Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2585

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
10/226758-18vordering TUL VV: 10/064510-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In beginsel was sprake was van een noodweersituatie, waarbij de verdachte zich heeft mogen verdedigen in zijn confrontatie met de aangever. De door de verdachte gekozen verdediging en het geweld dat hij daarbij heeft aangewend zijn naar het oordeel van de rechtbank echter in de geschetste situatie disproportioneel geweest. De verdachte heeft dan ook de grenzen van de noodzakelijke verdediging ver overschreden, waardoor geen sprake kan zijn van een geslaagd beroep op noodweer. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/226758-18

Parketnummer vordering TUL VV: 10/064510-15

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak

tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte], [woonplaats verdachte],

Raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een COVA-training, een ambulante behandelverplichting en een alcoholverbod;

  • -

    oplegging van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met de heer [naam aangever] en een locatieverbod voor [naam straat] te Papendrecht;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel ex artikel 38v Sr en bepaling van een vervangende hechtenis van 2 weken voor elke keer dat door hem niet aan de maatregel wordt voldaan;

  • -

    niet ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/064510-15.

4 Waardering van het bewijs

Bewijswaardering feit 1 primair

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de vroege ochtend van 4 november 2018 reden de verdachte, de aangever [naam aangever] (hierna: [naam aangever]) en de getuige [naam getuige 1] in de auto van [naam aangever] naar de Stellingmolen te Papendrecht. In de auto ontstond een woordenwisseling tussen [naam aangever] en de verdachte. Nadat de verdachte was uitgestapt, zette het conflict zich buiten voort en kwam ook [naam aangever] de auto uit. Hierna volgde een fysieke confrontatie, waarbij de verdachte in eerste instantie heeft geprobeerd weg te lopen, terwijl [naam aangever] (opnieuw) de confrontatie zocht. Tijdens het daaropvolgende gevecht werd er over en weer gestompt en geslagen en heeft de verdachte [naam aangever] onder meer een aantal knietjes in het gezicht gegeven. Na afloop van het gevecht blijkt uit hun beider verklaringen dat [naam aangever] met zijn auto is weggereden en de verdachte de woning van een vriendin aan de Stellingmolen is binnen gegaan.

Uit medisch onderzoek is gebleken dat [naam aangever] door het geweld van de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen. Bij beeldvormend onderzoek zijn breuken geconstateerd in de linker oogkas, de linker en rechter bovenkaak en de linker zijde van het neusbeen. Operatief ingrijpen bleek nodig te zijn. Littekens onder zijn oog en op bovenlip en een scheefstand van zijn neus maken het gezicht van [naam aangever] niet meer volledig zal herstellen. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [naam aangever].

Anders dan de verdediging heeft gesteld, beschouwt de rechtbank de verklaringen over het verloop van de vechtpartij van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3], die de vechtpartij hebben waargenomen vanaf hun bovenwoning, behoudens ten aanzien van de aanduiding van de lengte van betrokkenen, voldoende betrouwbaar. Hoewel in deze verklaringen wel verwarring blijkt over de lengte van de vechtende mannen (waarbij de verdachte ten opzichte van de aangever naar het oordeel van de rechtbank onterecht wordt aangeduid als “de korte man”), vinden zij voor het overige geloof op basis van het feit dat:

1. [naam aangever] na het gevecht inderdaad met zijn auto is weggereden;

2. de verdachte na het gevecht de woning van een buurmeisje is binnengegaan;

3. en het letsel van [naam aangever] passend is bij de geweldshandelingen die de getuigen hebben waargenomen.

De rechtbank stelt mede op basis van die verklaringen vast dat het bij [naam aangever] geconstateerde letsel is ontstaan door meerdere vuistslagen en kniestoten gegeven door de verdachte in het gezicht van [naam aangever]. Het gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Bewijswaardering feit 2

Tussen partijen is niet in geschil dat de verdachte op 10 november 2018 aan [naam aangever] een WhatsApp-bericht heeft gestuurd met de inhoud zoals onder 2 is ten laste gelegd.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, in de context van het onder 1 ten laste gelegde feit, die woorden van de verdachte niet anders kunnen worden begrepen dan als een bedreiging met zware mishandeling als [naam aangever] zijn aangifte niet zou intrekken.

Conclusie

Dit betekent dat de rechtbank de feiten 1 primair en 2 bewezen acht.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op 4 november 2018 te Papendrecht aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en oogkas, heeft toegebracht door die [naam slachtoffer] meermalen

- in het gezicht te slaan en te stompen en

- ( zogenaamde) knietjes in het gezicht te geven;

2.

hij op 10 november 2018 te Papendrecht, in elk geval in Nederland,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een WhatsApp-bericht naar die [naam slachtoffer] te sturen, waarin staat vermeld:

- " Want als ik na het weekend wordt meegenomen voor iets wat jij uit eigen wil bent gestart en vervolgens ook niet bent gestopt ga ik weinig meer voor je kunnen doen. Ik ben niet de enige die kanker boos op je is en zal blijven zo'n beetje heel de buurt heb een hekel aan je" en

- " Er een optie voor je gaat zijn. En dat is het zo snel mogelijk intrekken want er gaat oorlog komen door deze actie" en

- " En het lijkt mij handig dat je vanaf de dag da-t ik gepakt zou worden jezelf binnen in je huis houd en de deuren op slot doet. Want echt waar ik zweer het je gaat heel veel kanker erdoor krijgen. Bij je eigen zogenaamde veilige plekje" en

- " Denk er goed over na want je hebt 28· dagen om die dingen uit jezelf in te trekken. En ik denk persoonlijk dat dat een betere optie is dan de problemen aanvaarden die je hierdoor krijgt. Want daar zijn je bultjes niks bij.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

zware mishandeling;

2.

bedreiging met zware mishandeling.

Noodweer ten aanzien van feit 1 primair

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte, voor wat betreft het onder 1 primair ten laste gelegde, uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat in beginsel sprake was van een noodweersituatie, waarbij de verdachte zich heeft mogen verdedigen in zijn confrontatie met de aangever. De door de verdachte gekozen verdediging en het geweld dat hij daarbij heeft aangewend zijn naar het oordeel van de rechtbank echter in de geschetste situatie disproportioneel geweest. De verdachte heeft dan ook de grenzen van de noodzakelijke verdediging ver overschreden, waardoor geen sprake kan zijn van een geslaagd beroep op noodweer. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Conclusie

Er zijn verder ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten 1 primair en 2 uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich onder invloed van alcohol, midden in de nacht en op de openbare weg schuldig gemaakt aan het plegen van zware mishandeling. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte een gebroken neus en een gebroken oogkas opgelopen en wordt ook nu nog steeds, ruim veertien maanden later, geconfronteerd met de psychische en lichamelijke gevolgen van het geweld. Het slachtoffer werd enkele dagen later door de verdachte bedreigd met zware mishandeling als hij zijn aangifte tegen de verdachte niet in zou trekken. Het slachtoffer heeft aangegeven dat hij hierdoor lange tijd in angst heeft geleefd. Het geweld heeft ook een negatieve impact gehad op de getuigen van dit geweld en op de samenleving in het algemeen. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten toe.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

20 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De psychiater Beverloo (rapport d.d. 3 juni 2020) en de psycholoog Van der Weele (rapport d.d. 27 mei 2020) hebben in deze strafzaak pro Justitia-onderzoek verricht. Beide rapporteurs concluderen dat bij de verdachte sprake is van (kenmerken van) een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (ADHD), waarbij naast hyperactiviteit ook beperkingen worden vastgesteld met betrekking tot zijn frustratietolerantie en emotie-regulatie. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en was hierop van invloed. Dat werd ten tijde van het onder 1 primair ten laste gelegde versterkt door het gebruik van alcohol, zonder dat aanwijzingen bestaan voor meer structurele middelen-problematiek. Geadviseerd wordt de verdachte voor de ten laste gelegde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het recidiverisico op basis van de vastgestelde stoornis, al dan niet in combinatie met overmatig middelengebruik, wordt op middellange termijn ten minste als matig ingeschat. Ter beperking van dit risico wordt een ambulante behandeling geadviseerd door een (forensisch) FACT team in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

Reclassering Nederland heeft over de verdachte een voortgangsverslag opgemaakt, gedateerd 9 maart 2020. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een COVA-training, een ambulante behandelverplichting bij FACT van Antes GGZ en een alcoholverbod.

De rechtbank volgt de conclusies van de gedragsdeskundigen en maakt deze tot de hare.

Op grond van de ernst van de bewezen feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte bij het onder 1 primair bewezenverklaarde feit - met de kanttekeningen die zij hierbij onder 5 heeft gemaakt - handelde vanuit zelfverdediging. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast zal, ook in het licht van de hierna te bespreken vordering tot het betalen van schadevergoeding, aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoel in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Daarbij zal het de verdachte worden verboden gedurende zes maanden contact te hebben met de heer [naam aangever] en zal hem bovendien gedurende deze periode worden verboden om zich te begeven in [naam straat] te Papendrecht. Mede gelet op het in de rapportages omschreven recidiverisico moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte zich wederom belastend zal gedragen ten opzichte van de heer [naam aangever]. Daarom zal de op te leggen maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard zoals gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank zal bepalen dat de verdachte voor elke keer dat door hem niet aan de maatregel wordt voldaan een vervangende hechtenis van twee weken moet ondergaan.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 450,96 aan materiële schade en een vergoeding van € 8.000,00 aan immateriële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- oogdruppels ad € 24,26;

- littekencrème ad € 4,94;

- kleding ad € 199,50;

- reiskosten ad € 43,06;

- parkeerkosten ad € 19,20;

- telefoon ad € 160,00

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Daarnaast heeft

de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in

artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in

de vordering. Subsidiair heeft de verdediging zich niet verzet tegen toewijzing van de

gevorderde vergoeding die ziet op de oogdruppels, littekencrème, reis- en parkeerkosten, en heeft zij voorts verzocht de gevorderde kledingkosten te matigen en de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht om matiging van het gevorderde bedrag en om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in het overige gedeelte van de vordering.

Beoordeling

De gevorderde materiële schade die ziet op de oogdruppels, littekencème, reiskosten en parkeerkosten zal, als zijnde niet betwist, worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat enige matiging van de gevorderde schade aan de kleding op zijn plaats is. De rechtbank acht een afschrijvingspercentage van 50 procent redelijk, zodat deze post wordt geschat op € 99,75. De benadeelde partij zal in het overige gedeelte van de gevorderde kledingkosten niet ontvankelijk worden verklaard. Voor wat betreft de gevorderde telefoonkosten zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat dat gedeelte onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 191,21 aan materiële schade toewijzen (€ 24,26 + € 4,94 + € 43,06 + € 19,20 + € 99,75 = € 191,21).

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade op zich zal op basis van de nu gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid hebben kunnen worden vastgesteld op € 8.000,00. De rechtbank houdt echter, zoals hiervoor overwogen, rekening met het opzoeken van de confrontatie door [naam benadeelde] en de aanwezigheid van een noodweersituatie voor de verdachte. Het handelen van [naam benadeelde] zelf in deze confrontatie levert een mate van eigen schuld (in de zin van artikel 6:106 BW) aan de zijde van [naam benadeelde] op. De rechtbank bepaalt de mate van eigen schuld van [naam benadeelde] op 50%, Dit leidt er toe dat 50% van de immateriële schade in mindering wordt gebracht. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 4000,- aan immateriële schade toewijzen. De benadeelde partij zal in het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 november 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeven van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.191,21 vermeerderd met de wettelijke rent en de kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoel in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 7 januari 2016 is de verdachte ter zake van mishandeling en vernieling veroordeeld voor zover hier van belang tot een gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tenuitvoerlegging, omdat het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 28 maart 2019 de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf reeds heeft bevolen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderd-zeventig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 85 (vijfentachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- dat de veroordeelde zal deelnemen aan het volgend van een COVA-training en de veroordeelde zich daarbij houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Antes-GGZ, zolang als de reclassering in overleg met de behandelaar(s) verantwoord vindt;

- de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van alcohol, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan een urineonderzoek, zolang als de reclassering dat nodig vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 6 maanden, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

zich niet op te houden in de straat waar de heer [naam aangever] woont of zal wonen, thans

[naam straat] te Papendrecht;

zich te onthouden van direct of indirect contact met de heer [naam aangever], geboren op

[geboortedatum aangever];

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een maximum van 6 maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde], geboren op [geboortedatum benadeelde], te betalen een bedrag van € 4.191,21 (zegge: vierduizendhonderéénennegentig euro en éénentwintig eurocent), bestaande uit € 191,21 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 4.191,21 (hoofdsom, zegge: vierduizendhonderéénennegentig euro en éénentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 4.191,21 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] en omgekeerd;

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 7 januari 2016 van deze rechtbank met parketnummer 10/064510-15 aan de veroordeelde opgelegde 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2019.

De voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 november 2018 te Papendrecht aan [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) verbrijzelde en/of gebroken neus en/of oogkas (sen), heeft toegebracht door die [naam aangever] (meermalen)

- in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- ( een) (zogenaamd(e)) knietje(s) in het gezicht te geven;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 november 2018 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

(meermalen)

- in het gezicht van die [naam aangever] heeft geslagen en/of te gestompt en/of

- ( een) (zogenaamd(e)) knietje(s) in het gezicht van die [naam aangever] heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 november 2018 te Papendrecht, in elk geval in Nederland,

[naam aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een WhatsApp-bericht naar die [naam aangever] te sturen, waarin (onder

andere) staat vermeld:

- " Want als ik na het weekend wordt meegenomen voor iets wat jij uit eigen wil bent gestart en vervolgens ook niet bent gestopt ga ik weinig meer voor je kunnen doen. Ik ben niet de enige die kanker boos op je is en zal blijven zo'n beetje heel de buurt heb een hekel aan je" en/of

- " Er een optie voor je gaat zijn. En dat is het zo snel mogelijk intrekken want er gaat oorlog komen door deze actie" en/of

- " En het lijkt mij handig dat je vanaf de dag da-t ik gepakt zou worden jezelf binnen in je huis houd en de deuren op slot doet. Want echt waar ik zweer het je gaat heel veel kanker erdoor krijgen. Bij je eigen zogenaamde veilige plekje".

- " Denk er goed over na want je hebt 28· dagen om die dingen uit jezelf in te trekken. En ik denk persoonlijk dat dat een betere optie is dan de problemen aanvaarden die je hierdoor krijgt. Want daar zijn je bultjes niks bij";