Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2392

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
C/10/543758 / HA ZA 18-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Albatros. Verzekeringsrecht. Diefstalschade verzwegen? Voorlopige dekking. Afwijzing na bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2020/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/543758 / HA ZA 18-97

Vonnis van 4 maart 2020

in de zaak van

naamloze vennootschap

DE VEREENDE N.V.,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer,

tegen

naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de Vereende en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de akte na tussenvonnis van De Vereende;

  • -

    de akte van Reaal;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 september 2019;

  • -

    het faxbericht van mr. Van Rossenberg van 2 oktober 2019 dat Reaal geen getuigen wenst voor te brengen;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van De Vereende;

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van Reaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 6 maart 2019 is de Vereende toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [naam bedrijf 1] op de vraag naar het schadeverleden op het aanvraagformulier de diefstal uit 2009 niet heeft vermeld, met de opzet om Reaal te misleiden.

2.2.

De Vereende heeft bij akte producties 19 tot en met 23 overgelegd.

2.3.

Productie 19 is de dagvaarding van 23 december 2011 in de procedure tussen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna tezamen ook: [naam partij] ). In deze dagvaarding staat onder meer het volgende:

56.

[naam bedrijf 1] merkt nog op dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vraag met betrekking tot de mededelingsplicht betrekking had op schades aan het schip, het casco;

(…)

57. In 2009 vond er een diefstal plaats naast slechts een zeer geringe cascoschade, en nu diefstal in de ogen van [naam 4] geen cascoschade was en dus niets met de staat van het schip te maken had noch met de hoedanigheid van de verzekerden (het morele risico), meende [naam 4] ( [naam bedrijf 1] ) dat hiervan geen melding gemaakt hoefde te worden bij de beantwoording van de vraag in kwestie.

[…]

67. Onder begeleiding van [naam 3] heeft [naam 4] namens [naam bedrijf 1] het vragenformulier ingevuld. Daarbij heeft [naam 4] de vraag aldus begrepen, dat het schadeverleden waarnaar navraag gedaan werd, betrekking zou moeten hebben op die voorvallen die verzekerd zijn. Nu een groot deel van de schade betrekking had op een diefstal, verkeerde [naam 4] in de overtuiging daarvan geen melding te hoeven maken. Ook [naam 3] heeft hierover niets gezegd en heeft [naam 4] onder diens toeziend oog de betreffende vraag verkeerd laten aankruisen. […]

2.4.

Productie 20 is de conclusie van antwoord in de procedure tussen [naam bedrijf 1] en [naam 3] . Bij deze conclusie van antwoord is als productie 14 een door [naam 3] (hierna ook [naam 3] te noemen als dat niet tot misverstand kan leiden en anders [naam 3] ) ondertekende getuigenverklaring van 24 januari 2012 overgelegd, waarin – voor zover relevant – het volgende staat:

“Voor 7 oktober 2010 heb ik met de heer [naam 4] een regulier onderhoudsgesprek gevoerd. Hij kwam met de vraag of ik een offerte kon aanvragen voor een casco verzekering voor het motorkraanschip Albatros dat in eigendom was van [naam bedrijf 1] Er liep een polis via AON ( [polisnummer] ) welke hij mij op 7 oktober 2010 heeft toegemaild (de premiebedragen had hij onleesbaar gemaakt). In deze polis was schade aan motoren en/of voortstuwingsinstallaties van dekking uitgesloten en bij schade zou een aftrek nieuw voor oud plaatsvinden. De heer [naam 4] gaf aan dat hij vervangingswaarde wilde verzekeren en ook schade aan voortstuwingsinstallaties.

Op 20 april 2011 heb ik het aanvraagformulier met de heer [naam 4] doorgenomen. Ik kan mij niet herinneren hoe dit gesprek precies is verlopen. Ik voer dit soort gesprekken dagelijks. Ik weet wel zeker dat ik altijd dezelfde werkwijze hanteer en dat ik die werkwijze ook hier moet hebben gevolgd. Ik vul het vragenformulier in samen met de klant. Daarbij stel ik de klant de vragen die in het formulier worden gesteld. De klant geeft antwoord en ik vul dat antwoord in. Als er onduidelijkheden zijn dan bespreken wij dat. Als het aanvraagformulier is ingevuld vraag ik de klant om dit te ondertekenen. Op het aanvraagformulier heb ik ingevuld dat er geen schadeverleden is met betrekking tot dit motorkraanschip en dat er geen verzekeringsverleden is (opzeggingen, premieverhogingen of beperkende voorwaarden). Het kan niet anders zijn dan dat ik deze vragen aan de heer [naam 4] heb voorgelezen en dat hij toen op beide vragen ‘nee’ heeft geantwoord. Ik ben daar heel zeker van.

[…]

In de dagvaarding is opgenomen onder punt 57 dat de heer [naam 4] heeft gedacht dat hij de geringe diefstalschade in 2009 niet behoefde te vermelden. Ook dit heeft hij niet met mij besproken, anders had ik hem geadviseerd er wel melding van te maken, maar te benadrukken dat de diefstal niet verwijtbaar was aan verzekerde.

In het aanvraagformulier staat – zoals standaard het geval is – vermeld dat de verzekerde verplicht is om de vragen over het verzekeringsverleden, schadeverleden en strafrechtelijk verleden zo volledig mogelijk te beantwoorden en dat een niet juiste of onvolledige beantwoording gevolgen kan hebben voor de dekking. Ik benadruk dit ook altijd in mijn gesprekken met klanten als wij deze vragen doornemen.

Pas op 1 augustus 2011 heb ik kennis genomen van het schadeverleden met betrekking tot dit motorkraanschip, omdat op 27 juli 2011 door Reaal is gevraagd naar een door AON opgestelde schadestatistiek van de afgelopen 4 jaar. Deze gegevens kunnen wij niet opvragen bij AON. Op mijn verzoek heeft de heer [naam 4] de schadehistorie opgevraagd bij AON en op 1 augustus 2011 heb ik dit overzicht per email van hem ontvangen. […]”

2.5.

Productie 21 is het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2012 in de procedure tussen [naam bedrijf 1] en [naam 3] . Hierin staat – voor zover relevant – het volgende:

[naam 4] :

[…] Het aanvraagformulier voor de onderhavige verzekering heb ik samen met [naam 3] op een avond in mijn kantoor ingevuld. Het formulier was vooraf gedeeltelijk ingevuld door [naam 3] . Ter zake de vraag met betrekking tot het schadeverleden van het schip hebben we uitvoerig stilgestaan bij de vraag of het schadevoorval van een diefstal van eind 2009 ook vermeld moest worden. [naam 3] heeft aangegeven dat dit niet hoefde. [naam 3] wist dan ook van deze diefstal. […]

Op 11 november 2011 heb ik met [naam 3] de hele gang van zaken nog eens besproken, waarbij [naam 3] heeft toegegeven dat hij op de hoogte was van het feit dat zich eind december 2009 een diefstal had voorgedaan en dat deze diefstal onderwerp van gesprek is geweest tijdens het invullen van het aanvraagformulier. De heer [naam 5] , een medewerker van mij, was aanwezig tijdens dit gesprek. Voorts heb ik een bandopname van dit gesprek gemaakt. Ik kan het dus bewijzen als dat nodig blijkt te zijn.

[naam 3] :

Ik kan me niet meer herinneren dat ik heb gezegd dat de diefstal niet gemeld hoefde te worden. Wel zou het kunnen dat ik heb gezegd dat verhaalbare schades niet gemeld hoeven te worden, omdat de verzekeraar dit niet als een schade ziet. Ik voer dit soort gesprekken vrijwel dagelijks. Ik weet dan ook niet meer of ik dat ook tegen [naam 4] heb gezegd. […]

Ik kan me niet herinneren dat er tijdens het gesprek op 11 november 2011 naast mij en [naam 4] nog iemand aanwezig was. Ik ken geen de heer [naam 5] . Voorts was ik niet op de hoogte van het feit dat [naam 4] een bandopname heeft gemaakt van het gevoerde gesprek. […]”

2.6.

Productie 22 is de memorie van grieven in de procedure in hoger beroep tussen [naam bedrijf 1] en [naam 3] . Bij deze memorie van grieven is als productie 2 een door [naam 3] ondertekende getuigenverklaring van 11 september 2012 overgelegd, waarin – voor zover relevant – het volgende staat:

“In aanvulling op mijn eerdere verklaring (prod. 14 bij conclusie van antwoord) verklaar ik dat ik op 20 april 2011 niet wist dat er met betrekking tot het te verzekeren motorkraanschip sprake was geweest van schades. Ik was niet bekend met een diefstal van de grijper in 2009, […]. Pas op 1 augustus 2011, toen ik het overzicht van AON met betrekking tot het schadeverleden ontving, ben ik met schadevoorvallen bekend geworden. Als ik op 20 april 2011 bij het invullen van het aanvraagformulier geweten had dat er sprake was geweest van een schade aan het schip, dan had ik [naam 4] zeker geadviseerd om dit te melden. Ik weet zeker dat ik [naam 4] niet heb gezegd dat hij deze diefstal niet behoefde te melden. Dat kan ik niet gezegd hebben, omdat ik mij als financieel dienstverlener niet kan veroorloven medewerking te verlenen aan het achterhouden van dit soort belangrijke informatie.

Bij de rechter in Leeuwarden heb ik gezegd dat ik het gesprek van 20 april 2011 niet meer kan herinneren en dat ik hoogstens gezegd zou kunnen hebben dat een verhaalbare schade niet gemeld behoeft te worden, omdat verzekeraars dit niet zien als een schade. Daarmee bedoelde ik toe te lichten dat ik niet gezegd kan hebben dat [naam 4] geen melding behoefde te maken van een diefstal van een grijper in 2009 waarvoor verzekeraars ruim € 18.000,- hebben uitgekeerd. Ik ging er van uit dat het de rechter duidelijk was dat ik het niet eens was met de verklaring van [naam 4] . Mr. Leerink heeft dat in de zitting nog eens namens mij gezegd.”

2.7.

De Vereende heeft tevens de heer [naam 3] en de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) als getuigen laten horen.

2.8.

[naam 3] , heeft – voor zover relevant – het volgende verklaard:

“[…] Ik begrijp dat het gaat om een gesprek uit 2011, maar ik heb aan dat gesprek eigenlijk geen herinnering meer, het is te lang geleden. U houdt mij voor: de bij akte van 17 april 2019 als productie 14 bij de conclusie van antwoord van de procedure in Leeuwarden overlegde verklaring. Ik herken die verklaring, dat is de verklaring die ik ook nog voor deze zitting heb ingezien. Het is mijn handtekening daaronder. Die verklaring is tot stand gekomen op kantoor bij mr. Leerink. Ik heb hem verteld wat er gebeurd is en wij hebben samen deze tekst opgesteld. Ik was er toen van overtuigd dat die tekst juist was en ik sta er ook nu nog achter. Er staan wat details in die verklaring, die heb ik destijds in de stukken opgezocht.[…]

Bij die zelfde akte is een tweede verklaring van mij overgelegd, productie 2 bij memorie van grieven. Die is op dezelfde manier tot stand gekomen en daar sta ik ook nog achter. Ik kan mij niet herinneren waarom die verklaring toen is opgesteld.

Ik heb ook ter zitting bij de rechtbank Leeuwarden een verklaring afgelegd, ik heb die toen niet getekend en ik heb daar geen concrete herinnering aan. Er wordt mij voorgehouden dat op die zitting door de heer [naam 4] is gezegd dat ik met hem uitvoerig heb stilgestaan bij de vraag of de diefstal uit 2009 ook vermeld moest worden. Ik herinner mij dat niet. Ook het gesprek van 11 november 2011 waarover [naam 4] op die zitting heeft verklaard kan ik mij niet herinneren. Ik geloof niet dat ik ooit een gesprek met [naam 4] heb gehad waarbij een zekere [naam 5] aanwezig was.

[…] In algemene zin is het zo dat als een klant tegen mij bij wijze van antwoord op een vraag ‘nee’ zegt, ik niet doorvraag. Ik lees de vraag voor en ik neem het antwoord op het formulier over. Als ik verklaar dat ik extra nadruk heb gegeven aan de slotpassage van het aanvraagformulier waar het belang van het naar waarheid invullen is vermeld, bedoel ik daarmee dat ik dat nog een extra heb voorgelezen. Het was niet mijn gewoonde om te vragen of de klant wel zeker was van zijn antwoorden. Meer in het algemeen vroeg ik daar niet op door. Het komt wel eens voor dat nieuwe verzekerden mij bekend zijn als probleemgevallen, maar dat was bij [naam 4] en [naam bedrijf 1] niet aan de orde. Het komt ook wel eens voor dat een klant zegt dat hij gedoe heeft gehad met verzekeraars en dat hij liefst zo weinig mogelijk opgeeft, maar daar werk ik niet aan mee. Ik kan niet voor mijn rekening nemen om aan verzekerden te zeggen dat bepaalde schades niet opgegeven hoeven te worden, hoewel daar wel naar gevraagd wordt. Dat leidt alleen maar tot problemen en dat doe ik dus niet. Ik herinner me overigens niet dat [naam 4] iets dergelijks heeft gezegd. Ik kan mij ook niet herinneren of [naam 4] iets heeft gezegd over zijn bedoelingen ten opzichte van de verzekeraar Reaal.

Mij wordt gevraagd naar mijn mededeling op de zitting in Leeuwarden over verhaalbare schades die niet gemeld hoeven te worden. Ik heb daar geen herinnering aan. Meer in het algemeen kan ik zeggen dat ik met verhaalbare schades niet diefstalschades bedoel, ik heb het dan meer over bijvoorbeeld schades waar de WAM-verzekeraar van de wederpartij de schade heeft betaald.

Mijn verhouding met [naam 4] is niet zodanig dat ik anders dan de waarheid verklaar over de inhoud van gesprekken. Hij en [naam bedrijf 1] zijn geen klant meer, maar ik ben niet boos op hem.”

2.9.

[naam 4] , (middellijk) statutair directeur van [naam bedrijf 1] , heeft – voor zover relevant – het volgende verklaard:

“[…] Ik hoor dat er wordt gevraagd naar een mededeling van mr. Leerink in de akte van 17 april 2019 over de bandopname en ik hoor mr. Leerink toelichten dat daarover gesproken is in de marge van de zitting van juni 2018, waar ik aanwezig was en mijn advocaat, mr. Voskamp ook, of mogelijk in het kader van de voorbereiding van de eerste procedure. Ik herinner mij dat niet. Het kan best, mijn geheugen is niet zo goed.

Ik heb [naam bedrijf 1] samen met een vennoot, mijn broer, sinds 2009. Daarvoor had ik vanaf 2004 een vof samen met mijn vader en moeder. Die is toen failliet gegaan en daarna heb ik [naam bedrijf 1] overgenomen, met mijn broer, van een weduwe. Het schip was toen al van [naam bedrijf 1] en alle verzekeringen waren al geregeld. Ik heb daar dus toen niets aan hoeven doen.

[naam bedrijf 1] had haar bankzaken en verzekeringen bij Rabobank ondergebracht en toen ik van bank veranderde ben ik ook naar een andere tussenpersoon gegaan voor mijn verzekeringen. [naam 3] had een kantoor niet zo heel ver bij ons bedrijf vandaan en ik heb hem toen telefonisch benaderd. Op een gegeven moment is hij in de avond bij mij op kantoor gekomen om over de verzekeringen te spreken. […] U houdt mij voor mijn verklaring uit het p-v van de comparitie in Leeuwaarden in 2012, productie 21 bij de akte na tussenvonnis van 17 april 2019. Ik heb aan die zitting niet veel herinneringen. Als ik het u zo hoor voorlezen sta ik daar nog steeds achter. […]

Mij wordt getoond productie 12 bij de akte, het aanvraagformulier waar het om gaat. Ik zie daaronder mijn handtekening. Het handschrift waarmee het formulier is ingevuld is niet van mij en ik herken dat ook niet. In het algemeen gesproken vulde [naam 3] die formulieren in, soms al van tevoren, en hoefde ik alleen te tekenen. […]

Ik kan mij de diefstal uit 2009 nog levendig herinneren. Ik was toen machinist op het schip en het ging om een diefstal van een grijper hier in Rotterdam. Daar hebben we toen aangifte van gedaan, maar volgens mij is er nooit iemand gearresteerd. Ik heb toen een deel van de schade van de verzekering gekregen, maar [naam bedrijf 1] moest nog veel bijbetalen. Dat [naam 3] van die diefstal geweten zou hebben, zoals ik in Leeuwarden heb verteld, moet op grond van mondelinge mededelingen geweest zijn maar ik heb daar geen herinnering aan.

Ik heb niets opzettelijk verzwegen. Ik kan mij daar ook niets bij voorstellen. Die diefstal was iets waar ik geen schuld aan had en niets aan kon doen. Ik zou niet weten waarom ik die zou verzwijgen. Deze verzekering was de eerste zakelijke verzekering die ikzelf afsloot.

Inmiddels kan ik mij, nu dat zo is voorgehouden, wel herinneren dat er een gesprek met [naam 3] is geweest waar ook [naam 5] bij was. Als ik toen gezegd heb dat dat in november 2011 was zal dat kloppen. Ik heb toen met mijn telefoon een opname gemaakt, maar dat is al een paar telefoons geleden. Die opname is er volgens mij niet meer. [naam 5] is bij het gesprek geweest in die zin dat hij aan zijn bureau zat te werken in dezelfde ruimte als waar ik met [naam 3] sprak. Ik kan mij vaak achteraf niet zo goed voor de geest halen wat er in zo’n gesprek gezegd is en daarom vond ik het prettig dat [naam 5] erbij was. [naam 5] was niet bij het oorspronkelijke gesprek waar het formulier is ingevuld, dat was in de avond en [naam 5] ging altijd op tijd naar huis. Inmiddels werkt hij niet meer bij [naam bedrijf 1] . Hij is daar niet helemaal zonder problemen weggegaan, maar wij groeten elkaar op straat weer wel.”

2.10.

Reaal heeft afgezien van het doen horen van getuigen in contra-enquête.

2.11.

In het tussenvonnis van 6 maart 2019 heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dat [naam bedrijf 1] de vraag naar het schadeverleden onjuist heeft beantwoord met de opzet om Reaal te misleiden. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat de diefstal uit 2009 bekend was bij [naam 4] maar dat hij deze diefstal bij het invullen van het aanvraagformulier bewust niet heeft vermeld om zo een gunstiger beeld te schetsen dan de werkelijkheid toeliet (4.6.2). Beoordeeld moet worden of de Vereende met de door haar overgelegde producties en de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] erin is geslaagd dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat er zoveel twijfel is ontstaan dat de vaststelling die berust op het vermoeden, niet langer houdbaar is.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat de Vereende er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden in voldoende mate te ontzenuwen, mede gelet op de hiervoor genoemde overwegingen die hebben geleid tot het bewijsvermoeden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.13.

In de door de Vereende als productie 19 overgelegde dagvaarding van 23 december 2011, in de procedure tussen [naam bedrijf 1] en [naam 3] , staat dat [naam 4] in de veronderstelling verkeerde dat diefstal geen cascoschade was en dus niet gemeld hoefde te worden op het aanvraagformulier en dat [naam 3] hierover niets heeft gezegd. Dat [naam 3] ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier al van de diefstal op de hoogte was, heeft [naam bedrijf 1] toen niet gesteld. Pas tijdens de comparitie van partijen van 11 april 2012 in de procedure tussen [naam bedrijf 1] en [naam 3] heeft [naam 4] verklaard dat hij en [naam 3] uitvoerig hebben stilgestaan bij de vraag of diefstal vermeld moest worden en dat [naam 3] heeft aangegeven dat dit niet hoefde. Tijdens het getuigenverhoor in de onderhavige procedure heeft [naam 4] verklaard dat [naam 3] op grond van mondelinge mededelingen op de hoogte moet zijn gebracht van de diefstal uit 2009, maar dat hij zich dit niet meer kan herinneren.

[naam 3] heeft hiertegenover in zijn schriftelijke verklaringen van 24 januari 2012 en
11 september 2012 en tijdens zijn getuigenverklaring in deze procedure consequent verklaard dat hij niet wist van de diefstal uit 2009 en dat hij, als hij op de hoogte zou zijn geweest van de diefstal uit 2009, [naam 4] zou hebben geadviseerd die te melden op het aanvraagformulier en dat hij nooit zou hebben gezegd dat dit niet nodig was, omdat het achterhouden van belangrijke informatie tot problemen kan leiden. Ook heeft [naam 3] verklaard dat hij de slotpassage van het aanvraagformulier waar het belang van het naar waarheid invullen is vermeld, extra heeft voorgelezen, zoals hij dat altijd doet in zijn gesprekken met klanten.

Dat is een consistente en overtuigende verklaring. Dan blijft, als relevant voor het tegenbewijs, slechts over dat [naam 3] het, in 2012, blijkens zijn verklaring bij de zitting in Leeuwarden, voor mogelijk houdt dat hij tegen [naam 4] heeft gezegd dat verhaalbare schades niet gemeld hoeven worden.

2.14.

[naam 4] verklaart, zoals uit bovenvermelde citaten blijkt, niet dat [naam 3] hem in algemene termen gezegd heeft dat verhaalbare schades niet gemeld hoeven worden. Zijn verklaring houdt enerzijds in dat [naam 3] van de diefstal wist en hem anderzijds heeft gezegd dat deze niet vermeld hoefde te worden. Dat is zeer concreet, maar de verklaringen van [naam 4] vinden geen steun in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt uit niets dat [naam 3] ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier van die diefstal uit 2009 op de hoogte was. Dat ligt ook niet zonder meer voor de hand, omdat [naam 3] niet de tussenpersoon van [naam bedrijf 1] was ten tijde die diefstal. Kennelijk is er, gelet op de verklaring van [naam 4] , geen sprake van correspondentie over de afwikkeling van die diefstal die [naam 3] gezien heeft.

Daarbij komt het volgende. [naam 4] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat zijn geheugen niet zo goed is, dat hij zich vaak achteraf niet zo goed voor de geest kan halen wat er in zo’n gesprek gezegd is en dat hij het daarom fijn vond dat de heer [naam 5] bij het gesprek met [naam 3] in november 2011 aanwezig was. Dat is van belang, omdat [naam 4] heeft verklaard dat [naam 3] tijdens een gesprek op 11 november 2011 tegenover hem, [naam 4] , heeft toegegeven dat hij, [naam 3] , op de hoogte was van de diefstal en dat deze diefstal tijdens het invullen van het aanvraagformulier is besproken. Bij dit gesprek zou de heer [naam 5] aanwezig zijn geweest én [naam 4] zou van dit gesprek een opname hebben gemaakt. [naam 3] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een gesprek met [naam 4] heeft gevoerd in aanwezigheid van een derde en dat hij geen meneer [naam 5] kent. De Vereende heeft de heer [naam 5] , die [naam 4] blijkens zijn verklaring kennelijk nog zo nu en dan tegenkomt, niet als getuige laten horen. Evenmin heeft de Vereende de door [naam 4] genoemde opname in het geding gebracht. Over deze opname is in de akte na tussenvonnis opgenomen dat deze per abuis op de computer is gewist. Echter, tijdens het getuigenverhoor heeft [naam 4] verklaard dat hij de opname met zijn telefoon heeft gemaakt, dat dat al een paar telefoons geleden is en dat de opname er volgens hem niet meer is. Wat daarvan zij, het komt in deze procedure voor risico van de Vereende dat die opname niet kan worden overgelegd zodat daarmee ook geen rekening wordt gehouden. Andere bewijsmiddelen die de verklaring van [naam 4] zouden kunnen ondersteunen, ontbreken.

2.15.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Vereende met de overgelegde stukken en de getuigenverklaringen er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat [naam 4] de diefstal uit 2009 bewust niet heeft vermeld op het aanvraagformulier met de opzet om zo een gunstiger beeld te schetsen dan de werkelijkheid toeliet en aldus om Reaal te misleiden.

2.16.

Zoals in het tussenvonnis van 6 maart 2019 is overwogen, leidt een schending van de mededelingsplicht op grond van artikel 7:930 lid 5 BW tot verlies van elk recht op uitkering indien de verzekeringnemer heeft gehandeld met de opzet tot misleiding van de verzekeraar. Zoals reeds in het tussenvonnis, waarbij de rechtbank blijft, is beslist zal de vordering worden afgewezen nu de Vereende niet in het tegenbewijs is geslaagd. Dat geen sprake zou zijn van een voor de acceptatiebeslissing relevante schade maakt, anders dan de Vereende betoogt, niet dat verval van ieder recht op uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband is van belang dat het hier om een in de wet geregeld gevolg gaat, dat zijn achtergrond vindt in het belang van juiste voorlichting van de verzekeraar door de aspirant-verzekeringnemer, nu de verzekeraar immers in hoge mate afhankelijk is van de informatie van de aspirant-verzekeringnemer. Van een afwijking van deze wettelijke regeling is bij deze verzekeringsovereenkomst geen sprake geweest. Nu partijen het erover eens zijn dat deze verzekering moet worden beschouwd als een verzekering die naar aanleiding van een aanvraagformulier is gesloten werd de aspirant- verzekeringnemer met het formulier op de hoogte gesteld van de feiten die de verzekeraar toen, in beginsel, zelf als relevant beschouwde. Dat zij dat, mogelijk, toch niet waren, kan geen grond zijn om aan de opzettelijke verzwijging haar wettelijke gevolgen te ontzeggen, nog daargelaten dat de onaanvaardbaarheid niet nader is onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.

2.17.

De Vereende zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Reaal worden begroot op:

- griffierecht 3.946,00

- getuigenkosten 0,00

- salaris advocaat 4.267,50 (2,5 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 8.213,50

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

veroordeelt de Vereende in de proceskosten, aan de zijde van Reaal tot op heden begroot op € 8.213,50,

3.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.2474/106