Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2451

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
10/741052-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van (medeplegen van) diefstal met geweld en bedreiging met geweld (312 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741052-19

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Sculic, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Harbers heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Vrijspraak

4.1.

Standpunt officier van justitie

Het ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld kan wettig en overtuigend worden bewezen. Vastgesteld kan worden dat de aangever op 23 november 2019 op de [plaats delict] te Rotterdam is beroofd van zijn tas met daarin een geldbedrag van € 8.000,-. Daarbij is gebruik gemaakt van een vuurwapen. Bewezen is dat de verdachte en zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] deze beroving in nauwe en bewuste samenwerking met elkaar hebben gepleegd.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen is. Daartoe is het volgende redengevend.

De aangever heeft verklaard dat hij voor een café aan de [plaats delict] te Rotterdam door een groep van 6 tot 8 mannen is beroofd van zijn tas met daarin een geldbedrag van € 8.000,-. De mannen zijn in twee auto’s gestapt, waaronder een Toyota Yaris, en zijn daarna weggereden. Er zijn geen getuigen die de beroving hebben gezien. Uit de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] blijkt wel dat de aangever schreeuwend het café is binnen gekomen en dat hij toen heeft verklaard te zijn beroofd. De aangever heeft daarna de Toyota Yaris gevolgd en de politie gebeld. De Toyota Yaris is uiteindelijk op de kruising van de Westzeedijk met de G.J. de Jonghweg te Rotterdam staandegehouden. Er bleken vier inzittenden in de auto aanwezig te zijn, te weten de verdachte en de voornoemde medeverdachten. Ook heeft de politie € 8.000,- aangetroffen in de auto. Geen van de verdachten heeft aangegeven iets van dit geld te weten of van de aanwezigheid daarvan in de auto op de hoogte te zijn geweest. Medeverdachte [naam medeverdachte 1] , de bestuurder van de auto, heeft op de terechtzitting verklaard dat het geld mogelijk van de eigenaar van de auto was. Die eigenaar zat niet in de auto en is niet door de politie als getuige gehoord en verder (technisch) onderzoek naar het geld heeft niet plaatsgevonden. Het kan in deze omstandigheden niet worden uitgesloten dat het geld afkomstig is van de eigenaar van de auto.

Zelfs al zou vast hebben gestaan dat het geld afkomstig was van de straatroof, dan blijft onduidelijk of deze verdachte daarin een aandeel heeft gehad en wat dat aandeel dan is geweest. De aangever zelf heeft verklaard over een groep negroïde mannen maar beschrijft alleen van één van hen een aandeel, te weten het slaan en bedreigen met een vuurwapen en het meenemen van een tas. Wie van de groep mannen dit is geweest heeft de aangever niet beschreven en dit kan ook overigens niet uit het dossier of anderszins worden afgeleid. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verdachte, alleen danwel als medepleger, bij deze beroving betrokken is geweest.

4.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en J.J. Kuipers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 23 november 2019 te Rotterdam

op/aan de openbare weg, de [plaats delict] , althans op/aan een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met daarin een geldbedrag van 8.000 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

  • -

    op die [naam slachtoffer] aflopen, en/of

  • -

    een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer] tonen en/of op hem gericht houden, en/of

  • -

    die [naam slachtoffer] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd slaan, ten gevolge waarvan die [naam slachtoffer] op de grond is gevallen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht