Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2449

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
10/730083-19 en 10/120313-19 (op de terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing (317 Sr) tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen (artikel 26, lid 1 WWM) en tweemaal verduistering (321 Sr) tot een taakstaf voor de duur van 30 uren.

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een mes dat voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen (artikel 27 eerste lid WWM) tot een geldboete van € 200,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/730083-19 en 10/120313-19 (op de terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Tegenspraak [279 Sv]

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

In de zaak met parketnummer 10/730083-19:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht, een meldplicht, en de verplichting om zich te laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling);

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;

In de zaak met parketnummer 10/120313-19:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 meer subsidiair en 4 primair ten laste gelegde;

  • -

    terzake het onder 1, 3 meer subsidiair en 4 primair ten laste gelegde (misdrijven): veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest;

  • -

    terzake het onder 2 ten laste gelegde (overtreding): een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/120313-19 onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het in de zaak met parketnummer 10/120313-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feiten 3 (subsidiair en meer subsidiair) en 4

4.3.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

In de zaak met het parketnummer 10/120313-19 acht de officier van jusitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde heling van de bankpas van mevrouw [naam slachtoffer 1] heeft begaan. De officier van justitie acht tevens de onder 4 primair ten laste gelegde verduistering van de bankpas van de heer [naam slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot de verduistering van de overige (bank)passen heeft de officier van justitie om vrijspraak gevraagd. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

In zaak met parketnummer 10/730083-19 heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte weliswaar de jas van de heer [naam slachtoffer 3] heeft meegenomen, maar dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte een mes aan de heer [naam slachtoffer 3] heeft getoond.

4.3.2.

Beoordeling

In de zaak met het parketnummer 10/120313-19

Op 22 februari 2019 was de politie bezig met een preventieve fouilleeractie in Schiedam. De verdachte probeerde zich aan die fouilleeractie te onttrekken door van de politie weg te rennen. De verdachte is later in de bosjes bij de Horvathweg in Schiedam aangetroffen. In die bosjes is eveneens een zwarte schoudertas gevonden. De verdachte heeft later verklaard dat hij die zwarte schoudertas inderdaad in zijn bezit had. In de schoudertas is door de politie aangetroffen een stroomstootwapen, een mes en een aantal passen, waaronder 14 bankpassen en 1 ov-chipkaart die op naam van anderen dan de verdachte stonden.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de passen een week eerder in een doorzichtig blauw plastic zakje in de trein had gevonden. De verdachte was niets bijzonders met de passen van plan, maar hij vond het het leuk om deze in zijn bezit te hebben. In de schoudertas van verdachte is ook de bankpas van mevrouw [naam slachtoffer 1] aangetroffen. Mevrouw [naam slachtoffer 1] had op 24 januari 2019 haar portemonnee, met daarin haar bankpas, verloren in een supermarkt. Uit de camerabeelden van de supermarkt volgt dat de verdachte tezamen met een een onbekend gebleven jonge vrouw achter mevrouw [naam slachtoffer 1] in de rij bij de kassa stond. Toen mevrouw [naam slachtoffer 1] haar portemonnee op de grond liet vallen, is deze door de jonge vrouw opgepakt, en is de jonge vrouw met de portemonnee weggelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij de bankpas later van de jonge vrouw heeft gekregen.

Wat er zij van de wijze van verkrijgen door de jonge vrouw, hieruit volgt niet dat verdachte op de hoogte was van die wijze van verkrijgen. Daarvoor is ook geen ander bewijs voorhanden. Wel stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich deze pas en de overige (bank)passen op naam van derden die hij in zijn bezit had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft deze passen immers onder zich gehouden terwijl een rechtmatige eigenaar, de tennaamgestelde, hem bekend was. De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat de verdachte de op 22 februari 2019 in zijn schoudertas aangetroffen (bank)passen, voor zover die op naam van een ander staan, heeft verduisterd.

In zaak met parketnummer 10/730083-19

Op 14 april 2019 heeft de verdachte tezamen met een medeverdachte de heer [naam slachtoffer 3] en twee van zijn vrienden staande gehouden en gezegd: “Wij willen jouw jas”. De verdachte heeft vervolgens de arm van de heer [naam slachtoffer 3] vastgepakt en geprobeerd de rits van die jas te openen. De heer [naam slachtoffer 3] heeft tegengestribbeld en twee andere vrienden zijn bij het groepje gaan staan. De verdachte heeft de heer [naam slachtoffer 3] toen gewaarschuwd dat hij maar beter mee kon werken omdat de situatie anders op een andere manier zou worden opgelost. De verdachte heeft toen zijn schoudertas geopend en aan de heer [naam slachtoffer 3] laten zien dat daar een mes in zat. De heer [naam slachtoffer 3] heeft vervolgens zijn jas uitgetrokken en aan de verdachte en zijn medeverdachte afgestaan.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte geen mes aan de heer [naam slachtoffer 3] heeft getoond. De verklaring van de heer [naam slachtoffer 3] wordt ondersteund door de verklaringen van de heren [naam getuige 1] en [naam getuige 2] . Beide getuigen hebben verklaard te hebben gezien dat de verdachte op het door de heer [naam slachtoffer 3] beschreven moment een beweging met zijn arm in de richting van de schoudertas heeft gemaakt. Dat beide getuigen het mes zelf niet het hebben gezien maakt dit niet anders. Dit past namelijk in de verklaring van de heer [naam slachtoffer 3] dat de verdachte het mes niet helemaal tevoorschijn heeft gehaald. De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte een mes aan de heer [naam slachtoffer 3] heeft getoond wordt verder versterkt door het feit dat de politie enkele weken eerder bij de verdachte een mes in een schoudertas heeft aangetroffen.

De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachte onder bedreiging van een mes de heer [naam slachtoffer 3] er toe heeft bewogen zijn jas af te staan. Dit moet worden gekwalificeerd als afpersing.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak 10/730083-19 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/120313-19 onder 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/120313-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

Parketnummer 10/730083-19

hij op 14 april 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas toebehorende aan die [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

  • -

    die [naam slachtoffer 3] bij een arm vastpakken, en

  • -

    de jas van die [naam slachtoffer 3] vastpakken, en

  • -

    trachten de rits van de jas van die [naam slachtoffer 3] te openen, en

  • -

    aan de jas van die [naam slachtoffer 3] trekken, en

  • -

    een mes aan die [naam slachtoffer 3] tonen, en

  • -

    aan die [naam slachtoffer 3] de woorden toevoegen (van de strekking):

* "wij willen jouw jas", en

* "begin je jas uit te trekken, je krijgt één minuut anders doen wij het op een andere

manier", en

* "ik ga je slaan";

Parketnummer 10/120313-19

1.

hij op 22 februari 2019 te Schiedam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 22 februari 2019 te Schiedam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV, onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het voor geen ander doel

bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen;

3 subsidiair.

hij in de periode van 24 januari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Rotterdam en/of te Schiedam, althans in Nederland opzettelijk een bankpas, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4 primair.

hij in de periode van 15 februari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Den Haag en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland opzettelijk bankpassen en een OV chipkaart, toebehorende aan anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/730083-19

afpersing;

Parketnummer 10/120313-19

1.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

2.

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3 subsidiair.

verduistering;

4 primair.

verduistering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte is door de politie aangehouden met een stroomstootwapen en een mes op zak. Een paar weken later heeft de verdachte er blijk van gegegeven er niet voor terug te deinzen om ook daadwerkelijk een mes tegen een leeftijdsgenoot te willen gebruiken. De verdachte heeft namelijk een straatroof gepleegd en daarbij een mes aan het slachtoffer getoond. Dit moet voor het slachtoffer een uiterst beangstigende ervaring zijn geweest. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de ernstige gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Ook heeft de verdachte de beschikking gehad over een groot aantal (bank)passen op naam van verschillende derden. Het verlies van (bank)passen levert voor de betrokkenen een hoop frustatie en ongemak op. Het is kwalijk dat de verdachte geen enkele poging heeft gedaan om de (bank)passen terug te brengen naar de rechtmatige eigenaar.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op de samenloop van de strafbare feiten. De rechtbank zal voor de feiten per parketnummer een straf opleggen omdat de digitale systemen bij het opleggen van één straf de executie onmogelijk maken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft op 2 september 2019 een rapport over de verdachte uitgebracht. De reclassering constateert dat de verdachte al enige tijd niet beschikt over een zinvolle dagbesteding, vaste woonruimte en een eigen inkomen. De reclassering ziet mogelijkheden om de verdachte te begeleiden. De verdachte heeft bij de reclassering ook verklaard hiervoor open te staan. De reclassering adviseert daarom om bij een veroordeling de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich ambulant laat behandelen door De Waag of een soortgelijke instelling.

Uit een voortgangsrapportage van 6 januari 2020 blijkt dat de start van het toezicht moeizaam is verlopen omdat de verdachte aanvankelijk de meldplichtafspraken niet nakwam. Daar is sinds december 2019 verbetering in gekomen. Desalniettemin is de verdachte nadien ook bij het intakegesprek voor zijn nieuwe school niet komen opdagen en komt hij zijn sollicatieverplichting nog steeds onvoldoende na.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport en de voortgangsrapportage.

De rechtbank betreurt het dat de verdachte er voor heeft gekozen de zitting niet zelf bij te wonen en de rechtbank omtrent de persoonlijke omstandigheden te informeren, terwijl – zo bleek ter zitting – hij toen wel in de gelegenheid was telefonisch vragen van zijn raadsman te beantwoorden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel in de zaak met het parketnummer 10/730083-19 niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat kan worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf omdat de verdachte nog jong is en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht. Ook weegt daarin mee het beperkte strafblad van de verdachte. De rechtbank zal de voorgenomen gevangenisstraf van drie maanden daarom geheel voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Gelet op de wisselende houding van de verdachte ten aanzien van het reclasseringstoezicht zal de rechtbank bepalen dat de proeftijd voor het voorwaardelijk strafgedeelte wordt vastgesteld op drie jaar.

Gezien de ernst van het de feiten zal de rechtbank eveneens een taakstraf van in totaal 180 uur opleggen. Daarvan heeft 150 uur betrekking op de straatroof (parketnummer 10/730083-19), en 30 uur op het voorhanden hebben van het stroomstootwapen en de verduistering van de diverse (bank)passen (parketnummer 10/120313-19).

Het voorhanden hebben van het mes (parketnummer 10/120313-19) is een overtreding. Voor dit feit zal de rechtbank, aanknopend bij de oriëntatiepunten ter zake, een geldboete van € 200,- opleggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen omdat de verdachte nog in een schorsing van de voorlopige hechtenis met vergelijkbare voorwaarden loopt.

8. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/120313-19 onder 3 ten laste gelegde feit (diefstal van haar portemonnee met inhoud). De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.345,95 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1.

Beoordeling

De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd heeft betrekking op het verlies van de portemonnee van de benadeelde partij. In deze procedure is alleen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij heeft verduisterd. Dit betekent dat de gevorderde schade niet het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De vordering van de benadeelde partij zal daarom worden afgewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.

8.2.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

In de zaak met parketnummer 10/730083-19:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

  2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 144 (honderdvierenveertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen;

In de zaak met parketnummer 10/120313-19:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte terzake de onder 1, 3 subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde feiten tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 24 (vierentwintig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen;

veroordeelt de verdachte terzake het onder 2 bewezen verklaarde feit tot een geldboete van € 200,- (tweehonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

wijst af de vordering van de benadeelde partij;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en J.J. Kuipers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/730083-19

hij op of omstreeks 14 april 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas (merk Clan Banlieu), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander9en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas (merk Clan Banlieu, in elk geval enig goed, geheel of ten tedel toebehorende aan die [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

  • -

    die [naam slachtoffer 3] bij een arm vastpakken, en/of

  • -

    de jas van die [naam slachtoffer 3] vastpakken, en/of

  • -

    trachten de rits van de jas van die [naam slachtoffer 3] te openen, en/of

  • -

    aan de jas van die [naam slachtoffer 3] trekken, en/of

  • -

    een mes, althans een scherp/puntig voorwerp aan die [naam slachtoffer 3] tonen en/of voorhouden, en/of

  • -

    (daarbij) tegen die [naam slachtoffer 3] de woorden toevoegen (van de strekking):

* "wij willen jouw jas", en/of

* "begin je jas uit te trekken, je krijgt één minuut anders doen wij het op een andere

manier", en/of

* "ik ga je slaan";

(artikel 312/317 van het Wetboek van Strafrecht);

Parketnummer 10/120313-19

1

hij op of omstreeks 22 februari 2019 te Schiedam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 5º van de Wet wapens en munitie te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

2

hij op of omstreeks 22 februari 2019 te Schiedam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV, onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het voor geen ander doel

bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen;

(art 27 lid 1 Wet wapens en munitie)

3

hij op of omstreeks 24 januari 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee (met inhoud onder meer een verblijfsvergunning en/of een bankpas en/of een zorgpas en/of een hoeveelheid geld), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Rotterdam en/of te Schiedam, althans in Nederland opzettelijk een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Rotterdam en/of te Schiedam, althans in Nederland een goed, te weten een bankpas heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)

4

hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Den Haag en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland opzettelijk een of meer bankpas(sen) en/of een of meer OV chipkaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2019 tot en met 22 februari 2019 te Den Haag en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, een goed, te weten een of meer bankpas(sen) en/of een of meer OV chipkaarten heeft verworven, voorhanden gehad, en/of

overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)