Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2496

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 20/1436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzen voorlopige voorziening inzake afgelasten markten vanwege corona.

Een noodverordening kan niet als een besluit worden aangemerkt daarom dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/169 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1436

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2020 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Alle marktplaatsvergunninghouders op de Centrummarkt op vrijdag en zaterdag in Dordrecht, verzoekers,

gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink,

en

de voorzitter van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2020, heeft verweerder de weekmarkt in Dordrecht centrum op het Statenplein en de Sarisgang op 13 en 14 maart 2020 verboden. Dit besluit is verzoekers ook via WhatsApp op kenbaar gemaakt.

Verzoekers hebben tegen het WhatsApp bericht bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben op 17 maart 2020 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 15 maart 2020 heeft verweerder de Noodverordening Coronavirus Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid op grond van artikel 39 Wet Veiligheidsregio juncto artikel 174, 175, lid 1 en artikel 176 van de Gemeentewet (de Noodverordening) vastgesteld. Daarmee zijn de stadsmarkten in Dordrecht verboden.

In de brief van 16 maart 2020 heeft verweerder verzoekers geïnformeerd dat met betrekking tot de stadsmarkten Dordrecht vanaf heden tot en met 6 april 2020 een noodverordening van kracht is waarmee de markten tot 6 april 2020 worden verboden.

Verzoekers stellen in hun verzoekschrift tegen deze brief bezwaar te hebben gemaakt. Ook hebben verzoekers op 17 maart 2020 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden

zaaknummer: ROT 20/1436, Alle marktplaatsvergunninghouders op de

Centrummarkt op vrijdag en zaterdag in Dordrecht 2

in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter constateert dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zich onder meer richt tegen het besluit van 12 maart 2020 (of het WhatsApp-bericht) waarmee de weekmarkt in Dordrecht centrum op het Statenplein en de Sarisgang op 13 en 14 maart 2020 wordt verboden. Dit besluit heeft betrekking op een reeds afgesloten periode in het verleden. Dit maakt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang zodat het verzoek op die grond wordt afgewezen.

4. Voor zover het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zich richt tegen de brief van 16 maart 2020, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. In de brief worden verzoekers immers alleen geïnformeerd over het van kracht worden van de Noodverordening. Wanneer een verzoek zich richt tot een brief die geen besluit is, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

5. Voor zover het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zich richt tegen de Noodverordening is de voorzieningenrechter ook van oordeel dat er geen aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen. Een noodverordening bevat naar zijn aard algemeen verbindende voorschriften zodat deze reeds om die reden, gelet op de artikelen 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, en 7:1 van de Awb niet als een besluit kan worden aangemerkt waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

6. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hielkema, griffier.

De uitspraak is gedaan op 19 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.