Daartegenover voeren verzoeksters aan dat zij zich niet geheel verenigen met de door verweerster aangevoerde feiten, dat verweerster door verwijzing naar het geschil tussen [naam 1] en zijn medeaandeelhouder (de enquêteprocedure) een rookgordijn optrekt en dat de vorderingen van verzoeksters zijn ingeboekt in het boekhoudsysteem van verweerster. Daarmee blijft de opmerkelijke verhoging van de gestelde vorderingen tussen november 2019 en februari 2020, nadat een minnelijke regeling tussen [naam 1] en zijn medeaandeelhouder uitbleef, echter onverklaard. Dit geldt ook voor de wijze waarop deze verhoging is opgenomen in de boekhouding van verweerster. Zoals [naam 3] immers onbestreden heeft aangevoerd, heeft hij ondanks zijn onderzoek niet kunnen achterhalen door wie en wanneer de verhoging is verwerkt in de digitale administratie.

Gelet op de aard van het achterliggende geschil tussen [naam 1] en zijn medeaandeelhouder in verband met het door verzoeksters niet of onvoldoende bestreden feit dat de administratie van verweerster niet door medewerkers van verweerster maar door andere medewerkers van de Spanhoff groep wordt gevoerd en het feit dat de (administratieve verwerking van de) verhoging van de gestelde vorderingen heeft plaatsgevonden nadat de schikkingsonderhandelingen (vooralsnog) op niets waren uitgelopen, had het op de weg van verzoeksters gelegen hun vorderingen nader te onderbouwen. De betalingen door verweerster maken dit niet anders nu deze op zichzelf genomen niet als erkenning van de gestelde vorderingen kunnen worden aangemerkt, doch slechts als erkenning van de in november 2019 openstaande vorderingen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan het vorderingsrecht van verzoeksters.

Het verzoek tot faillietverklaring wordt daarom afgewezen

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is op 24 maart 2020 gegeven door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Mouthaan, griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.