Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2380

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
7853614 / CV EXPL 19-27361
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers menen dat de bank bij renteaanpassing van hun hypotheek teveel afkoopkosten bij hen in rekening heeft gebracht en vorderen een deel terug. Niet gebleken is dat de bank de kosten verkeerd heeft berekend. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 3, p. 137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7853614 / CV EXPL 19-27361

uitspraak: 20 maart 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

gemachtigde: mr. S. Harpman te Leusden,

tegen

de naamloze vennootschap

ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigden: mr. F.E. Vermeulen en mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eisers] ” respectievelijk “de Bank”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding van 14 juni 2019, met 26 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 6 producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 september 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de op 7 januari 2020 gehouden comparitie van partijen.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Op 24 maart 2007 is tussen [eisers] en Postbank N.V. (de rechtsvoorgangster van de Bank) een overeenkomst tot stand gekomen voor een aflossingsvrije hypothecaire lening van € 332.831,00 met een looptijd van 30 jaar, een rentevaste periode van 20 jaar en een rentepercentage van 4,6%. In de overeenkomst is vermeld dat de koop-/aanneemsom van het onderpand € 312.450,00 bedraagt en de executiewaarde een bedrag van € 343.695,00.

Op dat moment hanteerde de Bank drie risico-klassen, afhankelijk van de verhouding tussen de hoofdsom van de hypotheek en de executiewaarde van het onderpand.

2.2

Op de hypotheekovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van (de rechtsvoorgangster van) de Bank van toepassing verklaard. In deze algemene voorwaarden is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Vroegtijdig overstappen naar een ander rentepercentage

Ook voor het einde van een rentevaste of Variabele Rente periode kunt u overstappen naar een nieuwe rente met een nieuwe rentevaste periode. (…)

U kunt de rente op twee manieren verlagen: het renteverschil afkopen en het renteverschil middelen oftewel uitsmeren.

1. Het renteverschil afkopen

Wilt u het renteverschil afkopen en uw huidige rentevaste periode duurt bijvoorbeeld nog vijf jaar? De Postbank vergelijkt uw huidige hypotheekrente dan met de actuele dagrente bij een rentevaste periode van vijf jaar die we als voorbeeld namen. Op basis van het verschil tussen deze twee rentes wordt de boeterente berekend. Zodra u deze boeterente betaalt, kunt u direct overstappen naar een nieuwe rentevaste periode van uw keuze. Daarbij krijgt u de dan geldende hypotheekrente (dagrente). (…)

Extra aflossen

(…)

De precieze hoogte van de vergoeding berekenen we als volgt. Op het moment van vervroegde aflossing stellen we de resterende rentevaste periode vast. Deze resterende rentevaste periode is gelijk aan de periode vanaf uw aflossingsdatum tot:

  • -

    de eerstvolgende renteherzieningsdatum; of

  • -

    de einddatum van de looptijd van uw hypotheek, als deze einddatum vóór de eerstvolgende renteherzieningsdatum ligt.

Komt de zojuist genoemde resterende rentevaste periode overeen met een – dan bij de Postbank geldende – rentevaste periode voor nieuwe soortgelijke hypotheken? Dan stellen we het rentepercentage vast dat hoort bij de rentevaste periode voor die nieuwe soortgelijke hypotheken. Dit rentepercentage noemen we de ‘actuele rente’.

Maar komt die zojuist genoemde resterende rentevaste periode niet overeen met een – dan bij de Postbank geldende – rentevaste periode voor nieuwe soortgelijke hypotheken? Dan stellen we de ‘actuele rente’ vast op het percentage dat hoort bij de meest dichtbij gelegen lagere rentevaste periode voor nieuw af te sluiten soortgelijke hypotheken, met een minimum van één jaar.

(…)”

2.3

In 2011 heeft de Bank ingevolge artikel 7 van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (hierna: “GHF”) haar opslagenstructuur gewijzigd, in die zin dat de risicoklassen niet langer worden gebaseerd op de executiewaarde maar op de marktwaarde van het onderpand voor woningfinancieringen, de zogenaamde schuldmarktwaarde-verhouding. Vanaf mei 2014 is de Bank overgegaan van drie naar elf risico-klassen, gebaseerd op de schuldmarktwaardeverhouding.

2.4

In mei 2015 hebben [eisers] tegenover de Bank te kennen gegeven de rente op de hypothecaire lening te willen verlagen. Naar aanleiding daarvan heeft de Bank een offerte verzonden aan [eisers] , die op 1 juni 2015 door [eisers] is ondertekend. Op grond daarvan zijn partijen een rentetarief overeengekomen van € 2,9% per jaar over de hoofdsom met een rentevaste periode van 10 jaar met ingang van 1 juli 2015. In dat kader hebben [eisers] afkoopkosten c.q. boeterente van € 23.190,15 aan de Bank voldaan.

Voorts is in de offerte onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Schuld-marktwaardeverhouding

In uw rentepercentage zit een schuld-marktwaardeopslag of -korting verwerkt. De hoogte van deze opslag of korting is afhankelijk van de schuld-marktwaardeverhouding in uw situatie.

Wat is de schuld-marktwaardeverhouding?

De hoogte van deze opslag of korting is afhankelijk van de schuld-marktwaardeverhouding in uw situatie. Dit is de verhouding tussen uw totale actuele hypotheekschuld en de marktwaarde van het onderpand.

(…)

Met welke marktwaarde is uw schuld-marktwaardeverhouding bepaald?

Voor de bepaling van uw schuld-marktverhouding maken wij gebruik van de laatst bij ons bekende marktwaarde van het onderpand. Als u ons recente informatie over de waarde van uw onderpand heeft doorgegeven (bijvoorbeeld door het opsturen van een WOZ-beschikking), dan baseren we de marktwaarde op die informatie. Anders baseren wij ons op de informatie over de waarde van het onderpand die wij bij de aanvraag van uw hypotheek hebben ontvangen. De laatst bij ons bekende marktwaarde is te vinden in deze offerte.

(…)

Schuld-marktwaardeopslag 0,050%

  • -

    De schuld-marktwaardeopslag is gebaseerd op de verhouding tussen de hoogte van uw totale hypotheekschuld en de totale marktwaarde van het onderpand.

  • -

    Totale hypotheekschuld (zie overzicht) € 332.831,00.

  • -

    Marktwaarde € 384.938,40.

  • -

    (Totale hypotheekschuld / marktwaarde) x 100% = 86,463 % (schuld-marktwaardeverhouding).

(…)”

2.5

Begin 2017 hebben [eisers] kennis genomen van het rapport van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: “de AFM”) met als titel: “Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek – Uitgangspunten berekening van het financiële nadeel” (hierna: “de AFM Leidraad”). Daarop hebben zij bij de Bank duidelijkheid gevraagd omtrent de berekeningswijze van de afkoopkosten. Bij brieven van 18 mei 2017 en 16 februari 2018 aan [eisers] heeft de Bank toegelicht hoe het bedrag aan afkoopkosten van € 23.190,15 is berekend. Daaruit blijkt dat de Bank is uitgegaan van een actuele rente c.q. vergelijkingsrente van 3,8%.

2.6

Tussen partijen is een discussie ontstaan over de wijze waarop de Bank de hoogte van de afkoopkosten heeft vastgesteld.

3. Het geschil

3.1

[eisers] hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Bank te veroordelen tot:

a. de betaling van een bedrag van € 8.937,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. de betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 726,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. de betaling van de kosten van de procedure.

3.2

Aan hun vordering hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat de Bank, door uit te gaan van een onjuiste hoogte van de marktwaarde van hun woning, de afkoopsom niet heeft berekend volgens de algemene voorwaarden van 2007. De marktwaarde van 2015 dient namelijk gelijk te zijn aan de executiewaarde van 2007, zodat sprake was van een Loan-to-Value (hierna: “LTV”) van 97% (€ 332.831,00 / € 343.695,00) en [eisers] in de risicoklasse van =< 100% hadden moeten komen.

Uitgaande van een rentevaste periode van 12 jaar komt dit neer op een vergelijkingsrente van 4,1% (i.p.v. de door de Bank gehanteerde 3,8%), in welk geval [eisers] een boeterente van € 14.253,00 waren verschuldigd in plaats van € 23.190,15. Het verschil van

€ 8.937,15 wordt op de voet van artikel 6:203 BW als onverschuldigd betaald, teruggevorderd.

In de AFM Leidraad is ter zake van de LTV opgemerkt dat de vergoeding voor vervroegde aflossing niet hoger mag uitvallen door een inconsistente toepassing van de LTV bij het vaststellen van de vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente. Voor zover de Bank meent dat zij bij de berekening van de boeterente in 2015 niet gehouden was om de LTV op een consistente wijze toe te passen, is een dergelijke handelwijze in strijd met artikel 6:248 lid 1 BW.

3.3

Het verweer van de Bank strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van

[eisers] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

De AFM Leidraad ziet alleen op de vergoeding bij vervroegde aflossing, zodat deze in dit geval waar het gaat om aanpassing van de tussentijdse rente niet van toepassing is. Daarnaast wijst de Bank op de in 2011 doorgevoerde transitie van de executiewaarde naar de marktwaarde als uitgangspunt bij de berekening van de vergoeding en de bijbehorende (aangepaste) risicoklassen en stelt zij zich op het standpunt dat de bedragen die zij heeft gehanteerd bij het vaststellen van de vergoeding de juiste zijn. [eisers] hebben ten tijde van de offerte in 2015 geen informatie aan de Bank doorgegeven over de marktwaarde van de woning. De Bank is toen uitgegaan van de informatie bij de aanvraag van de hypothecaire lening, waarbij zij de marktwaarde heeft berekend door de executiewaarde van € 343.695,00 te vermenigvuldigen met een factor 1,12. Dit omdat de executiewaarde doorgaans 90% van de marktwaarde betreft.

3.4

De nadere stellingen van partijen worden, voor zover relevant, betrokken bij de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1

De aan de vordering ten grondslag gelegde onverschuldigde betaling kan niet leiden tot toewijzing van de vordering, reeds omdat de door [eisers] betaalde boeterente voortvloeit uit de overeenkomst tussen partijen van 1 juni 2015, waarbij [eisers] akkoord zijn gegaan met de offerte van de Bank van 27 mei 2015. [eisers] hebben de rechtsgeldigheid van die overeenkomst niet aangetast, zodat er geen sprake kan zijn van een onverschuldigde betaling.

4.2

Mochten [eisers] menen dat sprake is van een oneerlijk beding (zie randnummer 14. van de dagvaarding) voor het berekenen van de afkoopkosten, wordt dat standpunt om dezelfde reden niet gevolgd voor zover dat standpunt betrekking heeft op een bepaling uit de overeenkomst. De verplichting tot betaling is immers niet gegrond op een algemene voorwaarde, maar op de overeenkomst van 1 juni 2015. Voor zover deze opmerking zou slaan op het door de Bank uitgaan van een onjuiste schuld-marktwaardeverhouding is het niet onderbouwd en geeft het weer dat door de Bank een onjuiste toepassing is gegeven aan het beding maar niet dat het beding oneerlijk zou zijn.

4.3

Ten aanzien van het beroep van [eisers] op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 1 BW, omdat gedaagde de LTV niet op een consistente wijze heeft toegepast, wordt het volgende overwogen.

4.4

Tussen partijen is in geschil de vraag of de LTV moet worden berekend aan de hand van de executiewaarde (volgens [eisers] ) dan wel de marktwaarde (volgens de Bank) en wat de hoogte is van die waardes.

4.5

De kantonrechter stelt vast dat in de algemene voorwaarden van de overeenkomst van 2007 is omschreven hoe de boeterente wordt berekend in het geval van vroegtijdig overstappen naar een ander rentepercentage en in het geval van (niet boete-vrij) extra aflossen. Naar het oordeel van de kantonrechter is hier sprake van een tussentijdse renteaanpassing, maar dit punt van discussie is voor het geschil niet van belang. In beide gevallen is de actuele rente oftewel de vergelijkingsrente één van de variabelen die van belang is voor de berekening. De actuele rente is in de algemene voorwaarden omschreven als het rentepercentage dat hoort bij de – dan bij de Bank geldende – rentevaste periode voor nieuwe soortgelijke hypotheken.

4.6

Toen [eisers] in 2015 een tussentijdse renteaanpassing wensten, heeft de Bank aan

[eisers] een aanbod gedaan op 27 mei 2015. In die offerte is de boeterente door de Bank berekend op € 23.190,15. Daarbij heeft de Bank uitgebreid toegelicht hoe dat bedrag is berekend (zie r.o. 2.4.). Verder heeft de Bank voldoende gemotiveerd hoe de executiewaarde in 2007 ad € 343.695,00 is bepaald en bovendien is die waarde expliciet vermeld in de offerte van 2007 die vervolgens door [eisers] voor akkoord is ondertekend, zodat wordt uitgegaan van de juistheid van die waarde. Als gevolg van wijzigingen in de GHF heeft de bank vanaf november 2011 besloten bij het bepalen van de risico-klasse niet langer uit te gaan van de executiewaarde als grondslag, maar de marktwaarde van het onderpand. Niet kan worden gezegd dat dit in strijd is met de algemene voorwaarden, nu in de algemene voorwaarden bij de berekening van de boeterente in het geval van een renteaanpassing niets is vermeld over de executiewaarde dan wel de marktwaarde. De handelwijze komt de kantonrechter ook niet onredelijk of onbegrijpelijk voor, aangezien de aanpassing verband houdt met wijzigingen in de GHF, een gedragscode die als doel heeft de consument te beschermen tegen te hoge hypotheken en tot stand is gekomen met betrokkenheid van het Ministerie van Economische Zaken, DNB en andere belangenorganisaties.

4.7

De stelling van [eisers] dat de marktwaarde van 2015 gelijk is aan de executiewaarde van 2007 en de Bank derhalve is uitgegaan van een onjuiste marktwaarde, is door de Bank gemotiveerd betwist en door [eisers] in het geheel niet onderbouwd.

De kantonrechter volgt de Bank in haar verweer dat zij bij de omrekening van de executiewaarde naar de marktwaarde een factor 1,12 heeft gebruikt, omdat het in de markt breed gedragen is dat de executiewaarde 90% bedraagt van de marktwaarde. Daar komt bij dat in de offerte van 2015 expliciet is vermeld dat [eisers] de schuld-marktwaardeverhouding kunnen wijzigen tijdens de lopende rentevaste periode. [eisers] dienden daarvoor zelf een verzoek in te dienen. Ten tijde van de offerte hebben

[eisers] echter geen bezwaar gemaakt tegen de berekening van de in de offerte vermelde marktwaarde van € 384.938,40, noch hebben zij daarna een verzoek tot wijziging van de schuld-marktwaardeverhouding ingediend. Uitgegaan wordt derhalve van de juistheid van de door de Bank gehanteerde marktwaarde en dus ook van de in de offerte vermelde schuld-marktwaardeverhouding / LTV van 86,463%. Als productie 3 heeft de Bank een overzicht overgelegd met de in 2015 geldende LTV’s met de daarbij behorende risico-opslagen. Daaruit valt te herleiden hoe de Bank bij een actuele rente van 3,8% (3,75% + LTV-opslag van 0,050%) is gekomen. En dat stemt overeen met de toelichting die de Bank bij brieven van 18 mei 2017 en 16 februari 2018 aan [eisers] heeft verstrekt.

De door [eisers] voorgestane berekening van de boeterente kan om die reden niet kloppen.

4.8

Dat leidt tot het oordeel dat het beroep van [eisers] op artikel 6:248 lid 1 BW wordt verworpen.

4.9

De vordering van [eisers] wordt op alle onderdelen afgewezen.

4.10

Als de in het ongelijk gestelde partij worden [eisers] veroordeeld in de kosten van procedure.

4.11

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Bank vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan nasalaris, indien [eisers] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook zijn [eisers] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

775