Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 20/1042
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1042

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Oversluizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Blok.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder verzoeksters aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 10 maart 2020 (bestreden besluit II), verzonden op 11 maart 2020, heeft verweerder het bestreden besluit I herzien.

De gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder zijn, vanwege bijzondere omstandigheden, op 17 maart 2020 door de voorzieningenrechter telefonisch gehoord.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

2.1

Verzoekster heeft zich op 26 augustus 2019 bij verweerder gemeld voor een bijstandsuitkering. Bij die aanvraag heeft verzoekster gesteld dat zij sinds september 2018 is gaan wonen op het adres [adres] (het adres). Bij besluit van 21 november 2019, heeft verweerder die aanvraag afgewezen omdat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres onvoldoende had aangetoond. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 14 januari 2020 (ROT 19/6439) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

2.2

Op 3 en 17 december 2019 heeft verzoekster zich wederom gemeld en op 14 januari 2020 heeft zij een nieuwe aanvraag gedaan. Zij verzoekt bijstand vanaf 26 augustus 2019. Bij brief van 30 januari 2020 is verzoekster uitgenodigd voor een gesprek bij verweerder op 6 februari 2020. Verzoekster is gevraagd de in de brief vermelde bewijsstukken, waaronder bankafschriften van 18 oktober 2019 tot en met 27 januari 2020 en bewijsstukken over de herkomst van het geld waarmee zij op 22 november 2019 haar huurachterstand van twee maanden heeft kunnen voldoen, mee te nemen. Verzoekster heeft tijdens het gesprek op 6 februari 2020 een verklaring afgelegd. Zij heeft het gespreksverslag ondertekend.

2.3.

Bij besluit van 10 maart 2020 heeft verweerder het bestreden besluit I ingetrokken en een nieuw besluit genomen. De voorzieningenrechter gaat er gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanuit dat het bezwaar mede is gericht tegen het bestreden besluit II.

3. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de onder 2.1 vermelde aanvraag van 26 augustus 2019. Verzoekster heeft geen feitelijk hoofdverblijf op het door haar opgegeven adres. Over de periode 26 augustus 2019 tot en met 12 december 2019 is sprake van een “herhaalde aanvraag”. De bijstand over deze periode (periode 1) heeft verweerder afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb, nu er niet is gebleken van gewijzigde feiten en omstandigheden. De periode vanaf 13 december 2019 (periode 2) heeft verweerder afgewezen, omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan gesteld zou kunnen worden dat wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij de nodige duidelijkheid heeft verschaft over haar woonsituatie en dat het nu aan verweerder is om haar inlichtingen op juistheid te controleren. Ten aanzien van periode 1 acht verzoekster het besteden besluit onvoldoende gemotiveerd. De bezwaarprocedure loopt nog en het is niet aan verweerder daarop vooruitlopend al een oordeel te geven. Zij wenst een uitkering vanaf 26 augustus 2019 omdat zij sindsdien bijstandsbehoeftig is. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat voor zover verweerder de aanvraag niet op grond van artikel 4:6 van de Awb heeft afgedaan, daarmee door verweerder wordt geconcludeerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden bij de nieuwe aanvraag. Omdat verweerder over de periode na 13 december 2019 geen nader onderzoek heeft gedaan, maar verwijst naar het onderzoek bij de eerdere aanvraag, is sprake van schending van de onderzoeksplicht door verweerder. Zij is op 6 februari 2020 uitgebreid gehoord en heeft verklaard over de inrichting van haar woning. Voorts is er aantoonbaar water- en energieverbruik. Zij verwijst naar een (door haar gemaakte foto) van de meterstanden.

5.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 26 augustus 2019 (de door verzoeker gewenste ingangsdatum) tot en met 10 maart 2020 (de datum van het besluit op de aanvraag). In dit geval dient bij de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd bijstand met terugwerkende kracht tot 26 augustus 2019 toe te kennen een onderscheid te worden gemaakt in verschillende periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes.

5.2.

Over de periode van 26 augustus tot en met 12 december 2019 (periode 1) heeft verweerder al eerder een besluit genomen en is dus sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag gewijzigd. Zoals de Raad tot uitdrukking heeft gebracht in zijn uitspraak van 31 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:365), brengt die wijziging mee dat voor de vraag welk toetsingskader wordt gehanteerd bepalend is op welke grondslag het bestuursorgaan de aanvraag heeft afgewezen. Verweerder heeft aan het besluit over periode 1 ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie die aanleiding gaf de eerdere aanvraag af te wijzen. Om die reden is op periode 1 het hier vermelde toetsingskader van toepassing.

5.3.

Over de periode van 13 december 2019 tot en met 10 maart 2020 (periode 2) had verweerder nog niet eerder een besluit genomen. Als een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient, ligt het voor zover de aanvraag is gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Verweerder heeft aan het besluit over periode 2 ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van de situatie die aanleiding gaf de eerste aanvraag af te wijzen. Op deze periode is het onder 5.1. vermelde toetsingskader van toepassing.

5.4

Anders dan verzoekster stelt, heeft verweerder de aanvraag voor zover die ziet op periode 1 met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft hij dat ook terecht gedaan. In hetgeen verzoekster bij deze aanvraag naar voren heeft gebracht is er ten aanzien van periode 1 niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden.

5.5.

Wat betreft periode 2 is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op het in 5.3. opgenomen beoordelingskader, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat er nu wel is voldaan aan de vereisten voor een bijstandsuitkering. Het gaat daarbij om de vraag of verzoekster haar hoofdverblijf had op het door haar aangegeven adres. Verzoekster heeft in het gesprek op 6 februari 2020 verklaard dat zij regelmatig bij anderen verblijft, slaapt en ook eet. Eveneens heeft verzoekster verklaard niet thuis te wassen. Verder heeft zij verklaard meer meubels in huis te hebben. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hoefde verweerder in de verklaring van 6 februari 2020 geen aanleiding te zien, zoals door verzoekster betoogd, om een huisbezoek af te leggen. Daarbij komt dat verweerder na het gesprek van 6 februari 2020 in de periode van 11 tot en met 21 februari 2020 waarnemingen heeft verricht bij de woning van de vader van verzoekster. Uit deze waarnemingen is gebleken dat de auto, die op naam staat van verzoekster, zeer regelmatig in de omgeving van die woning is aangetroffen. De stelling van verzoekster dat haar auto ook door haar vader en andere familieleden wordt gebruikt heeft zij niet onderbouwd. Wat betreft het door verzoekster gestelde water- en energiegebruik – daargelaten wat er zij van een mogelijk kapotte elektriciteitsmeter – heeft verweerder voldoende onderbouwd dat ook hieruit niet kan worden afgeleid is van gewijzigde omstandigheden die maken dat verzoekster nu voldoet aan de vereisten voor een bijstandsuitkering.

6. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd de De voorzieningenrechter is uitspraak te ondertekenen verhinderd de uitspraak te

ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.