Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2484

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
ROT 19_3385
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3385

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J. Yoshikawa,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres, om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 19 maart 2020. De zitting heeft echter geen doorgang kunnen vinden, omdat de rechtbank werd gesloten vanwege de maatregelen tegen de verspreiding van het Coronavirus (COVID-19). Na telefonisch overleg en verkregen toestemming van partijen, heeft de rechtbank (op grond van het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 19 maart 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is ten gevolge van medische klachten op 26 september 2016 uitgevallen voor haar werk als Callcentermedewerker bij [naam bedrijf] voor 22,25 uur per week. Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres in aansluiting op de toepasselijke wachttijd meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, zodat zij met ingang van 22 januari 2019 niet in aanmerking komt voor een Wet WIA-uitkering.

1.1.

In verband hiermee heeft de primaire verzekeringsarts op 8 november 2018 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen een aantal gangbare functies geduid, te weten Secretaresse, typist (SBC-code [nummer 1] ), Productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code [nummer 2] ) en Wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code [nummer 3] ). Daarnaast zijn de aanvullende functies Machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (SBC-code [nummer 4] ), Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code [nummer 5] ) en Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code [nummer 6] ) geduid. Het loon dat met de mediaanfunctie verdiend kan worden, ligt 0,00% lager dan het zogeheten maatmaninkomen.

1.2.

In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 3 juni 2019 geconcludeerd – samengevat weergegeven – dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest en dat de beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen voldoende zijn onderkend bij het opstellen van de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 2 juli 2019 de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres onderschreven. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie van Secretarieel medewerker (SBC-code [nummer 1] ) laten vallen. De overige geduide functies zijn passend en geschikt geacht voor eiseres. Eiseres is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog steeds in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, omdat zij minder dan 0,00% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiseres heeft in beroep – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door verweerder is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens eiseres onzorgvuldig en onvolledig onderzoek verricht; het lichamelijk onderzoek dat heeft plaatsgevonden is te beperkt geweest. Het heeft op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om grondig en volledig lichamelijk onderzoek te doen naar alle beperkingen, zoals de aspecifiek lage rugklachten. Eiseres verwijst in dit kader naar de richtlijn ‘Whiplash, Aspecifieke rugklachten en Hartinfarct’ van de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG). Ook de diagnose depressie is volgens eiseres onderbelicht gebleven en onderschat; de diagnose wordt alleen benoemd. Er wordt verder geen aandacht aan geschonken, terwijl de medicatie is verhoogd. Onduidelijk is of de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch onderzoek heeft uitgevoerd aan de hand van de richtlijn ‘Algemene inleiding, Overspanning en Depressieve stoornis’ van de NVVG. Eiseres voert verder aan dat de FML van 8 november 2018, geldig per 6 november 2018, de belastbaarheid onjuist weergeeft. De fysieke en psychische klachten en beperkingen van eiseres geven aanleiding om meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van onder andere persoonlijk functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. Daarbij stelt eiseres dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen vanwege energetische redenen. Eiseres heeft in dat kader ook gewezen op het schrijven van 1 juli 2017 van mevrouw A. Martinez, adviserend geneeskundige van GGD Haaglanden. Eiseres wijst er verder op dat haar gezondheid is verslechterd en dat er opnieuw een MRI-scan zal worden gemaakt. Eiseres verwijst daartoe naar de brief van 9 september 2019 van neuroloog D.Y.B. Tan.

Eiseres stelt verder dat de geduide functies niet passend zijn. De geduide functies zijn niet afgestemd op de lichamelijke- en psychische klachten van eiseres. Ten aanzien van de functie Productiemedewerker (SBC-code [nummer 2] ) heeft eiseres aangevoerd dat deze functie niet passend is, omdat er veelvuldig wordt gereikt, gebogen, getild en gestaan.

Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat er aanleiding bestaat om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 inzake Korošec tegen Slovenia (arrest Korošec), ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212.

3. Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

4. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 22 januari 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.1.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek door de primaire verzekeringsarts (spreekuur van 6 november 2018), dossieronderzoek, het gestelde in het bezwaarschrift, de hoorzitting van 6 mei 2019 en op medische informatie afkomstig van derden. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De stelling van eiseres dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig moet worden geacht, reeds omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, faalt. De rechtbank stelt in dat kader vast dat eiseres door de primaire verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, bij de hoorzitting aanwezig is geweest en de opgevraagde en ingebrachte medische stukken heeft betrokken. Het enkele feit dat eiseres niet opnieuw lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maakt het medische onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig. De rechtbank verwijst in dat kader naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9626. In de richtlijn ‘Whiplash, Aspecifieke rugklachten en Hartinfarct’ van de NVVG, waarnaar eiseres heeft verwezen, ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Hieruit volgt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gehouden opnieuw lichamelijk onderzoek te verrichten.

De rechtbank is verder van oordeel dat met de door eiseres in beroep genoemde klachten en medicatie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening is gehouden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een onvolledig beeld van de medische situatie van eiseres ten tijde van de datum in geding, 22 januari 2019, en overweegt daartoe als volgt.

De verzekeringsartsen hebben onderkend dat onder meer sprake is van de diagnose ‘depressieve episode’ en dat eiseres in dat kader medicatie gebruikte. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 8 november 2018 rekening gehouden met de depressieve klachten van eiseres, de medicatie citalopram (10 mg) en beperkingen gesteld ten aanzien van onder andere persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juni 2019 volgt dat eiseres ten tijde van de hoorzitting heeft aangegeven dat de medicatie citalopram is verhoogd naar 30 mg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenwel opgemerkt dat eiseres toegenomen psychische klachten claimt en daarvoor recent opnieuw behandeling werd ingezet, maar dat uit de brieven van de huisarts volgt dat een relevante toename van klachten pas geruime tijd na de datum in geding is opgetreden. De rechtbank stelt in dat kader vast dat eiseres blijkens de informatie van de huisarts bekend is met perioden met depressieve klachten, waarvoor antidepressiva (citaprolam) werd voorgeschreven in 2014-2015 en 2017-oktober 2018, en eiseres recentelijk, 12 april 2019, opnieuw is gestart met citalopram vanwege depressieve klachten. Uit het medicatieoverzicht van 15 april 2019 blijkt bovendien dat eiseres op 12 april 2019 is gestart met citaprolam (10 mg). De rechtbank ziet gelet op het voorgaande – en in de enkele stelling van eiseres dat onduidelijk is of het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overeenkomstig de richtlijn van de NVVG heeft plaatsgevonden – geen grond om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Voor de stelling van eiseres, dat geen of onvoldoende aandacht is geweest voor haar depressieve klachten en medicatie, ziet de rechtbank in het licht van het voorgaande evenmin grond.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in de aanvullende rapportage van 5 december 2019 inzichtelijk en gemotiveerd toegelicht waarom voorbij wordt gegaan aan de inhoud van de brieven van 9 september 2019 (D.Y.B. Tan; neuroloog) en 1 juli 2019 (A. Martinez; adviserend geneeskundige van GGD Haaglanden). Ten aanzien van de brief van de neuroloog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht waarom er geen medische redenen zijn om de FML te wijzigen. Eiseres is gezien door de neuroloog wegens toenemende klachten van de lage rug en het rechterbeen, nu met uitstraling. Het onderzoek door de neuroloog – op 9 september 2019 – is echter ver na de datum in geding uitgevoerd. De rug- en beenklachten zijn blijkens deze brief de afgelopen zes maanden toegenomen, maar dit heeft geen betrekking op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij ten overvloede opgemerkt dat voor eiseres alleen lichte functies zijn geduid, waarin geen zware lichamelijke belastingen voorkomen. Ten aanzien van de brief van A. Martinez heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat deze brief geen nieuwe medische feiten bevat die relevant zijn voor de datum in geding. Het betreft een sociaal medisch advies dat vanuit een ander wettelijk kader is opgesteld dan vanuit WIA-perspectief en het onderzoek – op 28 juni 2019 – is ruim na de datum in geding uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er verder op gewezen dat de stellingen in dit advies grotendeels zijn gebaseerd op mededelingen van eiseres zelf en een medische onderbouwing van de conclusie, dat eiseres in medische zin volledige arbeidsongeschikt is te beschouwen, ontbreekt. De beschrijving van een lichamelijk onderzoek ontbreekt, de psychiatrische anamnese is niet volledig en uit hetgeen wel is beschreven kan niet de verzekeringsgeneeskundige conclusie worden getrokken dat eiseres volgens het Schattingsbesluit geen benutbare mogelijkheden zou hebben, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding deze standpunten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.

De verzekeringsartsen hebben voorts inzichtelijk en afdoende gemotiveerd toegelicht waarom er geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij opgemerkt dat bij de beoordeling wordt uitgegaan van een 40-urige werkweek in passende arbeid. Er is in dit geval geen medische indicatie voor een urenbeperking; eiseres voldoet niet aan de drie criteria zoals verwoord in de Standaard verminderde duurbelastbaarheid. De energetische beperkingen zijn daarbij verdisconteerd in de beperkingen zoals aangegeven in de FML, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank ziet ook hier geen aanleiding om dit standpunt niet te volgen. De verwijzing van eiseres naar de brief van A. Martinez in dit kader, maakt dat niet anders, gelet op hetgeen hiervoor over die brief is overwogen.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat onder andere de functie Productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code [nummer 2] ) niet passend zou zijn. In de rapportages van 28 november 2018 en 2 juli 2019 van de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) is voldoende toegelicht dat de geduide functies passend zijn voor eiseres. Er zijn geen signaleringen ten aanzien van tillen en staan en op de signaleringen met betrekking tot onder meer reiken en gebogen/getordeerd actief zijn is – in samenspraak met de verzekeringsarts – ingegaan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapportage van 9 januari 2020 bovendien naar voren gebracht dat de geduide functies nogmaals met de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn besproken en dan met name ten aanzien van de signaleringen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon zich daarbij vinden in de in beide rapportages gegeven motiveringen bij de signaleringen en was met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van mening dat de belastbaarheid van eiseres in de geduide en fysiek lichte functies niet wordt overschreden.

4.3.

De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres naar voren is gebracht, gelet op het zorgvuldig tot stand gekomen verzekeringsgeneeskundige onderzoek en de gemotiveerde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarbij de door eiseres overgelegde informatie van de behandelend sector is betrokken, onvoldoende aanleiding om een deskundige te benoemen. Het beroep van eiseres op het arrest Korošec maakt dat niet anders. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres voldoende de mogelijkheid heeft gekregen om alles wat zij wilde, waaronder – maar niet uitsluitend – medische gegevens, naar voren te brengen om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten. Eiseres heeft in bezwaar en beroep ook medische stukken overgelegd, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door eiseres overgelegde informatie heeft meegewogen. De omstandigheid dat eiseres het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is onvoldoende voor de rechtbank om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. De mededeling van eiseres dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om zelf medisch onderzoek te laten verrichten, is voor de rechtbank eveneens onvoldoende aanleiding om te beslissen dat een onafhankelijk deskundige door de rechtbank moet worden ingeschakeld. Indien eiseres in het gelijk wordt gesteld, kan zij immers de kosten voor het opvragen van de informatie vergoed krijgen.

4.4.

Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 0,00%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is door verweerder dus terecht bepaald op minder dan 35%.

5. Het beroep is daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier. De uitspraak is gedaan op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.