Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2454

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
593457 / HA RK 20-270
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Wvggz-zaak; zorgronde. Maatregelen van Rechtspraak in verband met corona-virus. Geen onbegrijpelijke beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek van de advocaat, gedaan op het moment dat het telefonisch horen zou aanvangen, om toch naar de instelling te gaan waar verzoeker verblijft om hem daar te horen, althans om hem via een video-verbinding te horen, althans daarnaar onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 593457 / HA RK 20-270

Beslissing van 20 maart 2020

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

verblijvende te [naam instelling] ,

verzoeker,

advocaat mr. T.S. Kessel,

strekkende tot wraking van:

mr. M.C. Woudstra, rechter in de rechtbank Rotterdam, team familie (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 18 maart 2020 is door de rechter behandeld het verzoek van het Openbaar Ministerie van 16 maart 2020, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene. Die procedure draagt als kenmerk C/10/593245 / FA RK 20-1758.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de advocaat van verzoeker de wraking van de rechter verzocht.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.

De advocaat van verzoeker, de rechter en de officier van justitie zijn geïnformeerd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld. Daarbij is hen meegedeeld dat zij – vanwege de door de Rechtspraak genomen maatregelen ter voorkoming van besmettingen met het coronavirus – tijdens de zitting telefonisch zullen worden gehoord.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 19 maart 2020.

Ter zitting van 20 maart 2020, alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn door de wrakingskamer telefonisch gehoord: de rechter en de advocaat van verzoeker. Deze hebben hun standpunten – de advocaat mede aan de hand van pleitaantekeningen – nader toegelicht.

Verzoeker en de officier van justitie hebben afgezien van hun recht om op het wrakingsverzoek te worden gehoord.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van het e-mailbericht van de officier van justitie aan de wrakingskamer, gedateerd 19 maart 2020.

2 Het verzoek en de reacties daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – :

2.1.1

Verzoeker is het niet eens met de manier waarop hij door de rechter ten aanzien van het verzoek van het Openbaar Ministerie gehoord zou gaan worden, te weten door middel van telefonisch horen. Indien de rechter verzoeker op deze manier hoort, dan is het een gelopen race. Zowel de rechter als de advocaat van verzoeker moet in de gelegenheid worden gesteld om verzoeker in een gepaste omgeving te horen. Dat is een voorwaarde en dat staat in de wet en volgt ook uit het systeem van de wet en de parlementaire geschiedenis. Het is ook conform de bedoeling van de wetgever dat de rechter verzoeker bezoekt om hem te horen. Ook uit de jurisprudentie ter zake blijkt dat de rechter moeite moet doen om verzoeker zo goed mogelijk te horen. De rechter moet verzoeker kunnen zien, zodat ook het non-verbale aspect kan worden meegenomen in de beoordeling van het verzetscriterium op grond van de Wvggz. Dit kan niet als de rechter verzoeker niet ziet.

2.1.2

Dit klemt in dit geval temeer, omdat de advocaat van verzoeker zijn cliënt voorafgaande aan de zitting – vanwege maatregelen in verband met het coronavirus in de kliniek waar verzoeker verblijft – niet had kunnen (en mogen) bezoeken en ook alleen maar telefonisch heeft gesproken. Daar kon de advocaat niet mee uit de voeten. Dit is in strijd met de mogelijkheden voor een goede verdediging.

2.1.3

Verzoeker heeft de rechter bij aanvang van de zitting verzocht alsnog naar de instelling te gaan en verzoeker zelf te horen, desnoods achter glas. Dat is in de kliniek, waar verzoeker verblijft, goed mogelijk. Ook het horen van verzoeker via een videoverbinding is – hoewel niet wenselijk – een beter alternatief dan telefonisch horen. De rechter had in een zaak als deze beter haar best moeten doen om verzoeker op een andere manier te horen. De rechter had echter geen oor voor deze alternatieven en de daarvoor gegeven argumenten. Zij heeft vervolgens gezegd dat zij niet wilde afwijken van het protocol. De rechter heeft beslist dat zij dit alles niet gaat doen, met als enige motivering dat zij dit niet mag vanwege ‘het protocol’. Zij heeft daarbij aangegeven dat verzoeker altijd nog in cassatie kon gaan. Daarop heeft de advocaat van verzoeker direct aangegeven dat zulks zinloos zou zijn voor verzoeker.

2.1.4

Vervolgens heeft de advocaat van verzoeker de rechter gewraakt omdat zij vooringenomen is. Het systeem is immers ingericht op onafhankelijkheid en dit komt in het gedrang doordat alleen de behandelaar van verzoeker alles vertelt en daar ook belang bij heeft.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

De zaak waarin de wraking is verzocht betreft een verzoek voortzetting crisismaatregel op grond van de artikelen 7:7 e.v. van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Betrokkene is sinds 14 maart 2020 opgenomen met een door de burgemeester van de gemeente [plaats] afgegeven crisismaatregel en op 16 maart 2020 heeft de Officier van Justitie verzocht om voortzetting van de crisismaatregel. Op dit verzoek moet op grond van artikel 7:8 lid 3 Wvggz binnen drie dagen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoekschrift door de rechter worden beslist, dus in het onderhavige geval uiterlijk op 19 maart 2020.

2.2.2

Naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus zijn er vanuit het landelijke crisismanagementteam Rechtspraak (CMT) op maandag 16 maart 2020 aanvullende maatregelen genomen die gelden voor de hele Rechtspraak. Zo hebben de LOV's per rechtsgebied een werkinstructie gemaakt voor urgente zaken en overige zaken, die op 16 maart door het CMT zijn vastgesteld. Deze werkinstructies zijn nog diezelfde dag op rechtspraak.nl gepubliceerd om advocaten, rechtszoekenden en andere procespartijen te informeren. De werkinstructie die hier geldt, houdt kort gezegd in dat voor urgente beslissingen over verplichte geestelijke gezondheidszorg en andere zorgzaken geldt dat er geen zitting wordt gehouden, maar telefonisch wordt gehoord.

2.2.3

Ook heeft de orde van advocaten de advocaten in dit arrondissement op dinsdag 17 maart 2020 als volgt nader geïnformeerd over deze instructie:

“Bericht voor advocaten met zorgzaken

Zoals inmiddels wel bekend zal zijn, zal de Rechtspraak tot nader order alleen nog urgente zaken behandelen. Onder de urgente zaken vallen de zaken op grond van de Wvggz en de Wzd. De behandeling van deze zaken en het horen van betrokkenen zal niet meer plaatsvinden in de instellingen. De behandeling van zaken bij betrokkenen thuis, gaat eveneens niet meer plaatsvinden. Behandeling van zaken op de rechtbank vindt tenslotte ook niet meer plaats. De meeste zorgzaken moeten echter wel behandeld worden. Betrokkenen moeten ook worden gehoord. De zaken blijven daarom zoveel mogelijk doorgang vinden, hoewel er soms wellicht wat geschoven zal moeten worden om alles geregeld te krijgen. De rechtbank vraag hiervoor uw begrip en uw medewerking.

De rechtbank biedt als alternatief voor het bezoek aan instellingen en bezoek bij betrokkene thuis, als ook voor de zittingen op de rechtbank, het telefonisch horen van betrokkenen aan. Daarbij zal door de zittingsrechter en de secretaris vanaf de rechtbank worden ingebeld op een door de instelling voor de zitting ter beschikking te stellen inbelnummer. Betrokkene en (de betreffende medewerker van) de instelling zitten samen in de ruimte in de instelling waarnaar toe wordt gebeld en krijgen, net als anders, het woord van de rechter. De advocaat van betrokkene zal ook inbellen maar dan vanaf zijn of haar werkplek, en krijgt ook, net als anders het woord. Ook van hen ontvangen we dan graag tijdig de relevante mobiele nummers. Soms zal ook een tolk of een andere derde inbellen. Graag tijdig aangeven of daar sprake van is, voorzien van mobiele nummers.

Afgezien van betrokkene en het personeel van de instelling, en afgezien van de rechter met de secretaris zit geen van de deelnemers aan de “telefonische zitting” dus fysiek bij elkaar in een ruimte. Met de hulp van de techniek kunnen we zo de zorgzaken blijven behandelen, betrokkenen horen en hoor en wederhoor toepassen.”

2.2.4

Verzoeker was op het moment dat hij de rechter wraakte op de hoogte van deze werkinstructie en heeft de rechter verzocht hiervan af te wijken. Dat heeft de rechter niet gedaan omdat zij in deze uitzonderlijke omstandigheden niet de mogelijkheid heeft om in strijd met deze werkinstructie betrokkene toch in persoon te horen.

De rechter zou daarmee betrokkene, de mensen die in de instelling werken, en de betrokken medewerkers van de rechtbank onnodig in gevaar brengen. Alle procesdeelnemers worden ook in geval van telefonisch horen gelijk behandeld. Iedereen wordt in de gelegenheid gesteld om telefonisch aan de zitting deel te nemen. Gezien de korte wettelijke beslistermijn was het alles afwegende noodzakelijk om de zitting op de enige mogelijke manier, te weten telefonisch, door te laten gaan.

In het onderhavige geval heeft verzoeker de rechter aan het begin van de zitting direct gewraakt, zodat de rechter aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet is toegekomen.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

3.3

Dat kan anders zijn indien een beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

De wrakingskamer is van oordeel dat het een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.5

In de thans ontstane situatie is door de Rechtspraak – ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus – een werkinstructie opgesteld voor zaken als de onderhavige. Meer in het bijzonder is de instructie voor Wvggz zaken opgesteld door het LOVF en uitgevaardigd door het CMT voor de Rechtspraak. Die instructie gaat uit van het telefonisch horen van betrokkenen.

3.6

Een dergelijke werkinstructie is een uitgangspunt. Daarvan kan de behandelend rechter afwijken als daartoe aanleiding bestaat op grond van bijzondere omstandigheden. De advocaat van verzoeker was het niet eens met het telefonisch horen van verzoeker en heeft bij aanvang van het telefonisch horen van verzoeker, zijn advocaat en de behandelaar gevraagd om het persoonlijk horen van verzoeker in de instelling waar hij verblijft, subsidiair door middel van een videoverbinding, althans om onderzoek te doen naar de mogelijkheden daartoe. De rechter heeft dat geweigerd en wilde voortgaan met de telefonische zitting.

3.7

De situatie waarin de rechtbanken zijn terecht gekomen en waarvoor de instructie voor de wijze van behandelen van zaken als de onderhavige is gegeven, was nog maar heel recent ontstaan en daarmee was nog nauwelijks ervaring opgedaan. Het horen door de rechter van verzoeker op 18 maart 2020 was een van de eerste zaken die volgens de instructie zou worden behandeld. Daarbij komt dat de rechter op de zitting van die dag meerdere zaken als deze had te behandelen, terwijl in die zaken steeds binnen een korte tijdsperiode een beslissing moest worden genomen. Daarnaast was de zaak van verzoeker conform de instructie voorbereid in die zin, dat voor het telefonisch horen alle betrokkenen – rechter, griffier, verzoeker, advocaat en behandelaar – klaar zaten voor de zitting en telefonisch werden benaderd (of zouden worden benaderd) om aan die zitting deel te nemen. Op dat moment heeft de advocaat het hiervoor weergegeven verzoek gedaan. Toen de rechter dat verzoek afwees, heeft de advocaat het wrakingsverzoek gedaan.

3.8

Dat de rechter het verzoek van de advocaat, om verzoeker toch persoonlijk in de instelling te horen, dan wel via een videoverbinding te doen horen, althans om onderzoek te doen of dat alsnog mogelijk was, afwees, en dat de rechter wilde doorgaan met de zitting zoals die op dat moment was voorbereid en georganiseerd, is, mede gezien de hiervoor beschreven omstandigheden, niet een onbegrijpelijke beslissing, laat staan zozeer onbegrijpelijk dat het niet anders kan dan dat die beslissing door partijdigheid is ingegeven.

3.9

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. M.C. Woudstra.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. M. de Geus, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2020 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- mr. T.S. Kessel

- mr. M.C. Woudstra

- mr. B.J. Berton