Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2498

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
10-251615-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zijn ex-vrouw mishandeld door haar een vuistslag in het gezicht te geven. Tevens heeft hij een vuurwapen voorhanden gehad. Hij krijgt daar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor. Het wapen lag in de woning van zijn ex-vrouw. Daar verbleef hij sinds enige weken en uit zijn verklaring bleek dat hij op de hoogte was van het vuurwapen in die woning. De verdachte was zich dus bewust van de aanwezigheid van het wapen en hij kon daarover beschikken. Niet bewezen is dat de verdachte zijn ex-vrouw met het wapen heeft bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-251615-19

Datum uitspraak: 9 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam,

raadsman mr. A.J.M. Velú, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Samengevat is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [naam slachtoffer] (feit 1), dat hij haar heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door een pistool op haar te richten en de trekker over te halen (feit 2) en dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad (feit 3).

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar advies van 20 januari 2020: meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, gedragsinterventie agressiebeheersing en het op orde brengen financiën, die dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard;

  • -

    indien de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde komt, een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de eerder genoemde bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod met de aangeefster en haar dochter, die ook dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Vaststaande feiten

Vast is komen te staan dat de politie is gebeld door de dochter van de verdachte en zijn ex-vrouw nadat de verdachte zijn ex-vrouw in het gezicht had gestompt. Bij zijn aanhouding door de politie ter plaatse heeft de verdachte verklaard dat zijn ex-vrouw een vuurwapen heeft dat onder haar bed ligt. Toen de politie de aangeefster met die verklaring confronteerde, deelde zij mede dat er inderdaad een vuurwapen in de woning ligt en dat dit van de verdachte is. Zij heeft tevens verklaard dat de verdachte haar met dat vuurwapen heeft bedreigd. In de woning werd door de politie onder het matras een vuurwapen aangetroffen.

4.2.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht gelet op de verklaringen van de aangeefster en haar dochter bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.2.3.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde omdat de aangeefster zo wisselend heeft verklaard dat een veroordeling niet gebaseerd kan worden op haar verklaringen. Voorts blijkt uit de uitwerking van de 112-melding niet dat er over een vuurwapen is gesproken.

4.2.4.

Beoordeling

De aangeefster heeft verklaard dat zij in de ochtend ruzie kreeg met haar ex-man. Hij zou plotseling een pistool vast hebben gehad, dit op haar hebben gericht en de trekker hebben overgehaald waarna zij een klik hoorde. Na die klik is zij achter haar dochter aan het huis uit, de galerij op gerend. Daar heeft zij de verdachte tegengehouden zodat haar dochter weg kon komen. Op dat moment kreeg zij van de verdachte een vuistslag in het gezicht.

De dochter van de aangeefster en de verdachte heeft verklaard dat zij tijdens de ruzie al bij de voordeur was gaan staan omdat die ruzie haar beangstigde. Nadat de verdachte een pistool had gepakt en de trekker daarvan had overgehaald, is zij in paniek naar buiten gerend. Zij heeft gezien dat ook haar moeder uit de woning de galerij op kwam en daar een vuistslag in haar gezicht kreeg van de verdachte. Zij heeft het alarmnummer 112 gebeld.

Bedreiging met een vuurwapen?

De tekst van dat gesprek is niet meer beschikbaar, maar de registraties van de centralist van de meldkamer zijn wel verwerkt in een proces-verbaal. In dat proces-verbaal staat “vader heeft fysiek geweld gebruikt, geen wapens”.

De rechtbank overweegt dat een bedreiging met een gericht vuurwapen waarbij de trekker wordt overgehaald in zijn algemeenheid grote indruk op iemand maakt. Verwacht mag dan ook worden dat die bedreiging in een gesprek met de centralist genoemd wordt. Omdat het vuurwapen niet is genoemd in het 112-gesprek en de dochter daar pas later over heeft verklaard en omdat de verklaringen van de aangeefster over het bedreigen met het vuurwapen wisselend zijn, ontbreekt het de rechtbank aan de overtuiging dat de verdachte de aangeefster met het vuurwapen heeft bedreigd.

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Voorhanden hebben van een vuurwapen?

Voor het bewijs van het voorhanden hebben van een vuurwapen zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen en dat de verdachte daarover kon beschikken.

De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen al eerder in de woning van de aangeefster heeft aangetroffen. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster ongeveer twee weken voordat hij werd aangehouden het wapen heeft gepakt toen zij ruzie had met één van haar dochters. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen toen van de aangeefster heeft afgepakt. Hij heeft tevens verklaard dat het wapen al drie weken onder het matras lag.

Gelet op de verklaringen van de verdachte stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich op 19 oktober 2019 zowel bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen als dat hij daar, mede gelet op de verklaringen in het dossier over zijn verblijf in die woning, over kon beschikken. De verklaring van de verdachte dat het niet zijn vuurwapen was, maakt dat niet anders. De rechtbank concludeert dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad, zodat het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 19 oktober 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] op het gezicht te stompen;

3.

hij op 19 oktober 2019 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk/type Umarex Smith & Wesson, kaliber 9 mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. Taalfouten die in de tenlastelegging voorkwamen, zijn in de bewezenverklaring hersteld. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

mishandeling;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zijn ex-vrouw een vuistslag in het gezicht gegeven en daarmee haar lichamelijke integriteit geschonden, terwijl ook hun minderjarige dochter daarvan getuige is geweest.

De verdachte heeft tevens een vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen van dien. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het hoge gevaarzettend karakter daarvan dient daartegen streng te worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

25 oktober 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten (huiselijk geweld).

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 januari 2020. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.

Er zijn problemen op diverse leefgebieden. De verdachte heeft geen woonruimte, heeft schulden en er is een probleem ten aanzien van relaties. De verdachte en zijn ex-vrouw hadden al twintig jaar een relatie, maar in die periode is er meerdere malen sprake geweest van huiselijk geweld. Er is meerdere malen ingezet op een behandeling voor agressiebeheersing, maar dit lijkt toch onvoldoende te zijn geweest. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een gedragsinterventie agressiebeheersing en een contactverbod met de aangeefster.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Anders dan is geadviseerd door de reclassering en is geëist door de officier van justitie, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van bijzondere voorwaarden. De verdachte is in het verleden meerdere malen veroordeeld voor huiselijk geweld waarbij zijn ex-vrouw steeds het slachtoffer was. In die periode is er meerdere malen geprobeerd om een gedragsverandering te bewerkstelligen door een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht op te leggen. Dat heeft kennelijk niet de gewenste uitwerking gehad. Daar komt bij dat deze feiten in dezelfde maand zijn gepleegd als de maand waarin de proeftijd die was verbonden aan de in 2017 opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf was afgelopen. Dat betrof ook een veroordeling voor huiselijk geweld. Onder die omstandigheden acht de rechtbank een louter onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Wel zal ter voorkoming van strafbare feiten aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam slachtoffer] .

Nu er blijkens verdachtes strafblad en hetgeen de reclassering over hem heeft geschreven ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [naam slachtoffer] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding om de verdachte ook ten aanzien van zijn minderjarige dochter een contactverbod op te leggen. De mogelijkheid om het contact tussen vader en dochter te herstellen blijft op die manier bestaan.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

[naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.113,40 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het deel van de vordering dat ziet op de ontruimingskosten (€ 4.113,40) en een deel van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade (€ 2.500). Ten aanzien van het restant dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met uitzondering van een vergoeding voor immateriële schade door de mishandeling, die hooguit op enkele honderden euro’s zou moeten worden begroot.

8.3.

Beoordeling

Gesteld is dat materiële schade is geleden door het verlaten van de huurwoning, waardoor deze moest worden ontruimd (en blijkens de onderbouwing kennelijk ook deels (in de oude staat) moest worden hersteld), en door de noodzaak om nieuwe huisraad aan te schaffen, die wordt begroot op € 5.000. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Zo is de rechtbank niet zonder meer duidelijk of en, zo ja, in hoeverre er een rechtstreeks verband is tussen de bewezen verklaarde feiten en de ontruiming, die de benadeelde partij kennelijk – hoewel de verdachte in voorlopige hechtenis zat – bovendien niet zelf heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren. Ook is de rechtbank niet zonder meer duidelijk welk verband bestaat tussen het herstel in oude staat van de woning en de bewezen verklaarde feiten, noch waarom de benadeelde partij kennelijk niet meer beschikt over haar huisraad en in welk verband dit staat tot de bewezen verklaarde feiten. Ten slotte is de rechtbank niet zonder meer duidelijk waarom de benadeelde partij, ten bedrage van € 5.000 en zonder dat dit nader is geconcretiseerd, nieuwe huisraad nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat ook de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Hierbij overweegt de rechtbank dat de problematische situatie tussen de verdachte en de benadeelde partij ver terug gaat en niet zonder meer valt vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre er een rechtstreeks verband is tussen de bewezen verklaarde feiten en het resterende deel van de vordering. De rechtbank wijst er hierbij, ten overvloede, nog eens op dat zij de verdachte vrijspreekt van de bedreiging van de benadeelde partij met een vuurwapen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 38v, 38w, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

1. zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] (Slowakije)), gedurende 2 jaar na heden;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 250 (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 250 (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 5 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.L. Spierings, voorzitter,

en mrs. F. van Buchem en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen;

2.

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [naam slachtoffer] te richten en/of de trekker van dit vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, over te halen;

3.

hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk/type Umarex Smith & Wesson, kaliber 9 mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.