Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2432

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
10/712071-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld. Openlijke geweldpleging. Schop tegen het hoofd. Deels voorwaardelijke taakstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/712071-18

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. N. Tanoğlu, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. De verdachte was er wel, maar dat en/of hoe hij de vechtende groep heeft versterkt kan niet worden vastgesteld. De verklaringen van [naam medeverdachte] en [naam 1] kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt omdat die verklaringen de indruk wekken dat er anderen – zoals bijvoorbeeld [naam 2] – uit de wind worden gehouden. Zonder die verklaringen is er onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte een bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Er waren ook meerdere gevechten op dat moment en onduidelijk is wat er precies is gebeurd. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 1 juni 2018 is de verdachte in een groep van totaal acht personen met een taxibusje van Rockanje naar Brielle gegaan waar zij [naam horecagelegenheid] (hierna: de club) hebben bezocht, onder andere om de verjaardag van de verdachte te vieren.

Kort voor sluitingstijd hebben medeverdachte [naam medeverdachte] en zijn vriendin [naam vriendin medeverdachte] op – inmiddels – 2 juni 2018 de club verlaten. Zij hebben in een straat om de hoek van de club op de taxi gewacht. In die straat hebben meerdere geweldshandelingen plaatsgevonden.

Aangevers:

Drie personen hebben aangifte gedaan omdat zij slachtoffer zijn geworden van dat geweld, te weten [naam aangever 1] , [naam aangever 2] en [naam aangever 3] . Zij waren in de club geweest, samen met [naam 3] . Uit de aangifte van [naam aangever 1] blijkt dat hij en [naam 3] een woordenwisseling kregen met twee andere personen. Hij weet niet of er op dat moment nog andere mensen bij waren.

[naam aangever 3] verklaart dat hij zag dat [naam aangever 1] en [naam 3] aan het bekvechten waren met andere personen. Hij is er tussen gaan staan om het te stoppen en werd op dat moment geslagen door één persoon. Hij zag daarna meerdere mensen op hem komen aflopen en is weg gerend. [naam aangever 1] en [naam aangever 2] verklaren dat het vervolgens heel snel ging, dat zij door meerdere personen zijn geslagen en geschopt en dat het geweld ook doorging nadat zij op de grond lagen. Signalementen van de daders hebben zij niet kunnen geven. [naam aangever 1] en [naam aangever 2] verklaren wel dat zij flink aangeschoten waren.

[naam aangever 3] verklaart dat hij vanaf een afstand zag dat [naam aangever 1] werd geslagen en geschopt toen hij op de grond lag. Hij is weer naar [naam aangever 1] toegelopen en heeft hem geholpen door een aantal mensen van hem af te trekken.

[naam 3] was naar eigen zeggen flink dronken en weet zich niet veel te herinneren. Wel verklaart zij dat het één grote chaos was en dat zij heeft gezien dat [naam aangever 2] en [naam aangever 1] klappen kregen van meerdere mensen.

De aangevers verklaren dat de personen opeens weg waren en in een taxibus zijn gestapt die daar stond te wachten.

Verklaring verdachte

Verdachte [naam verdachte] heeft verklaard dat hij uit de club kwam en daar nog even met de bewaker heeft staan praten. Hij hoorde rumoer uit de straat om de hoek komen en is daar naartoe gelopen. Verder heeft hij verklaard dat hij heel erg dronken was en zich nog maar weinig kan herinneren. Hij weet alleen nog dat hij daar door [naam 1] werd weggetrokken.

Verklaringen [naam medeverdachte] en [naam 1]

Volgens de verklaringen van [naam medeverdachte] bemoeide hij zich met [naam aangever 1] en [naam 3] die in dezelfde straat liepen en onderling ruzie maakten. Nadat hij een opmerking maakte, ontstond er een woordenwisseling tussen hem en [naam aangever 1] . [naam aangever 1] zou naar [naam medeverdachte] zijn toegelopen en hem op dat moment hebben bedreigd. Toen een derde persoon op [naam medeverdachte] af kwam rennen, heeft [naam medeverdachte] die persoon één klap gegeven. [naam medeverdachte] verklaart dat hij daarna door zijn vriendin is weggetrokken en dat er een grote vechtpartij is ontstaan. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte een jongen die op de grond lag tegen het hoofd heeft geschopt. Hij zag ook dat [naam 1] probeerde de verdachte tegen te houden.

[naam 1] heeft verklaard dat hij de verdachte iemand heeft zien schoppen die op de grond zat en dat hij hem daarna heeft tegengehouden.

Oordeel rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt in dat kader als volgt. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft in zijn verklaringen kort na het voorval uitgebreid verklaard over wat hij heeft gezien. Hij heeft eerst alleen over zichzelf verklaard, in belastende zin. Over anderen wilde hij toen niet verklaren. Toen hem foto’s van slachtoffers werden getoond schrok hij van het letsel, dat vond hij ‘niet normaal’. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij de verdachte een jongen tegen het hoofd heeft zien schoppen. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat [naam medeverdachte] er moeite mee had om daarover te verklaren. Aan het eind van dat verhoor maakte hij duidelijk dat hij zich rot voelde, omdat hij bang was voor zijn baan, maar ook omdat hij open kaart had gespeeld. Dit alles komt authentiek op de rechtbank over en de rechtbank gaat daarom van deze verklaring uit.
Voor de verklaring van [naam 1] geldt hetzelfde. Uit zijn verhoor de dag na het incident blijkt dat hij aanvankelijk ook niet belastend over anderen wilde verklaren maar dat na het zien van foto’s, waar ook hij van schrok, toch deed.
De verdachte heeft zelf verklaard dat [naam 1] de persoon is geweest die hem heeft weggetrokken bij de vechtpartij. Er is niet gebleken dat de verklaringen onderling zijn afgestemd om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen. De enkele stellingen van de verdediging dat een ander dan de verdachte uit de wind werd gehouden en dat de verdachte inmiddels buiten de groep valt, zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de verklaringen uit te sluiten en zal de verklaringen wel voor het bewijs gebruiken. De rechtbank stelt op basis van die verklaringen vast dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 2 juni 2018 te Brielle, op of aan de openbare weg, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig:

-slaan en/of schoppen tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is na het uitgaan afgelopen op rumoer. Daar vond een grote vechtpartij plaats waar mogelijk ook mensen uit de groep waarmee hij naar de club was gegaan aan deelnamen. De verdachte heeft één van de aangevers die op de grond zat geschopt tegen het hoofd. Hij heeft hiermee deelgenomen aan het openlijk geweld dat daar door meerdere personen werd gepleegd. De verdachte heeft hierbij gehandeld terwijl hij zwaar onder invloed van alcohol, lachgas en softdrugs verkeerde. Als gevolg van dit door meerderen gepleegde geweld ondervond aangever [naam aangever 2] ruim anderhalf jaar na het feit nog last van loszittende tanden en uit hetgeen slachtoffer [naam aangever 1] op zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij nog steeds psychisch last heeft van hetgeen hem is aangedaan.

Met zijn deelname aan het openlijk geweld heeft de verdachte de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

28 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarde die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

Ter zake van het primair ten laste gelegde feit hebben [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd.

[naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 575,- aan materiële schade en een vergoeding van

€ 1.000,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 3.470,- aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen. Aan [naam benadeelde 1] zou een bedrag van € 75,- voor vergoeding van materiële schade en € 250,- voor vergoeding van immateriële schade moeten worden toegewezen met niet-ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering.

Aan [naam benadeelde 2] zou een bedrag van € 385,- voor vergoeding van materiële schade moeten worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van het overige deel van de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De door [naam benadeelde 1] gevorderde posten voor schade aan kleding en immateriële schade komen voor toewijzing in aanmerking, maar dienen te worden gematigd.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het valt niet met zekerheid vast te stellen dat deze schade is veroorzaakt door de verdachte, maar de verdachte is ook, hoofdelijk, aansprakelijk voor door anderen tijdens het openlijk geweld toegebrachte schade (artikel 6:166 BW). Uit het dossier blijkt dat [naam benadeelde 1] met een ambulance is vervoerd naar het ziekenhuis en dat er kleding kapot is gegaan. Alhoewel bewijsstukken ter onderbouwing van de hoogte van de vordering ontbreken, zal de rechtbank de vordering deels toewijzen. Het is immers aannemelijk dat de ambulancekosten het eigen risico van de zorgverzekering

( € 380,-) hebben opgesoupeerd. De verdediging heeft dit onvoldoende betwist. De vergoeding voor schade aan de kleding wordt geschat op € 75,-. Het overige deel van de vordering dat ziet op materiële posten (restant kleding en valium) wordt niet-ontvankelijk verklaard en kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat er bij [naam benadeelde 1] lichamelijk letsel is vastgesteld, is er ook ruimte voor vergoeding van immateriële schade. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

[naam benadeelde 2] heeft zich op de zitting als benadeelde partij gesteld. Hij heeft mondeling vergoeding gevorderd voor materiële schade die is gelegen in kosten voor de tandarts

(€ 1.100,-), het eigen risico voor zijn zorgverzekering in 2018 en 2019 (€ 770), kleding

( € 100,-) en vergoeding van omzet die zijn werkgever is misgelopen omdat hij gedurende een periode niet inzetbaar was ( € 1.500,-).

De rechtbank stelt vast dat ook aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het valt niet met zekerheid vast te stellen dat deze schade is veroorzaakt door de verdachte, maar zoals hierboven is overwogen is de verdachte ook, hoofdelijk, aansprakelijk voor het door anderen uit de groep uitgeoefende geweld.
Uit het dossier blijkt dat [naam benadeelde 2] door een ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd. Uit foto’s in het dossier blijkt dat zijn kleding beschadigd is geraakt door bloedvlekken. De rechtbank zal de vordering, op dezelfde gronden als die van [naam benadeelde 1] , toewijzen ten aanzien van het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering in 2018 (€ 385,-) en de schade aan zijn kleding die wordt geschat op € 75,-.

[naam benadeelde 2] heeft ter zitting meegedeelddat de tandartskosten voor rekening van de verzekeringsmaatschappij zijn gekomen. Dat is dus geen schade van [naam benadeelde 2] zelf. Dat het eigen risico van de zorgverzekering in 2019 verbruikt zou zijn wegens tandartskosten kan de rechtbank niet zonder onderbouwing aannemen. [naam benadeelde 2] heeft ter zitting meegedeeld dat hij wel zijn loon heeft ontvangen van zijn werkgever. Omzetverlies van de werkgever is geen schade van [naam benadeelde 2] . Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De nadere behandeling van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit samen met – tot op heden onbekend gebleven – mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het aan [naam benadeelde 1] te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juni 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 705,-, vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 460,-. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 (honderdzestien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 dagen;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 (veertig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 705,- (zegge: zevenhonderdvijf euro), bestaande uit

€ 455,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 705,- (hoofdsom, zegge: zevenhonderdvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 14 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 460,- (zegge: vierhonderdzestig euro), bestaande uit materiële schade;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 460,- (hoofdsom, zegge: vierhonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 9 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.L. Spierings, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en D.F. Smulders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 2 juni 2018 te Brielle, op of aan de openbare weg, de Nobelstraat en/of Venkelstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig:

-slaan en/ of schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] ;

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 juni 2018 te Brielle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

-die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] te slaan en/of schoppen tegen het

hoofd en/of het lichaam.