Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2460

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/2009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/2009

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M. van Viegen,

en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. B.R. van Leeuwen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser.

Bij besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij brief van 20 september 2018 heeft de gemachtigde van eiser een inzageverzoek gedaan op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679, de AVG) in de verwerking van zijn persoonsgegevens binnen het RIEC-samenwerkingsverband. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek toegewezen en een overzicht verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens van eiser.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Verder heeft verweerder gesteld dat voor zover eiser bij zijn bezwaarschrift heeft verzocht om persoonsgegevens te verwijderen dan wel te rectificeren, het primaire verzoek van eiser hier niet op zag en hij daartoe de overige rechten van de AVG kan inroepen in een afzonderlijke procedure.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers oorspronkelijke verzoek zag op inzage van zijn persoonsgegevens en niet op rectificatie dan wel wissen van deze gegevens. Verder zijn partijen het er over eens dat de eerder gevoerde procedure op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens buiten beschouwing kan worden gelaten.

4. Eiser wenst principieel antwoord op de vraag hoe zijn aanvraag op grond van de AVG moet worden gelezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn (vervolg)verzoek in bezwaar om verwijderen en/of rectificeren van de persoonsgegevens op grond van de AVG buiten beschouwing heeft gelaten en heeft daarbij verwezen naar een procedure bij de gemeente Amsterdam, alwaar verzoeken om inzage in bezwaar ook als verzoeken om verwijdering zouden worden beoordeeld. Eiser verwijst daarbij naar artikel 15, eerste lid, sub e, van de AVG.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn (aanvullend) bezwaarschrift verweerder heeft verzocht “zijn persoonsgegevens te verwijderen, dan wel om rectificatie.” Gelet op de strekking van dit verzoek, ongeacht de mogelijke vermelding van de relevante wetsartikelen in het verzoek, had verweerder eisers bezwaarschrift (tevens) moeten aanmerken als een verzoek op grond van artikel 16 en/of 17 van de AVG en op dat verzoek een beslissing moeten nemen, waartegen eiser eventueel bezwaar zou kunnen maken. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. Nu dit in bezwaar gedane verzoek een andere grondslag kent in de AVG dan het oorspronkelijke verzoek van eiser, heeft verweerder dit verzoek echter op goede gronden niet bij de heroverweging in bezwaar betrokken. Artikel 15, eerste lid, sub e, van de AVG biedt daarvoor geen grondslag, omdat die bepaling uitsluitend ziet op het recht op informatie over de mogelijkheid van het doen van een verzoek tot het rectificeren of wissen van persoonsgegevens en niet op dat verzoek zelf. Nu ter zitting is gebleken dat eiser op 21 mei 2019 alsnog een afzonderlijk verzoek op grond van artikel 17 van de AVG bij verweerder heeft ingediend en dat de bezwaarprocedure in die zaak nog niet is afgerond, zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering van dit verzuim van verweerder en hieraan geen gevolgen verbinden. Eiser is immers niet in zijn processuele belangen geschaad.

6. Eiser voert verder aan dat, hoewel verweerder het inzageverzoek heeft toegewezen, hij het vermoeden heeft dat verweerder niet alle stukken heeft prijsgegeven. Hij baseert dit vermoeden op de eerder door hem gevoerde Wob-procedure en zijn inzage bij de politie die hij onlangs heeft gehad, waarbij hij diverse processen-verbaal heeft aangetroffen die niet voorkomen op het verstrekte overzicht van verweerder.

7. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene het recht op inzage in over hem verwerkte persoonsgegevens. Verweerder stelt dat alle beschikbare persoonsgegevens aan eiser zijn verstrekt. Deze mededeling komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. De enkele stelling van eiser dat hij vermoedt dat er meer moet zijn, omdat zijn naam voorkomt op de zogenoemde actorenlijst zoals is gebleken bij de Wob-procedure, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft immers de personalia van eiser, zoals die in de rapportages genoemd zijn, aan eiser verstrekt in het overzicht dat als bijlage bij het primaire besluit is gevoegd. Ook eisers, niet met bewijsstukken ondersteunde, stelling dat hij bij de politie meer stukken heeft aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. Dat eisers persoonsgegevens bekend zijn of voorkomen bij andere verwerkingsverantwoordelijke instanties dan verweerder, valt immers niet uit te sluiten nu sprake is van een RIEC-samenwerkingsverband en de verplichtingen van de AVG op iedere verwerkingsverantwoordelijke afzonderlijk rust. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder over meer persoonsgegevens beschikt dan die bij het overzicht bij het primaire besluit zijn verstrekt. De rechtbank overweegt tot slot dat het feit dat eiser niet aangemerkt is dan wel kan worden als verdachte in strafrechtelijke zin, niet relevant is voor de beoordeling op grond van de AVG.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 19 maart 2020 gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, voorzitter, en mr. W.P.M. Jurgens en mr. R. Kegge, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd te tekenen De voorzitter is verhinderd te tekenen

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.