Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2406

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/4176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. K.M. van der Boor,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2019 (primair besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand van 9 januari 2019 op grond van de Participatiewet (Pw), afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2019 (primair besluit II) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand van 24 januari 2019 op grond van de Pw, afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I ongegrond, en het bezwaar tegen primair besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROT 19/5149.

Overwegingen

1.1.

Eiser, die dakloos is, heeft sinds 12 juli 2018 een briefadres aan de [briefadres] te Schiedam (het briefadres).

1.2

Op 9 januari 2019 heeft eiser een aanvraag om bijstand gedaan. Bij brief van 14 januari 2019, door twee medewerkers van verweerder persoonlijk bezorgd op het briefadres, heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 18 januari 2019. De brief meldt dat als eiser zonder bericht van verhindering niet verschijnt, hij tot maandag 21 januari 16:00 uur de tijd heeft om telefonisch contact op te nemen met de behandelaar van zijn aanvraag. Eiser is op 18 januari 2019 niet verschenen. Met primair besluit I heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand van 9 januari 2019 afgewezen.

1.3

In diezelfde periode heeft eiser zich in persoon gemeld bij het Werkplein voor het aanvragen van bijstand, welke aanvraag hij op 24 januari 2019 doet. Bij brief van

1 februari 2019 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 8 februari 2019.

1.4

Eiser is op 8 februari 2019 op gesprek verschenen. Tijdens het gesprek heeft eiser onder andere verklaard over de verschillende slaapplaatsen die hij heeft en over waar hij zijn mobiele telefoon oplaadt. Aansluitend aan het gesprek hebben de rapporteurs voorgesteld enkele van de door eiser genoemde locaties te bezoeken zodat eiser kan laten zien waar hij overnacht en daarna naar Rotterdam te gaan zodat eiser zijn persoonlijke spullen kan tonen. Na een bezoek aan winkelcentrum de Passage in Schiedam heeft eiser kenbaar gemaakt niet verder mee te willen werken aan het onderzoek. Verweerder heeft hierop bij primair besluit II de aanvraag om bijstand van 24 januari 2019 afgewezen.

2. Aan de afwijzing van eisers aanvraag om bijstand van 9 januari 2019 legt verweerder ten grondslag dat eiser zonder bericht van verhindering niet op gesprek is verschenen op 18 januari 2019 en dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de geboden herstelmogelijkheid. Eiser heeft hiermee de voor hem geldende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand van 24 januari 2019 legt verweerder ten grondslag dat de termijn voor het indienen van bezwaar op 30 maart 2019 is geëindigd. Eiser heeft eerst op 16 april 2019 bezwaar gemaakt. Eiser heeft te laat bezwaar gemaakt en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, aldus verweerder.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was zijn aanvraag om bijstand af te wijzen. Eiser is al lang bezig met het aanvragen van bijstand en eiser doet zijn best mee te werken. Verweerder had nader onderzoek moeten doen naar eisers verblijfplaats en had hem verder moeten ondersteunen. Tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen primair besluit II voert eiser aan dat de termijnoverschrijding hem niet te verwijten valt. Eiser heeft primair besluit II eerst op 5 april 2019 ontvangen. Eiser heeft op 11 april 2019, en daarmee tijdig, bezwaar gemaakt.

De aanvraag van 9 januari 2019

4. Niet in geschil is dat de uitnodigingsbrief voor het gesprek op juiste wijze is aangeboden. Tevens staat vast dat eiser zonder bericht van verhindering op 18 januari 2019 niet is verschenen. Eiser heeft hiermee geen inzicht verstrekt in zijn woon- of verblijfplaats en verweerder heeft terecht bepaald dat het recht op bijstand hierdoor niet vast te stellen is. Het standpunt dat verweerder nader onderzoek had moeten doen kan eiser niet baten. Bij een aanvraag (om bijstand) rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de voorwaarden die moeten leiden tot inwilliging van die aanvraag zich voordoen, bij de aanvrager. De onderzoeksplicht van verweerder strekt in beginsel niet zover dat hij zelf onderzoek dient te doen naar de verblijfplaats(en) van een aanvrager om bijstand die stelt dak- of thuisloos te zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Dat eiser, naar hij stelt, moeite heeft om gehoor te geven aan oproepen van verweerder, betekent niet dat hij niet in staat kan worden geacht om op een gesprek te verschijnen of tijdig te verzoeken om uitstel van een gesprek.

De aanvraag van 24 januari 2019

5. Eiser stelt dat hij primair besluit II niet eerder dan op 5 april 2019 heeft ontvangen. Indien een belanghebbende stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van (ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.2.) Volgens vaste jurisprudentie is het, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1084). Het is dan ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat primair besluit II (op of omstreeks 15 februari 2019) aan eiser is verzonden. Contra‑indicaties kunnen meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel (eerder) moet zijn ontvangen, waarmee, zonder nader bewijs, ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft gesteld dat het bekend is dat eiser vaak zijn post niet (tijdig) ophaalt, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie als hiervoor bedoeld.

6. Verweerder heeft geen verzendadministratie overgelegd. Dat betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat primair besluit II op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend is gemaakt en dat de niet-ontvankelijk verklaring van eisers bezwaar zonder nadere motivering op dit punt geen stand houdt.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar van eiser tegen primair besluit II niet-ontvankelijk is verklaard, geen stand houdt. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe beslissing op eisers bezwaar tegen primair besluit II te nemen. Uit overweging 4. volgt dat voor zover met het bestreden besluit eisers bezwaar tegen primair besluit I ongegrond is verklaard, het bestreden besluit in rechte stand houdt.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van eiser tegen primair besluit II niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    draagt verweerder op een nieuwe beslissing op eisers bezwaar tegen primair besluit II te nemen;

  • -

    laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is gedaan op 18 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.