Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2592

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-01-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
C/10/579642 / FA RK 19-6803
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen bevel terugverhuizing; zorgregeling; verdelen halen en brengen

De man verzoekt de vrouw te bevelen terug te verhuizen naar Rotterdam, althans naar een woonplaats die niet op grotere afstand ligt dan de afstand Rotterdam - Heerenveen en waarbij de reistijd met openbaar vervoer niet langer is dan Rotterdam -Heerenveen. Sinds de verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar Rozenburg dat op grotere afstand ligt dan waar zij eerst woonden, is de zorgregeling gestopt. De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Hoewel de vrouw zonder de vereiste toestemming van de man is verhuisd van Rotterdam naar Rozenburg, is het niet in het belang van de minderjarigen om terug te verhuizen. De minderjarigen wonen inmiddels een half jaar in hun nieuwe woonomgeving, gaan sinds de aanvang van het huidige schooljaar naar hun nieuwe school die op loopafstand van de woning ligt en zijn aangesloten bij verenigingen. De minderjarigen zijn inmiddels aan hun nieuwe omgeving gewend en het is niet in het belang van de minderjarigen die te wijzigen. Daar komt bij dat de man niet zozeer bezwaar heeft tegen de verhuizing zelf, maar tegen de gevolgen daarvan. De rechtbank stelt een zorgregeling vast waarbij de minderjarigen een weekend per vier weken bij de man verblijven en elke woensdag en elke zondag met hem (beeld)bellen.

De kosten voor de zorgregeling zijn hoger geworden door de grotere reisafstand terwijl de man beperkte financiële middelen heeft. Omdat de vrouw ook beperkte financiële middelen heeft, moeten beide ouders bijdragen in de reiskosten en reisduur, in die zin dat zij beiden een reis met de minderjarigen naar dan wel van Heerenveen dienen af te leggen. Omdat door de verhuizing van de vrouw de reistijd en –kosten voor de man zijn toegenomen, acht de rechtbank het verder redelijk dat de vrouw de minderjarigen op vrijdagmiddag naar station Rotterdam Alexander brengt, alwaar de man hen ophaalt. De man heeft zodoende geen extra reiskosten ten opzichte van de situatie dat de vrouw nog in Rotterdam woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/579642 / FA RK 19-6803

Beschikking van 16 januari 2020 in de bodemprocedure betreffende de verhuizing en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres] ,

advocaat mr. M.C. Bekkering te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , gemeente [gemeente] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg, gemeente Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de bodemprocedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 06 augustus 2019;

  • -

    de brief van de man van 25 augustus 2019;

  • -

    het verweerschrift met zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 november 2019;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen van de man op het zelfstandig verzoek van de vrouw;

  • -

    het F9-formulier met bijlage van de man van 27 november 2019.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van

5 december 2019. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Tijdens de behandeling is door de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

1.4.

Tijdens de behandeling heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan over het verzoek van de man om een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv. Deze uitspraak is op 11 december 2019 schriftelijk uitgewerkt in een afzonderlijke beschikking.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2011 te [geboorteplaats] ;

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2013 te [geboorteplaats] ,

hierna ook wel: [voornaam minderjarige 1] respectievelijk [voornaam minderjarige 2] .

2.2.

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 7 maart 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 februari 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Bij voornoemde beschikking van 14 februari 2018 is bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan daarvan deel uitmaken. In voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders, voor zover van belang, overeengekomen:

- De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

- Voor de korte termijn ziet de man de minderjarigen tweemaal per maand gedurende 1 à 2 uur op een af te spreken tijd en plaats, afwisselend in Heerenveen bij de man thuis en in Rotterdam bij familie of elders. Deze omgang wordt begeleid door het CJG Heerenveen of CJG Rotterdam, door de Van de Bent Stichting, door iemand uit de kerkelijke gemeenschap van de ouders of door familie. Als er geen begeleiding is, spreken de ouders een nieuwe datum af. In de vakanties gaat bovenstaande zorgregeling door, tenzij de ouders in overleg met het CJG anders afspreken. Uitbreiding van bovenstaande zorgregeling zal in overleg met het CJG Heerenveen en Rotterdam stapsgewijs uitgevoerd kunnen worden. De eerste stap omvat uitbreiden van uren, later van dagen tot een weekend.

- Voor de lange termijn komen de minderjarigen bij de meest optimale zorgregeling eenmaal per maand op vrijdag/zaterdag bij de man en worden op zondagmiddag weer gehaald/teruggebracht. De man komt eens per maand een dag bij de minderjarigen in Rotterdam bij familie of op een nader af te spreken plek. De man moet voldoende hulp hebben om op terug te vallen. Deze zorgregeling geldt ook voor de vakanties.

- De dag voor de omgang en in bijzijn van de minderjarigen wordt geen alcohol genuttigd.

- De vrouw of een familielid brengt en haalt de minderjarigen, of de man reist naar de minderjarigen toe.

- Als de minderjarigen bij de vrouw verblijven, hebben zij telefonisch en e-mailcontact met de man op woensdag om 13.30 uur, op zaterdagochtend in het weekend dat de minderjarigen niet bij de man komen, of als de minderjarigen daar behoefte aan hebben.

De ouders stemmen dat eerst met elkaar af.

2.5.

Tijdens de zitting in het kort geding op 18 februari 2019 zijn de man en de vrouw, voor zover in deze procedure van belang, overeengekomen de zorgregeling, zoals neergelegd in het ouderschapsplan, per 1 maart 2019 te hervatten. Daarbij is afgesproken dat de begeleidster van de man, [naam begeleidster] , tijdens het eerste omgangsweekend op

2 maart 2019 de man zal bezoeken en een blaastest zal afnemen bij vermoeden van alcoholgebruik. Voorts is afgesproken dat de man en de vrouw onder begeleiding van mevrouw [naam begeleidster] voornoemd gaan werken aan het verbeteren van hun communicatie om het vertrouwen te herstellen om in de toekomst in onderling overleg tot nadere afspraken betreffende de minderjarigen te kunnen komen.

3 De beoordeling

3.1.

Terugverhuizing

3.1.1.

De man verzoekt de vrouw te bevelen om binnen zes weken terug te verhuizen

naar Rotterdam, althans naar een woonplaats die niet op grotere afstand ligt dan

Rotterdam - Heerenveen en waarbij de reistijd met openbaar vervoer niet langer is dan Heerenveen - Rotterdam, zulks op straffe van een dwangsom.

3.1.2.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarigen wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag over de (terug)verhuizing staan de belangen van de minderjarigen weliswaar voorop, maar moet naar vaste rechtspraak de rechter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen.

3.1.4.

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarigen hoofdverblijfplaats hebben, in beginsel de gelegenheid moet krijgen om met de minderjarigen elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Daar tegenover staan andere belangen, waarbij te denken valt aan (niet uitputtend opgesomd):

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    een goede voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

  • -

    de extra kosten van contact na de verhuizing;

  • -

    de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

  • -

    de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

3.1.5.

De vrouw is medio juni 2019 met de minderjarigen en haar nieuwe echtgenoot verhuisd van Rotterdam naar Rozenburg. De man weerspreekt niet dat de vrouw voorafgaand aan die verhuizing met hem over de verhuizing heeft gesproken. Hij stelt dat hij er daarbij vanuit was gegaan dat de vrouw met een oplossing zou komen voor het probleem dat daardoor zou ontstaan in de uitvoering van de zorgreling vanwege de verdere afstand en de hogere OV-kosten. Die oplossing bleef echter uit en de zorgregeling is na die verhuizing zelfs gestopt.

3.1.6.

De rechtbank overweegt dat de vrouw zonder de vereiste toestemming van de man is verhuisd van Rotterdam naar Rozenbrug. De rechtbank acht het echter niet in het belang van de minderjarigen om terug te verhuizen naar Rotterdam of naar een woonplaats die niet op grotere afstand ligt dan Rotterdam - Heerenveen en waarbij de reistijd met openbaar vervoer niet langer is dan Rotterdam - Heerenveen. De minderjarigen wonen inmiddels een half jaar in hun nieuwe woonomgeving en gaan sinds de aanvang van het huidige schooljaar naar hun nieuwe school die op loopafstand van de woning ligt. [voornaam minderjarige 1] , bij wie sprake was van een ontwikkelingsachterstand, krijgt op die school extra begeleiding. De minderjarigen hebben in het nieuwe huis een eigen slaapkamer. Voorts is [voornaam minderjarige 1] aangesloten bij een voetbalvereniging en [voornaam minderjarige 2] bij de scouting. De minderjarigen zijn inmiddels aan hun nieuwe omgeving en situatie gewend geraakt en de rechtbank acht het niet in hun belang die te wijzigen.

Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat de bezwaren van de man niet zozeer zien op de verhuizing naar Rozenburg als zodanig, maar op de gevolgen daarvan: de kosten voor de zorgregeling met de minderjarigen zijn hoger geworden door de grotere reisafstand, terwijl de man beperkte financiële middelen heeft door zijn bewindvoering. Bovendien wil de vrouw de minderjarigen niet meer naar Heerenveen brengen en heeft zij de zorgregeling stopgezet. Gelet op het hierna onder 3.3.7. overwogene zal de man echter geen extra reiskosten en reisduur hebben ten opzichte van de situatie toen de vrouw nog in Rotterdam woonde en zal van de door hem gestelde financiële en praktische bezwaren tegen de verhuizing derhalve geen sprake zijn.

3.1.7.

Alle belangen tegen elkaar afwegend en mede in het licht van wat hierna onder 3.3. ten aanzien van de zorgregeling is overwogen, zal het verzoek van de man worden afgewezen.

3.2.

Dwangsom

3.2.1.

Omdat het verzoek van de man tot terugverhuizing wordt afgewezen, is er geen grond meer om daaraan een dwangsom te verbinden. Het verzoek van de man ten aanzien van de dwangsom zal daarom ook worden afgewezen.

3.3.

Zorgregeling

3.3.1.

De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 18.00 uur, een week in de zomervakantie vanaf vrijdag 12.00 uur en jaarlijks van 28 december tot en met 5 januari waarbij de man de minderjarigen ophaalt en de vrouw de minderjarigen in Heerenveen weer ophaalt, en de vrouw ervoor zorgt dat de man de minderjarigen op vrijdag kan ophalen op station Rotterdam Alexander.

Naar ter zitting is bevestigd, verzoekt de vrouw een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen van een weekend per vier weken mits de veiligheid van de minderjarigen gezien de alcoholproblematiek van de man is gegarandeerd, en waarbij de man de minderjarigen ophaalt en weer terugbrengt naar Rozenburg.

3.3.2.

Op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen een beslissing inzake een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.3.3.

Vaststaat dat sinds het ouderschapsplan en de beschikking van 14 februari 2018 sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de vrouw medio juni 2019 met de minderjarigen en haar huidige echtgenoot is verhuisd van Rotterdam naar Rozenburg.

Gelet hierop gaat de rechtbank over tot de inhoudelijke beoordeling van de door de man en de vrouw verzochte wijziging van de zorgregeling. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

3.3.4.

Na 23 juni 2019 is de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen niet meer uitgevoerd. Daaraan liggen verschillende factoren ten grondslag, te weten de toename van de reistijd, -afstand en -kosten door de verhuizing, de beperkte financiële mogelijkheden van de vrouw en de man, de slechte communicatie tussen de vrouw en de man en het vermoeden van de vrouw dat er bij de man nog steeds sprake is van alcoholgebruik.

De man betwist dat hij een alcoholprobleem heeft en stelt dat hij sinds het vertrek van de vrouw in 2017 naar Rotterdam geen alcohol meer gebruikt.

3.3.5.

De rechtbank is met de raad van oordeel dat de minderjarigen recht hebben op een onbelast contact met hun beide ouders. Sinds kort hebben de minderjarigen weer telefonisch contact met de man. De rechtbank is niet van concrete aanwijzingen gebleken dat het niet in belang van de minderjarigen zou zijn om contact met de man te hebben en bij hem te verblijven. De rechtbank acht, met de raad, begeleiding bij de zorgregeling dan ook niet nodig. Ten aanzien van de zorgen van de vrouw over het door haar gestelde alcoholgebruik van de man kan de rechtbank niet vaststellen of de lezing van de vrouw dan wel die van de man daarover juist is. Die zorgen van de vrouw zijn ook aan de orde geweest tijdens de zitting in het kort geding op 18 februari 2019. Met het oog op die zorgen is toen afgesproken dat de begeleidster van de man, [naam begeleidster] , tijdens het eerste omgangsweekend op

2 maart 2019 de man zou bezoeken en een blaastest zou afnemen bij vermoeden van alcoholgebruik. Om aan de zorgen van de vrouw tegemoet te komen, zal de rechtbank als voorwaarde bij de zorgregeling bepalen dat de man ervoor dient te zorgen dat hij steeds een blaastest bij zich heeft, en dat bij vermoeden van alcoholgebruik door de man, in aanwezigheid van de vrouw een blaastest bij de man zal worden afgenomen.

De minderjarigen hebben op zaterdag activiteiten in Rozenburg waar zij regelmatig aan moeten kunnen meedoen. De rechtbank acht een zorgregeling van een weekend in de veertien dagen, zoals door de man is verzocht, mede gelet ook op lange reistijd daarom niet in het belang van de minderjarigen. De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen waarbij de minderjarigen een weekend per vier weken bij de man in Heerenveen verblijven, zoals door de vrouw is verzocht.

3.3.6.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek van de man te bepalen dat de minderjarigen een week in de zomervakantie en jaarlijks van 28 december tot

5 januari bij hem verblijven. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, omdat niet is gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich daartegen verzetten. Gelet op de wisselende data van de kerstvakanties zal de rechtbank bepalen dat het daarbij gaat om de tweede week van de kerstvakantie.

3.3.7.

Gelet op de beperkte financiële mogelijkheden van beide partijen is de rechtbank voorts van oordeel dat partijen beiden moeten bijdragen in de reiskosten en de reisduur in het kader van de zorgregeling, in die zin dat zij beiden een reis met de minderjarigen naar dan wel van Heerenveen dienen af te leggen. Omdat door de verhuizing van de vrouw de reistijd en –kosten voor de man zijn toegenomen, acht de rechtbank het verder redelijk dat de vrouw de minderjarigen op vrijdagmiddag naar station Rotterdam Alexander brengt, alwaar de man hen ophaalt. De man heeft zodoende geen extra reiskosten ten opzichte van de situatie toen de vrouw nog in Rotterdam woonde. De rechtbank is zich ervan bewust dat dit voor de vrouw extra kosten met zich brengt, maar zij kan, net als de man heeft gedaan, haar bewindvoerder vragen in het budget rekening te houden met een bedrag aan reiskosten.

De rechtbank is van oordeel dat financiële beperkingen niet tot gevolg mogen hebben dat de minderjarigen geen omgang met hun vader mogen of kunnen hebben.

3.3.8.

Ten aanzien van het verzoek van de man over de belregeling, heeft de vrouw ter zitting ingestemd met telefonisch contact op woensdag en op zondag, zodat de rechtbank die dagen als belregeling (inclusief beeldbellen) zal opnemen in deze beschikking. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij buiten de aanwezigheid van hun moeder en stiefvader met hun vader kunnen bellen.

3.3.9.

De rechtbank merkt op dat het in het belang van de minderjarigen is dat de man en de vrouw hun onderlinge communicatie gaan verbeteren. Ter zitting geven de man en de vrouw aan daartoe bereid te zijn. De rechtbank overweegt daarbij dat een goede onderlinge communicatie er ook aan kan bijdragen dat de vrouw het vertrouwen in de man terugkrijgt, hetgeen de vrouw ook wenst. De rechtbank adviseert de man en de vrouw dan ook ten zeerste om via het wijkteam een doorverwijzing te vragen naar het traject ‘Ouderschapsgesprekken’ bij Horizon/Rotterdams Omgangshuis.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek van de man om de vrouw te bevelen om terug te verhuizen;

4.2.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2018 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 24 november 2017, in die zin dat de tussen de vrouw en de man overeengekomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld als volgt:

Ten aanzien van de weekenden:

de minderjarigen verblijven een weekend per vier weken bij de man van vrijdag uit school tot zondagmiddag 18.00 uur, waarbij de man de minderjarigen op vrijdagmiddag ophaalt op station Rotterdam Alexander en waarbij de vrouw de minderjarigen op zondagmiddag ophaalt bij de man in Heerenveen;

Ten aanzien van de vakanties:

de minderjarigen verblijven een week van de zomervakantie bij de man, in onderling overleg nader te bepalen, en de tweede week van de kerstvakantie;

Bij bovenstaande regeling zal de man ervoor zorgdragen dat hij bij de overdracht van de minderjarigen een blaastest bij zich heeft en dat bij vermoeden van alcoholgebruik door de man, in aanwezigheid van de vrouw een blaastest bij de man zal worden afgenomen;

Ten aanzien van de belregeling:

elke woensdag en elke zondag, uitgezonderd de zondag waarop de minderjarigen bij de man verblijven, (beeld)bellen de minderjarigen met de man buiten de aanwezigheid van hun moeder en stiefvader, waarbij de man om 19.00 uur telefonisch contact opneemt met de minderjarigen;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Coenraad, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. P.R. de Geus, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van S. Breeman, griffier, op 16 januari 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.