Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2650

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
10-275579-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van winkeldiefstal, eenvoudige belediging, mishandeling, tweemaal bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, eenvoudige belediging van politieagent en mishandeling van politieagent. Oplegging ISD-maatregel voor 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-275579-19

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ( [postcode] ) te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

Penitentiaire Inrichting Zwolle (PPC),

raadsman mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, zonder aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering van de feiten 1, 5 en 7

Het onder 1, 5 en 7 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Beoordeling van de feiten 2, 3, 4 en 6

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitingen zoals ten laste gelegd onder 2 en 4 weliswaar door de verdachte gedaan zijn, behoudens de woorden ‘kankerbuitenlander’, maar dat deze woorden niet gericht waren tot de aangever, [naam slachtoffer 1] , maar tot de gearriveerde politieambtenaren.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde betoogd dat de verdachte met vlakke hand tegen het achterhoofd van de heer [naam slachtoffer 1] heeft geslagen en hij daar onmogelijk pijn door kan hebben gekregen, zodat geen sprake is van mishandeling.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte de aangeefster, verbalisant [naam slachtoffer 2] , niet opzettelijk heeft geschopt. De verdachte werd door de verbalisanten op de grond gegooid en hierbij zwaaiden haar benen door de lucht. Zij had zodoende geen controle over waar haar benen terechtkwamen. Bovendien is niet gebleken van enig letsel door de vermeende handeling, zodat ook om die reden geen sprake van mishandeling kan zijn.

Beoordeling

In de aangifte van [naam slachtoffer 1] is vermeld dat, nadat verdachte was betrapt op het wegnemen van twee producten uit de winkel, zij door [naam slachtoffer 1] werd meegenomen naar het kantoor. Nadat zij haar identiteitsbewijs had overhandigd voor het opmaken van het winkeldiefstalformulier, begon de verdachte te schelden. Ook de bedrijfsleider, [naam bedrijfsleider] , kwam hierna het kantoor in. De verdachte ging door met schelden en bedreigde [naam slachtoffer 1] en [naam bedrijfsleider] . Hierna stond zij op en sloeg [naam slachtoffer 1] met gebalde vuist op het achterhoofd. [naam slachtoffer 1] verklaart hierover dat hij een heftige pijn aan zijn achterhoofd voelde en even duizelig was. Vervolgens is de politie ter plaatse gekomen. Het voorgaande wordt bevestigd door bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] . Hij verklaart dat hij ook in het kantoor aanwezig was, dat de verdachte allerlei verschrikkelijke dingen riep en dat zij [naam slachtoffer 1] met de vuist op het achterhoofd sloeg. Ook de verdachte zelf heeft verklaard dat zij inderdaad heeft gescholden en bedreigd. Dat dit - zoals bepleit door de verdediging - gericht zou zijn geweest tot de politieagenten, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zowel [naam slachtoffer 1] als [naam bedrijfsleider] verklaren dat het verbale geweld voorafging aan de komst van de politie. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de uitingen heeft gedaan zoals vermeld onder 2 en 4 van de tenlastelegging.

De rechtbank acht op basis van de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam bedrijfsleider] ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer 1] met de vuist op het achterhoofd heeft geslagen, waardoor hij pijn heeft gehad. Hiernaast acht de rechtbank, op basis van de op ambtsbelofte opgemaakte verklaring van verbalisant [naam slachtoffer 2] en haar aangifte, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer 2] tegen de schenen heeft geschopt en dat [naam slachtoffer 2] hierdoor pijn heeft gehad. De door de verdediging geschetste alternatieve lezing dat de verdachte per ongeluk met haar voet tegen het been van [naam slachtoffer 2] zou hebben gezwaaid, acht de rechtbank gelet op de duidelijke verklaring van [naam slachtoffer 2] niet aannemelijk.

Anders dan de verdachte heeft bepleit, is niet noodzakelijk dat ook letsel aanwezig is om deze gedragingen te kwalificeren als mishandeling. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 12 mei 2015 (HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1237), volgt immers dat ook het toebrengen van pijn of - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, als mishandeling dient te worden gekwalificeerd.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaringen redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 5 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

twee doosjes aftershave, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan een filiaal van de Albert Heijn, gevestigd aan de [adres delict] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen;

2

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk [naam slachtoffer 1] ,

in zijn tegenwoordigheid en in het openbaar,

mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer, kankerhond,

kutallochtoon, kankerbuitenlander en kankerbeveiliger";

3

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem tegen het achterhoofd te stompen;

4

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie dood

als ik vrij ben en ik laat jullie afmaken";

5

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Eenheid

Rotterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

haar bediening, in haar tegenwoordigheid en in het openbaar,

mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen:

"Die blonde kankerhoer, jullie zijn allemaal kankerjoden, jullie zijn lelijk

en kankerhoerige slet";

6

zij op 18 november 2019 te Rotterdam,

een ambtenaar, [naam slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam),

gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar

bediening heeft mishandeld door tegen de schenen te schoppen;

7

zij op 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Die blonde

kankerhoer, ik maak haar af, ik maak jullie dood, die kankerhoer steek ik

een vork in haar strot, je gaat eraan en ik pak een honkbalknuppel

met spijkers en ik maak die kankerslet af".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen in cursief verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 diefstal;

2. eenvoudige belediging;

3. mishandeling;

4. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

6. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

7. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Toen zij door een beveiliger van de betreffende winkel op heterdaad werd aangehouden, heeft de verdachte zich vervolgens schuldig gemaakt aan het beledigen, bedreigen en mishandelen van die beveiliger. Toen de politie ter plaatse kwam, heeft de verdachte zich voorts schuldig gemaakt aan het beledigen, bedreigen en mishandelen van een politiebeambte.

Dat zij haar woorden kracht bijzette door fysiek te handelen, maakte de situatie voor de slachtoffers des te bedreigender en vervelender. Politieambtenaren en beveiligingsmedewerkers moeten hun werk op een veilige manier kunnen doen, zonder te worden geconfronteerd met verbaal en fysiek agressieve personen, zoals de verdachte, die hen angst aanjagen dan wel beledigen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

28 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

28 februari 2020. Dit rapport houdt – kort weergegeven – het volgende in.

De verdachte kent een uitgebreide justitiële geschiedenis en derhalve staat zij geregistreerd als zeer actieve veelpleger bij het Openbaar Ministerie te Rotterdam. Delictgedrag houdt verband met de sociaal-maatschappelijke instabiliteit waar de verdachte in verkeert waarbij het middelengebruik een prominente rol heeft. Reeds jarenlang is in toenemende mate sprake van maatschappelijke teloorgang. Ondanks haar zorgelijke situatie weigert zij zich voor langere tijd aan (gedwongen) hulpverlening te conformeren waardoor de gewenste

gedragsverandering uitblijft.

Gezien het hoge recidiverisico, de vele mislukte (gedwongen) hulpverleningstrajecten, haar

zorgmijdende en sterk zelfbepalende gedrag en het feit dat de verdachte herhaaldelijk heeft

aangegeven niet met de reclassering te willen samenwerken, wordt geadviseerd aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen. De ISD-maatregel dient enerzijds als een ultimum remedie, maar in het geval van de verdachte wordt dit ook gezien als een optimum remedie. Alternatieve justitiële titels bieden namelijk onvoldoende soelaas om in te spelen op het hoge recidiverisico. Binnen het ISD-kader kunnen bovendien interventies als behandeling, begeleiding en beschermd wonen worden ingezet, met dien verstande dat het mislukken van dergelijke trajecten leidt tot terugplaatsing in de penitentiaire inrichting. Hiermee wordt voorkomen dat de verdachte uit beeld raakt en het kader vervalt door tenuitvoerlegging. Vanuit de penitentiaire inrichting kan in dat geval opnieuw getracht worden een plan van aanpak uit te voeren. De ketenaanpak zoals deze is vastgesteld vanuit het Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond, sluit aan bij onderhavig reclasseringsadvies.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Aan de wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 januari 2020 in de vijf jaren voorafgaande aan de door haar begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Tot op heden hebben de aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van de ISD‑maatregel noodzakelijk is.

Gelet op de door haar steeds weer veroorzaakte overlast en schade, staat thans het belang van de samenleving voorop. Hierbij is mede gelet op de ernst van de begane feiten en de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen. De veiligheid van personen of goederen vereist dat aan de verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd voor de duur van twee jaren om zo de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 150,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 150,-, zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 november 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 266, 267, 285, 300, 304, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 150,- (hoofdsom, zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 3 (drie) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. D.F. Smulders en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L. Lobs-Tanzarella en C.J. Voogel-van Buuren, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de tweede griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

twee doosjes aftershave, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele

aan een ander toebehoorde, te weten aan een filiaal van de Albert Heijn,

gevestigd aan de [adres delict] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk

[naam slachtoffer 1] ,

in zijn tegenwoordigheid en/of in het openbaar,

mondeling,

heeft beledigd

door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer, kankerhond,

kutallochtoon kankerbuitenlander en/of kankerbeveiliger", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem op/tegen het achterhoofd te

slaan en/of te stompen;

4

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie dood

als ik vrij ben en/of ik laat jullie afmaken", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

5

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk

een ambtenaar,te weten [naam slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Eenheid

Rotterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

haar bediening,

in haar tegenwoordigheid en/of in het openbaar,

mondeling

heeft beledigd,

door haar de woorden toe te voegen:

"Die blonde kankerhoer, jullie zijn allemaal kankerjoden, jullie zijn lelijk

en/of kankerhoerige slet", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking;

6

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam,

een ambtenaar, [naam slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam),

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar

bediening

heeft mishandeld door op/tegen de schenen te schoppen/trappen;

7

zij op of omstreeks 18 november 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Die blonde

kankerhoer, ik maak haar af, ik maak jullie dood, die kankerhoer steek ik

een vork in haar strot, je gaat eraan en/of ik pak een honkbalknuppel

met spijkers en ik maak die kankerslet af", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.