Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2397

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
10-215664-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstallen. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-215664-19

Datum uitspraak: 5 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het PPC te Den Haag,

raadsvrouw mr. H. Heere-Helmink, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 en 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 en van het onderdeel “een zonnebril” in feit 2. De verdachte ontkent een zonnebril en de boeken gestolen te hebben.

4.2.2.

Beoordeling en conclusie

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De verdachte is op 6 september 2019 aangehouden in de [naam winkel 1] op verdenking van winkeldiefstal. Bij zijn aanhouding had hij in zijn rugtas onder meer een paar schoenen en een zonnebril) verkocht bij [naam winkel 2] alsook meerdere boeken van [naam winkel 3] .

Uit de aangifte van [naam winkel 2] blijkt dat deze het paar schoenen en een zonnebril uit de winkelvoorraad mist. Uit de aangifte van [naam winkel 3] volgt dat de boeken die bij de verdachte zijn aangetroffen, boeken uit de winkel betreffen en deze boeken in de winkel ontbreken. Op de terechtzitting heeft de verdachte de diefstal van de boeken en de zonnebril ontkend.

Gelet op de verklaring van de aangever van [naam winkel 3] en het feit dat de verdachte gelijk na zijn aanhouding bij de politie heeft bekend vier boeken te hebben gestolen, acht de rechtbank feit 3 ook wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft zowel in het verhoor na zijn aanhouding als op de terechtzitting bekend dat hij een paar schoenen bij de [naam winkel 2] heeft gesloten. Dit ligt anders voor de diefstal van de zonnebril bij [naam winkel 2] . De verdachte heeft dit van meet af aan ontkend. Ander bewijs van de diefstal, dan dat [naam winkel 2] de zonnebril mist is niet voorhanden. Daarom zal hij van het onderdeel van feit 2 dat betrekking heeft op een zonnebril worden vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, inhoudende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 6 september 2019 te Dordrecht

een tas, meerdere broeken en oorbellen,

toebehoorde aan de [naam winkel 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op 6 september 2019 te Dordrecht

een paar schoenen toebehoorde aan de [naam winkel 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op 6 september 2019 te Dordrecht

meerdere boeken, toebehoorde aan [naam winkel 3] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 6 september 2019 te Dordrecht

meerdere shirts, toebehoorde aan de [naam winkel 4] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 diefstal;

2. diefstal;

3. diefstal;

4. diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft op één dag vier winkeldiefstallen gepleegd. Voorafgaand hieraan was hij net vrijgekomen uit detentie.

Dit zijn ergerlijke feiten. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij het recht op eigendom van anderen niet respecteert. Hij veroorzaakt niet alleen financiële schade maar ook overlast voor de desbetreffende winkels.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 december 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

GZ-psycholoog drs. R. Zwaan heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 17 december 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft niet meegewerkt aan het onderzoek. Vanaf het eerste moment was bij de verdachte achterdocht merkbaar ten opzichte van de psycholoog. De achterdocht heeft niet te maken met diens persoon of handelswijze, maar met een bij de verdachte aanwezige achterdochtige grondhouding.

De psycholoog heeft onvoldoende de gelegenheid gehad om een oordeel te vormen over de vraag of genoemde achterdocht mogelijk een onderdeel is van een waanachtig toestandsbeeld of dat deze meer karakterologisch bepaald is. Bij de verdachte was daarnaast sprake van een zich snel ontwikkelend geagiteerd toestandsbeeld dat ertoe heeft bijgedragen dat hij nauwelijks in staat bleek te luisteren of de psycholoog te laten uitpraten. Ten slotte viel op dat hij over een zeer beperkte beheersing van de Nederlandse taal beschikt, wat mogelijk ertoe heeft bijgedragen dat hij de psycholoog soms niet goed begreep en diens woorden ten onrechte op een paranoïde wijze inkleurde.

Indien er geen sprake is van een waanachtig toestandsbeeld (de psycholoog heeft in de beperkte tijd die hij kreeg om de verdachte te observeren geen duidelijke symptomen hiervan waargenomen) kan ten minste worden gesteld dat verdachte’s gedrag een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek.

Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek kan de psycholoog de vragen niet beantwoorden.

Reclasseringswerker Y. van der Meel, werkzaam bij GGZ Antes Advies heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 februari 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte functioneert al jarenlang op sociaal-maatschappelijk niveau zeer marginaal, alhoewel hij dit zelf anders ziet. De verdachte is al geruime tijd dakloos, zonder vast inkomen of dagbesteding. Hij zegt gekozen te hebben voor dit leven en weigert hulp of (reclasserings)bemoeienis. De verdachte zou in het verleden gediagnosticeerd zijn met een (matige) verstandelijke beperking. Er bestaat echter reeds nog veel onduidelijkheid over het psychosociaal functioneren daar deze diagnostiek sterk verouderd is. Daarbij heeft de verdachte een zorg mijdende houding waardoor dit nooit nader onderzocht heeft kunnen worden. De verdachte heeft recent zijn medewerking geweigerd aan NIFP-rapportage. In september 2019 is getracht om zowel een reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling als een schorsingstoezicht op te starten, dit is echter niet van de grond gekomen. Hij komt niet in beeld bij de reclassering en is enkel gesproken wanneer hij gedetineerd was. Ook het ATB team van Antes heeft hem beperkt in beeld en maakt zich grote zorgen om hem. Wel blijken uit zijn gedrag sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van psychische dan wel psychiatrische problematiek. De verdachte zou veelvuldig boeken stelen om vervolgens daarin te schrijven en/of tekenen in een niet-bestaande taal en deze dan te bezorgen bij bedrijven of personen. Ook zijn er meerdere politiemutaties van verward gedrag van verdachte en zou hij zich binnen de reguliere afdeling binnen de PI niet staande kunnen houden. Bij vlagen zou hij paranoïde zijn volgens informatie uit het DJI. Volgens recente informatie vanuit het PPC blijkt het steeds een stukje beter te gaan met hem. Hij krijgt op dit moment geen psychofarmaca daar hij daar niet voor open staat. Wel is hij nu bereid tot inname van medicatie voor somatische klachten. Op dit moment wordt onderzocht of er sprake is van een somatische verklaring, dan wel een psychiatrische verklaring voor het huidige toestandsbeeld. De reclassering schat het risico op recidive en het risico op onttrekking in als hoog. Gedragsbeïnvloeding en risicomanagement lijken gezien het bovenstaande noodzakelijk, echter tot op heden hebben de ingezette interventies van de reclassering of bemoeizorg niet geleid tot afname van het risico op recidive. De reclassering acht een stringent kader zoals ISD geïndiceerd. De ISD maatregel kan ook (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het PPC.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Hij is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 december 2019 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen.

De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte nog een kans te geven en geen ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank overweegt dat de verdachte eerder kansen zijn gegeven. Hij is in augustus 2019 veroordeeld met een reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling en in september 2019 geschorst uit voorlopige hechtenis door de rechter-commissaris met een schorsingstoezicht. Dit is echter telkens niet van de grond gekomen omdat de verdachte geen contact heeft met de reclassering als hij op vrije voeten is.

Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade staat thans het belang van de samenleving voorop. De veiligheid van personen of goederen vereist dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. De ernst van de begane feiten en de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen zijn daarbij meegewogen.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen. Met het opleggen van deze maatregel kan worden bereikt dat de maatschappij wordt beveiligd en de recidive van de verdachte wordt beëindigd, in elk geval gedurende genoemde periode.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] , gevestigd te Dordrecht ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 109,- aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

Toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Afwijzing van de vordering. Er is geen schade, omdat de winkel hiervoor verzekerd is.

8.3.

Beoordeling

De verdachte heeft T-shirts gestolen bij [naam benadeelde] . Deze shirts zijn beschadigd, omdat de labels eraf getrokken waren.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat deze schade reeds zou zijn vergoed is niet gebleken. De vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 september 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten van eventuele tenuitvoerlegging.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 109,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De vervangende gijzeling wordt gesteld op nul dagen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;


gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , sports Unlimited retail BV, gevestigd te Dordrecht, te betalen een bedrag van

€ 109,- (zegge: honderdnegen euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 109,- (hoofdsom, zegge: honderdnegen euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 109,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en J.S. van den Berge, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 september 2019 te Dordrecht

een tas, één of meerdere broeken en/of oorbellen, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [naam winkel 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 6 september 2019 te Dordrecht

een paar schoenen en/of een zonnebril, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [naam winkel 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 6 september 2019 te Dordrecht

één of meerdere boeken, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam winkel 3] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 6 september 2019 te Dordrecht

één of meerdere shirts, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [naam winkel 4] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

(art 310 Wetboek van Strafrecht)