Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2665

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
10/741065-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een woninginbraak, gevolgd van licht geweld, tot een gevangenisstraf van vijf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/741065-19

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Colombia) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

raadsman mr. V.T.E. Kuijpers, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde woninginbraak met geweld omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verdachte ontkent dat hij de inbraak heeft gepleegd. Hij was in het betreffende flatgebouw omdat hij daar op zoek was naar een verblijfplaats. In elk geval kan niet worden bewezen dat hij de in de tenlastelegging opgenomen € 4.000,- heeft weggenomen, aangezien dit geldbedrag niet bij hem is aangetroffen.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte - dat hij zich in het flatgebouw bevond omdat hij daar op zoek was naar een verblijfplaats - bij afwezigheid van een logisch onderbouwde redenering volstrekt ongeloofwaardig. Het flatgebouw was niet in de buurt waar de verdachte verbleef en ook niet in de buurt van de kerk waar hij geweest was. Verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor zijn veronderstelling dat hij in dat flatgebouw woonruimte zou kunnen vinden. De bewijsmiddelen laten naar het oordeel van de rechtbank geen reële andere mogelijkheid open dan dat het de verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd. Hierbij is in het bijzonder gelet op het feit dat de verdachte in het flatgebouw was, wegrennend te zien is op de camerabeelden, de chronologie der gebeurtenissen (die kort op elkaar plaatsvonden, tot aan de aanhouding van de verdachte) en de overeenkomsten tussen het door de aangeefster gegeven signalement en de uiterlijke kenmerken van de verdachte.

De rechtbank is er echter onvoldoende van overtuigd dat de verdachte, naast een horloge en een mobiele telefoon, ook € 4.000 uit de woning heeft weggenomen. Een rechtstreeks van de aangeefster zelf afkomstige verklaring met die strekking bevindt zich namelijk niet in het dossier. Maar bovenal is hierbij van belang dat dit geldbedrag noch bij de verdachte zelf, noch op zijn vluchtroute, is aangetroffen, ondanks het feit dat hij min of meer op heterdaad op korte afstand van de woning is aangehouden. Van dat onderdeel zal de verdachte dus worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de ten laste gelegde woninginbraak heeft gepleegd, dat hij daarbij een horloge en mobiele telefoon heeft weggenomen en dat hij bij zijn vlucht geweld heeft gebruikt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 3 december 2019 te Rotterdam in een woning, gelegen aan de [adres delict] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een horloge en een mobiele telefoon toebehorende aan [naam slachtoffer] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [naam slachtoffer] onverhoeds en met kracht te duwen, waardoor die [naam slachtoffer] ten val is gekomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft ingebroken in een woning en daarbij een horloge en een mobiele telefoon weggenomen. Tijdens deze inbraak werd hij betrapt door de bewoonster. Bij zijn daaropvolgende vlucht uit de woning duwde de verdachte de bewoonster weg, waardoor deze op de grond viel.

Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor de eigendommen en persoonlijke leefomgeving van een ander. Een woning is bij uitstek een plaats waar mensen zich veilig voelen en ook moeten kunnen voelen. De verdachte heeft hier inbreuk op gemaakt. Een woninginbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Het feit is van een zodanige ernst dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2020.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2019 te Rotterdam in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een horloge en/of een mobiele telefoon en/of 4000 euro, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en/of verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [naam slachtoffer] (onverhoeds en met kracht) te duwen, waardoor die [naam slachtoffer] ten val is gekomen.