Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2401

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/5928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek om voorlopige voorziening – beslissing op bezwaar ná zitting, waarbij het onderzoek is gesloten – geen connexiteit – verzoek niet-ontvankelijk verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5928

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2020 in de zaak tussen

Bouwcombinatie Wijnhaven C.V., verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

Accresco Vastgoed XIX B.V., te Rotterdam, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Accresco Vastgoed XIX B.V. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het handelen in strijd met de regels voor ruimtelijke ordening aan [adres] in Rotterdam.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. A.J. van der Vlist en

mr. S. Pellens. Namens vergunninghoudster zijn mr. C.L. Verhoeff en [naam 3] verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Door omstandigheden heeft de voorzieningenrechter niet binnen twee weken na de zitting uitspraak kunnen doen. Verzoekster heeft op 13 december 2019 telefonisch aan de griffier meegedeeld een uitspraak van de voorzieningenrechter die de zaak ter zitting heeft behandeld te willen afwachten.

Verzoekster heeft een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een reactie ingediend.

Bij besluit van 2 maart 2020 (verzonden aan de rechtbank op 12 maart 2020) heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk is verklaard.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tijdens het bezwaar tegen het bestreden besluit. Gezien het verzoekschrift heeft verzoekster gevraagd om een voorlopige voorziening omdat zij de beslissing op bezwaar niet kon afwachten.

3. Nu gebleken is dat er inmiddels op het bezwaar is beslist, is niet langer voldaan aan de voorwaarde van artikel 8:81 van de Awb, dat er sprake is van connexiteit.

4. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt, indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.

5. De situatie omschreven in artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb is hier niet van toepassing, omdat niet voorafgaand aan de zitting een beslissing op bezwaar is genomen en het onderzoek ter zitting is gesloten. Verzoekster kan beroep instellen tegen het besluit van 2 maart 2020 en opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening indienen.

6. Gelet op het voorgaande kan de voorzieningenrechter niet meer toekomen aan een beoordeling van het verzoek.

7. Het verzoek is niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is gedaan op 19 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat. De rechter is verhinderd te tekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op 19 maart 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.