Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2457

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
C/10/582491 / HA ZA 19-879 en C/10/582492 KG ZA 19-968
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex art. 223 Rv (provisionele eis). Voorschot op schadevergoeding na een verkeersongeval in Duitsland. De rechtbank acht zich bevoegd en oordeelt dat Duits recht van toepassing is. De incidentele vordering wordt afgewezen, nu niet kan worden vastgesteld of de schade moet worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582491 / HA ZA 19-879 en C/10/582492 KG ZA 19-968

Vonnis in incident van 11 maart 2020

in de zaak van

1 [naam eiser] ,

2. [naam eiseres],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

GARANTA VERSICHERUNGS-AG,

gevestigd te Nürnberg (Duitsland),

vertegenwoordigd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CBC Netherlands B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R. Gruben te Voorburg.

Eisers worden hierna gezamenlijk (in enkelvoud) [eisers] genoemd. Eiser sub 1 wordt hierna [naam eiser] genoemd en eiseres sub 2 wordt hierna [naam eiseres] genoemd. Gedaagde wordt hierna Garanta genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 223 Rv van 17 september 2019, met producties;

  • -

    de akte tot rectificatie van de zijde van [eisers] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van antwoord inzake incidentele vordering ex artikel 223 Rv van de zijde van Garanta, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord ex artikel 223 Rv van de zijde van [eisers] , met producties;

  • -

    de akte in het geding brengen proces-verbaal van de zijde van [eisers] , met productie;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van Garanta;

  • -

    het bericht van de rolrechter van 5 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Op 1 juli 2019 heeft op de Autobahn A2 ter hoogte van Braunschweig, Duitsland, een verkeersongeval (hierna: het ongeval) plaatsgevonden, waarbij zowel [eisers] als de heer [naam] (hierna: [naam] ) betrokken waren.

2.2.

[naam] bestuurde ten tijde van het ongeval het bij Garanta verzekerde motorrijtuig met kenteken [kentekennummer] .

2.3.

Garanta is door de gemachtigde van [eisers] bij brief van 9 juli 2019 aansprakelijk gesteld voor de door [eisers] geleden schade als gevolg van het ongeval.

3 De vordering in het incident en in de hoofdzaak

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Garanta veroordeelt:

A. bij wijze van de voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:

  1. tot betaling van een bedrag van € 25.000,00 aan [naam eiser] ;

  2. tot betaling van een bedrag van € 10.000,00 aan [naam eiseres] ,

B. in de hoofdzaak:

  1. tot betaling aan [naam eiser] van een bedrag van € 34.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019, althans vanaf de dag der algehele voldoening onder aftrek van het in het kader van de voorlopige voorziening betaalde gedeelte;

  2. tot betaling aan [naam eiseres] van een bedrag van € 17.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019, althans vanaf de dag der algehele voldoening onder aftrek van het in het kader van de voorlopige voorziening betaalde gedeelte;

  3. tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. tot vergoeding van de proceskosten waaronder de nakosten ten belope van € 159,00.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eisers] het volgende ten grondslag. [naam] heeft het ongeval veroorzaakt en is daarom op grond van artikel 6:162 BW en § 823 BGB aansprakelijk. Als gevolg van het ongeval heeft [eisers] schade geleden die tot op heden niet is uitgekeerd door Garanta. De schade bedraagt voor [naam eiser] voorlopig

€ 34.750,00 en voor [naam eiseres] voorlopig € 17.750,00. Op deze aanzienlijke schade willen [naam eiser] en [naam eiseres] thans een voorschot ontvangen van € 25.000,00 respectievelijk € 10.000,00.

3.3.

Garanta betwist de stellingen van [eisers] . De verzekerde van Garanta is niet aansprakelijk voor het ongeval en daarom is Garanta niet schadeplichtig jegens [eisers] . Volgens Garanta moet de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval beoordeeld worden naar Duits recht, aangezien het ongeval plaatsvond in Duitsland.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Het geschil tussen partijen heeft een internationaal karakter, aangezien Garanta gevestigd is in Nürnberg (Duitsland) en het ongeval heeft plaatsgevonden op de Autobahn A2 ter hoogte van Braunschweig (Duitsland). Het geschil tussen partijen betreft een handelszaak, de procedure is aanhangig gemaakt na inwerkingtreding van de herschikte EU-Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (nr. 1215/2012, hierna: “Herschikte EEX-Vo”) en Garanta heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat (art. 5 lid 1 Herschikte EEX-Vo). De Herschikte EEX-Vo is daarom van toepassing op deze procedure.

4.2.

[eisers] heeft de procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Garanta is in het geding verschenen en heeft de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 26 Herschikte EEX-Vo jo. artikel 11 Rv is derhalve sprake van een stilzwijgende forumkeuze. De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.3.

Voor de vraag naar welk recht het geschil moet worden beoordeeld, acht de rechtbank het volgende van belang. Het Haags Verkeersongevallenverdrag (hierna: HOV) regelt het toepasselijk recht met betrekking niet-contractuele aansprakelijkheid voor ongevallen in het wegverkeer. De Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (nr. 864/2007, hierna: Rome II) regelt in algemene zin het toepasselijk recht met betrekking tot niet-contractuele verbintenissen.

Op grond van artikel 28 van Rome-II jo. artikel 10:158 aanhef en onder a BW heeft de toepassing van het HOV voorrang op de toepassing van Rome-II. Duitsland is weliswaar, anders dan Nederland, geen partij bij het HOV, maar gelet op artikel 11 HOV (dat bepaalt dat het HOV van toepassing is ook in het geval het toepasselijke recht niet het recht is van een land dat de partij is bij het HOV) is dat niet van belang en vindt het verdrag toch toepassing.

4.4.

De omschreven uitzonderingen in het HOV zijn niet van toepassing, zodat ingevolge de hoofdregel in artikel 3 van het HOV Duits recht van toepassing is. Het meerzijdig ongeval heeft immers in Duitsland plaatsgevonden en de schade is aldaar ingetreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval inhoudelijk beoordeeld moet worden naar Duits recht.

4.5.

De rechtbank moet allereerst beoordelen of de door [eisers] ingestelde incidentele vordering ex 223 Rv kan worden toegewezen. Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. In lid 2 van dat artikel is bepaald dat de betreffende vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak.

4.6.

Aan de vereisten van artikel 223 lid 1 en lid 2 Rv is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering – er wordt een voorschot gevorderd op de in de hoofdzaak gevorderde schadevergoeding – en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven.

4.7.

Vervolgens moet beoordeeld worden of een afweging van de materiële belangen van partijen, tegen de achtergrond van de te verwachten duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin, de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

4.8.

[eisers] en Garanta twisten over de vraag welke partij aansprakelijk is voor het ongeval en de schade als gevolg daarvan moet dragen. Partijen hebben elk een ander beeld van de toedracht van het ongeval. Op dit moment kan niet beoordeeld worden of de lezing die [eisers] geeft juist is. De door [eisers] geschetste feitelijke gang van zaken wordt door Garanta betwist, zodat ook naar Duits recht thans niet kan worden vastgesteld of, en zo ja tot welke hoogte, Garanta de schade die [eisers] stelt te hebben geleden, moet vergoeden. Derhalve is niet voldoende vast komen te staan dat de toewijzing van de gevorderde voorschotten op zijn plaats is. Daarbij geldt dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij zodanig belang heeft bij het verkrijgen van het voorschot dat de afloop van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. De gevorderde provisionele voorziening wordt dan ook afgewezen.

4.9.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Garanta worden tot aan deze uitspraak begroot op € 695,00 (1,0 punt x tarief III à € 695,00 per punt).

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van het incident, aan de zijde van Garanta tot op heden begroot op € 695,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 maart 2020 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

3070/1861/1582