Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2403

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 18/6192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/6192

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] .

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: DLN Multiservice B.V., vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de verbouwing van twee winkelpanden aan de Oost Achterweg en de Voorstraat te Oude-Tonge tot zes appartementen.

Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door de heer [naam 1] en door mevrouw [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam vertegenwoordiger 1] en de heer [naam vertegenwoordiger 2] .

Overwegingen

1. Op 2 mei 2018 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de realisatie van zes appartementen op de percelen [adres perceel 1] en [adres perceel 2] en [adres perceel 3] , [adres perceel 4] , [adres perceel 5] en [adres perceel 6] te Oude-Tonge.

2. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen, onder verwijzing en met overname van het advies van de commissie bezwaarschriften van 22 oktober 2018, gehandhaafd. Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat nu het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en het voldoet aan de redelijke eisen van welstand en gesteld noch gebleken is dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2012 of met de gemeentelijke bouwverordening, er geen gronden aanwezig zijn om de omgevingsvergunning te weigeren.

4. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen getoetst aan het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de Bouwverordening, en de redelijke eisen van welstand. Indien een aanvraag daaraan voldoet, moet de omgevingsvergunning worden verleend. Dit wordt het limitatief- imperatief stelsel van de wet genoemd.

5. De gronden waarop het bouwplan ziet zijn gelegen in het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Oude-Tonge’ en hebben de bestemming ‘Centrum’ en ‘Waarde-Archeologie-1’.

Ingevolge artikel 5.1.a van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Centrum’ aangewezen gronden bestemd voor:

- wonen, met huis-aan-huisgebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ tevens wonen op de verdieping is toegestaan.

6. Eiser woont in de directe omgeving van het bouwplan en kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat uit artikel 5 van de planvoorschriften volgt dat wonen op de bovenste verdieping alleen is toegestaan als de aanduiding ‘horeca’ op het pand rust. Het bouwplan is volgens eiser tevens in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de woningvoorraad. Voorts stelt eiser dat het bouwplan leidt tot een onevenredig verlies van privacy in zijn achtertuin en woning, omdat een directe inkijk mogelijk is. Ook heeft verweerder ten onrechte nagelaten de parkeerbehoefte per woning vast te stellen terwijl de parkeerkrapte in deze wijk in het verleden al onderwerp van geschil is geweest. Tevens stelt eiser dat ten onrechte geen onderzoeksgegevens voorhanden zijn van omgevingsfactoren zoals de luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid.

strijd met het bestemmingsplan?

7. Op grond van artikel 5 van de bestemmingplanregels zijn de voor ‘centrum’ aangewezen gronden bestemd voor ‘wonen, met aan-huis-gebonden- beroepen en kleinschalige activiteiten’. Niet is geschil is tussen partijen dat de appartementen voor wonen zullen worden gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat wonen op voor ‘centrum’ aangewezen gronden zonder nadere aanduiding op alle verdiepingen van de panden is toegestaan. Uit de omstandigheid dat artikel 5.1, letter a, van de planvoorschriften toestaat dat wonen op de verdieping is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat voor zover er geen aanduiding ‘horeca’ is, wonen op de verdiepingen niet is toegestaan. Ook kan hieruit niet worden afgeleid dat ter plaatse slechts één woning of wooneenheid is toegestaan.

Verweerder heeft gelet hierop dan ook kunnen overwegen dat van strijd met het bestemmingsplan geen sprake is.

welstand

8. De welstandscommissie heeft het bouwplan niet in strijd met de redelijke eisen van welstand geacht. Verweerder heeft dit advies overgenomen. Eiser heeft hier geen gronden tegen gericht.

parkeren

9. Eiser stelt dat verweerder de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan had moeten vaststellen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van strijd met de Bouwverordening geen sprake is. Gelet hierop had eiser aannemelijk moeten maken dat op dit punt niet wordt voldaan aan de Bouwverordening. Nu eiser dat niet heeft gedaan kan deze grond niet slagen.

10. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het hiervoor overwogene het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Voorts is geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012 of de gemeentelijke bouwverordening. Er zijn daarom gelet op het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 2.10 van de Wabo geen gronden aanwezig om de omgevingsvergunning te weigeren, zodat verweerder verplicht was om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Dit betekent tevens dat er geen ruimte meer was voor verweerder om de belangen van eiser mee te wegen in het besluit. Een dergelijke belangenafweging heeft in het kader van de totstandkoming van het bestemmingplan al plaatsgevonden. Dit betekent dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de privacy, geluidsoverlast, en woningvoorraad

- wat daar verder ook van zij - niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

11. Voor zover de verwijzing door eiser ter zitting naar een weigering van een recente omgevingsvergunning in dezelfde straat een beroep op het gelijkheidsbeginsel inhoudt, is de rechtbank van oordeel dat eiser dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd.

12. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is gedaan op 19 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.