Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2485

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
ROT 18_953
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

zaaknummer: ROT 18/953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. P.M. Iwema,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2017 (primair besluit 1) heeft verweerder eisers recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 19 mei 2014 tot en met 31 mei 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 24 juli 2017 (primair besluit 2) heeft verweerder beslist dat eiser per 2 juli 2012 geen recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 25 juli 2017 (primair besluit 3) heeft verweerder beslist dat eiser per 2 april 2012 geen recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij afzonderlijk besluit van 27 juli 2017 (primair besluit 4) heeft verweerder een bedrag van € 43.457,83 aan Wet WIA-uitkering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 27 juli 2017 (primair besluit 5) heeft verweerder een bedrag van € 3.900,30 aan WW-uitkering en een bedrag van € 35.800,05 aan ontvangen ZW-uitkering en uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 22 augustus 2017 (primair besluit 6) heeft verweerder het bedrag aan WW-uitkering ingevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 22 augustus 2017 (primair besluit 7) heeft verweerder het bedrag aan ZW-uitkering en TW-uitkering ingevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 22 augustus 2017 (primair besluit 8) heeft verweerder het bedrag aan ZW-uitkering ingevorderd.

Bij besluit van 10 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 19 maart 2020. De zitting heeft echter geen doorgang kunnen vinden, omdat de rechtbank werd gesloten vanwege de maatregelen tegen de verspreiding van het Coronavirus (COVID-19). Na telefonisch overleg hebben eiser en verweerder schriftelijk gereageerd en de rechtbank toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Gelet hierop laat de rechtbank (op grond van het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) het onderzoek ter zitting achterwege en sluit zij het onderzoek.

Overwegingen

1.1.

Eiser stelt dat hij van 1 september 2011 tot 29 februari 2012 heeft gewerkt bij [naam bedrijf 1] en van 1 maart 2012 tot 1 april 2012 bij [naam bedrijf 2]

Eiser heeft vanaf 2 april 2012 een WW-uitkering ontvangen, vanaf 2 juli 2012 een ZW-uitkering en vanaf 19 mei 2014 een Wet WIA-uitkering.

1.2.

De Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW) heeft in 2015 en 2016 onderzoek gedaan naar drie bedrijven, waaronder [naam bedrijf 1] vanwege een vermoeden van het opstellen van valse arbeidsovereenkomsten en salarisspecificaties. De onderzoeksgegevens zijn vastgelegd in het proces-verbaal van het zaaksdossier in de zaak Birsig.

1.3.

In 2017 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkeringen op grond van de WW, ZW, Wet WIA en de TW. De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in het onderzoeksrapport van 18 mei 2017. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten genomen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd.

Op basis van het verrichte onderzoek en de stukken van de Inspectie SZW is aannemelijk geworden dat eiser nooit persoonlijk arbeid heeft verricht voor [naam bedrijf 1] , in de periode van 1 september 2011 tot 29 februari 2012, en voor [naam bedrijf 2] in de periode van 1 maart 2012 tot 1 april 2012. Dit en het vermoeden van een gefingeerd dienstverband blijken uit de geconstateerde feiten en het onderzoeksrapport.

Verweerder heeft daarover in het bestreden besluit het navolgende opgemerkt:

“- [naam bedrijf 1] was op 1 september 2011 (de datum dat u in dienst zou zijn getreden) volgens gegevens van de kamer van Koophandel gevestigd op de [adres 1]

. Op uw arbeidsovereenkomst staat [adres 2]

[adres 2] vermeld. U heeft verklaard dat het uitzendbureau achter het Zuidplein zit,

volgens u zou dit de [adres 2] kunnen zijn. Echter deze straat bevindt zich niet

in de buurt van het Zuidplein. Daarnaast herkende u op getoonde foto’s geen van de 3

vestigingsadressen van [naam bedrijf 1]

- In een verklaring die u aflegde bij ISZW zei u dat u bij een uitzendbureau had gewerkt waarvan u de naam niet meer wist en dat u schoonmaakwerkzaamheden en andere diverse werkzaamheden deed. Tegenover het UWV verklaarde u in de hoorzitting dat u tuinwerkzaamheden deed. U zou in de kas werken, helpen met opruimen en schoonmaken en bij het laden en lossen van kisten. Tijdens de hoorzitting in het kader van deze bezwaarprocedures verklaarde u dat u soms opruimwerkzaamheden deed nadat

nieuwbouwprojecten waren afgerond en dat u soms op Turkse boerderijen hielp bij het

opruimen van kisten en pallets. Dit zou u zowel bij [naam bedrijf 1] als bij [naam bedrijf 2] hebben gedaan. In de beschrijving bij de Kamer van Koophandel staat als bedrijfsactiviteit van [naam bedrijf 1] : praktijken van medisch specialisten en medische dagbehandelcentra.

- U heeft zelf verklaard dat u bent aangenomen door een Turk die [naam 1] werd genoemd, u weet niet of dit zijn voor- of achternaam is. U heeft voor hem gewerkt, hij bracht u naar locaties voor werk en liet u zien welke werkzaamheden u moest verrichten. Wij gaan er vanuit dat de man die u kent als [naam 1] , [naam 1] is. Uit het onderzoek van ISZW is vast komen te staan dat er tientallen ondernemingen op zijn naam hebben gestaan waaronder [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] Hij heeft verklaard dat hij niets over deze ondernemingen kan vertellen en dat hij niet weet of er werkzaamheden zijn verricht bij deze ondernemingen. Tevens wist hij niet wie er werkzaam waren bij deze ondernemingen. Toen de arbeidsovereenkomst tussen u en [naam bedrijf 1] én uw loonstroken aan hem werden getoond verklaarde hij dat deze hem niets zeggen. Tevens heeft hij verklaard dat hij zich niets herinnert van het feit dat u loonafspraken met hem zou hebben gemaakt.

- De heer [naam 2] , enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] in de periode

14 januari 2011 tot en met 16 december 2011, heeft verklaard dat hij denkt dat er

niemand heeft gewerkt voor [naam bedrijf 1] was geen bedrijf maar een leeg kantoor. Hij heeft tevens verklaard dat hij arbeidscontracten van 7 personen (waaronder zijn vrouw) heeft getekend voor [naam bedrijf 1] , dat deze

mensen elke maand geld kwamen brengen naar [naam 1] en dat [naam 1] het ontvangen geld

terugstortte aan die mensen. Dit werd geboekt als salaris. Nadat de heer [naam 2] aan [naam 1]

aangaf dat hij geen bedrijven meer op zijn naam wilde hebben heeft [naam 1] hem voor zijn

vrouw en hem een arbeidsovereenkomst gegeven waarmee zij een uitkering bij het UWV

hebben aangevraagd. Hij heeft verklaard nooit gewerkt te hebben voor en nooit loon

ontvangen te hebben van [naam bedrijf 1]

- Uit de loonaangifte van [naam bedrijf 1] blijkt dat in het jaar 2011 over de periode van 1 september 2011 tot en met 31 december 2011 aangifte is gedaan op uw BSN voor 22 Sv-dagen en 174 verloonde uren. Op 26 januari werd deze aangifte gedaan voor de maanden november en december 2011 en een correctie aangifte voor de maanden

september en oktober 2011. Er is over 2012 op uw naam geen loonaangifte bekend.

Tevens is er van [naam bedrijf 1] geen omzet bij de belastingdienst bekend en

voor u is geen afdracht gedaan.

- Op de loonstrook over de maand maart 2012 staat uw naam en de naam van de werkgever foutief vermeld.

- U heeft verklaard dat uw salaris 1400 euro per maand was maar dat u 1353 euro kreeg. Door [naam 1] zou aan u zijn uitgelegd dat het minder was omdat er transport- en

benzinekosten werden afgehaald. U heeft verklaard dat uw loon per bank werd betaald. Wij hebben op uw bankafschriften echter slechts 4 betalingen aangetroffen in de periode dat u in dienst was bij [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] Opmerkelijk is dat de betalingen op uw bankrekeningnummer zijn gedaan op 7 december 2011 (€ 1356) o.v.v. [naam bedrijf 1] en op 16-02-2012, 03-02-2012 en 28-02-2012 (€ 1336,83, € 1336,- en € 1353,67) onder vermelding van “Stichting Universeel Rotterdam Stichting”. Er is geen betaling van vakantiegeld bekend of aangetoond.

- Uit de polis-administratie is op uw BSN enkel een dienstverband bij [naam bedrijf 1] bekend over de periode 1 september 2011 tot en met 31 december 2011 en daarnaast bij Actieva Diensten over de periode 1 maart 2012 tot en met 31 maart 2012.”

Hiermee is volgens verweerder voldoende aangetoond dat eiser geen daadwerkelijke arbeid heeft verricht voor [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] Verweerder heeft daarbij voorts opgemerkt dat eiser slechts vier betalingen op zijn bankrekening heeft ontvangen, terwijl hij zes maanden in dienst zou zijn geweest bij [naam bedrijf 1] en één maand bij [naam bedrijf 2] Gezien de verklaring van de heer [naam 2] , gaat verweerder ervan uit dat eiser geld naar de heer [naam 1] bracht dat vervolgens als salaris aan eiser werd gestort. Eiser is er niet in geslaagd om – met objectief en verifieerbaar tegenbewijs - aannemelijk te maken dat er wel sprake is geweest van een dienstbetrekking.

Aldus stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, hij daarom geen recht had op toekenning van een WW-uitkering per 2 april 2012, noch op een ZW-uitkering per 2 juli 2012 en een Wet WIA-uitkering per 19 mei 2014. Secundair meent verweerder dat eiser niet voldoet aan de referte-eis voor de WW, omdat eiser slechts over vier maanden loon zou hebben gehad en hij voorafgaand aan 1 september 2011 niet werkzaam was in een dienstverband, maar een bijstandsuitkering ontving.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aan. Eiser verwijst allereerst naar het bezwaarschrift met het verzoek de gronden daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser betwist dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Volgens eiser heeft hij arbeid in loondienst verricht via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] en heeft hij daarom onverkort aanspraak op de ontvangen uitkeringen op grond van de WW, ZW, Wet WIA en TW. Verweerder heeft de privaatrechtelijke dienstbetrekkingen destijds getoetst en akkoord bevonden, waarna eiser de uitkeringen heeft verkregen. Verweerder heeft de bewijslast nu ten onrechte omgedraaid in het nadeel van eiser. Eiser heeft zijn best gedaan om de stellingen van verweerder te weerleggen door in zijn strafzaak getuigen te horen; meer mogelijkheden heeft eiser niet. Eiser meent dat de behandeling van zijn strafzaak dient te worden afgewacht. Eiser beroept zich op zijn rechten zoals verwoord in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Schatschaschwili – Duitsland van 15 december 2015 (9154/10) (arrest Schatschaschwili).

4.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW en de ZW, voor zover hier van belang, is werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is werknemer de werknemer in de zin van de ZW.

Op grond van artikel 2 van de Toeslagenwet heeft recht op toeslag een gehuwde die recht heeft op loondervingsuitkering.

4.2.

De privaatrechtelijke dienstbetrekking is de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan is sprake als de arbeidsrelatie aan drie voorwaarden voldoet, te weten de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, de verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding.

4.3.

In de artikelen 22a van de WW, 30a van de ZW, 76 van de Wet WIA en artikel 11a van de TW is geregeld onder welke voorwaarden verweerder overgaat tot herziening of intrekking van de uitkering.

4.4.

In de artikelen 36 van de WW, 33 van de ZW, 77 van de Wet WIA en artikel 20 van de TW is geregeld onder welke voorwaarden verweerder overgaat tot terugvordering van de betaalde uitkering.

4.5.

Verweerder hanteert daarbij de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006.

5.1.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in deze procedure mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er van 1 september 2011 tot 29 februari 2012 en van 1 maart 2012 tot 1 april 2012 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen eiser en [naam bedrijf 1] respectievelijk [naam bedrijf 2] Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW, de ZW en de Wet WIA heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. De rechtbank verwijst in dat kader naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.

5.2.

Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een gefingeerde dienstbetrekking, komt in beginsel groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Raad ook voor eerste verklaringen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het onderzoeksrapport van de Inspectie SZW, gelet op de daarin opgenomen bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende basis voor de conclusie van verweerder dat niet aannemelijk is dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan tussen eiser en [naam bedrijf 1] en tussen eiser en [naam bedrijf 2] De rechtbank verwijst in dat kader naar het bestreden besluit, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2. is weergegeven. Daarbij komt dat uit het proces-verbaal van bevindingen (gedingstuk 16.29) volgt dat [naam bedrijf 2] verkeerd staat gespeld op de salarisspecificatie, er sprake is van diverse (spel)fouten en uit het gespreksverslag van het arbeidsdeskundig onderzoek volgt dat eiser niet kan uitleggen welke werkzaamheden hij heeft uitgevoerd bij [naam bedrijf 1]

Gelet op het voorgaande is het aan eiser om de onjuistheid van voornoemde conclusie met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Eiser is daarin niet geslaagd; hij heeft volstaan met de enkele stelling dat wél sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank ziet in dat kader, anders dan eiser, geen aanleiding om de behandeling van de strafzaak af te wachten. Eiser is in de strafrechtelijke procedure in de gelegenheid geweest om getuigen te horen, die mogelijk ook van belang zouden kunnen zijn voor de onderhavige beroepszaak. De heer [naam 1] zou op 18 maart 2019 als getuige bij de rechter-commissaris zijn gehoord, maar eiser heeft de desbetreffende verklaring niet in deze procedure overgelegd. De andere getuige, de heer [naam 2] , is onvindbaar gebleken. Daarbij zijn beide getuigen reeds gehoord in het kader van het onderzoek door de Inspectie SZW en komt, gelet op de jurisprudentie van de Raad, aan die eerste verklaringen groot gewicht toe. Bovendien is de rechtsvraag in de strafzaak, namelijk de vraag of eiser al dan niet tezamen en in vereniging valsheid in geschrifte heeft gepleegd en hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse salarisspecificaties, van een andere orde. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en anders dan eiser kennelijk onder verwijzing naar het arrest Schatschaschwili meent, geen grond voor het oordeel dat eisers rechten worden geschonden.

5.4.

Nu verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de gronden van bezwaar, heeft het op de weg van eiser gelegen om gemotiveerd te betogen dat, waarom en op welke punten het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Een algemene verwijzing in het beroepschrift naar de gronden van bezwaar, met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen, volstaat dan niet.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de WW, de ZW, de Wet WIA en de TW over de perioden in geding terecht ingetrokken dan wel herzien. Verweerder is gehouden om de onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen. Eiser heeft tegen de teruggevorderde bedragen geen afzonderlijke gronden aangevoerd en dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zijn gesteld noch gebleken.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is gedaan op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.