Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2369

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
20/1064
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

“Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Strijd met het bestemmingsplan. Geen concreet zicht op legalisatie. Handhavend optreden is niet onevenredig. Begunstigingstermijn is niet te kort.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1064

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. E. Tamas,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, verweerder,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

met als derde partij: recreatieschap Voorne-Putten (hierna: recreatieschap),

gemachtigde: mr. H.A. van Basten.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd en verzoekster gelast het in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) gebruiken van het pand aan de [adres] (hierna: het pand) voor bewoning te beëindigen, en beëindigd te houden door het pand te verlaten met medeneming van persoonlijke bezittingen. Aan het besluit is een begunstigingstermijn verbonden die eindigde op 2 maart 2020 om 10.00 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. A. Pol. De gemachtigde van het recreatieschap is verschenen, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

1. Op 18 februari 2020 heeft het (bestuur van het) recreatieschap verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de illegale bewoning van het pand. Het pand en het perceel waarop het pand is gelegen, kadastraal bekend Bernisse, [sectie] nummer [sectienummer] , is eigendom van het recreatieschap. Verweerder heeft verzoekster bij brief van 20 februari 2020 meegedeeld voornemens te zijn handhavend op te treden. Verzoekster heeft geen zienswijze ingediend.

2.1.

Op grond van artikel 2.1 , eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

2.2.

Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Recreatiegebied Bernisse” (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming ‘Recreatie-Dagrecreatie’ met de functieaanduiding ‘horeca’.

Op grond van artikel 7.1 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) zijn de voor ‘Recreatie-Dagrecreatie’ aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. Dagrecreatie en watersport;

b. Ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ tevens horeca uit ten hoogste horeca categorie 3;

(..)

Op grond van artikel 1.31 van de planvoorschriften wordt onder ‘dagrecreatie’ verstaan: een dagtocht of uitstapje zonder dat daarbij een overnachting plaatsvindt.

2.3.

Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster het pand in strijd met de planregels en daarmee ook in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor bewoning gebruikt. In het bestemmingsplan is geen interne afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° van de Wabo opgenomen. Verweerder is niet bereid medewerking te verlenen aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° en 3° van de Wabo. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van handhavend optreden. Indien verzoekster niet voor 2 maart 2020 10.00 uur het strijdig gebruik van het pand beëindigt door het pand te verlaten met medeneming van haar persoonlijke bezittingen, zal verweerder zelf uitvoering geven aan de lasten en de kosten van de toepassing van bestuursdwang op verzoekster verhalen.

4. Verzoekster stelt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en genomen dan wel dat verweerder bij het bestreden besluit geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft immers tot gedwongen ontruiming besloten van een pand dat sinds 2014 niet meer in gebruik is bij de eigenaar en waarvoor, na de uitvoering van de bestuursdwang, geen concrete plannen zijn met betrekking tot het gebruik. Verzoekster meent dat verweerder in strijd met artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) inbreuk maakt op het huisrecht van verzoekster in het pand. Naar de mening van verzoekster bestaat er geen ‘pressing social need’ om een einde te maken aan het huisrecht van verzoekster in het pand. Verzoekster stelt dat de begunstigingstermijn te kort is. Het belang van verzoekster tot behoud van het huisrecht prevaleert ten opzichte van het belang van verweerder tot toepassing van bestuursdwang, omdat verzoekster sinds medio 2019 geen inkomsten en onderdak heeft, en omdat het belang van verweerder enkel is gelegen in het beëindigen van de met het bestemmingsplan strijdige situatie van bewoning van een pand dat sinds 2014 leeg staat en dat na ontruiming wederom langdurig leeg zal staan. Verzoekster meent dat in het bestreden besluit evenmin deugdelijk is gemotiveerd om welke redenen een tijdelijke bewoning door verzoekster van het pand in strijd is met het bestemmingsplan. Een tijdelijk verblijf in een pand in een recreatiegebied is niet in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom er geen bereidheid bestaat medewerking te verlenen aan toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° en 3° van de Wabo.

5. Verzoekster heeft verklaard dat zij het griffierecht niet kan betalen en op tijd een beroep gedaan op betalingsonmacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat zij het griffierecht niet kan betalen en dat het niet betalen van het – in beginsel wel verschuldigde – griffierecht in dit geval verschoonbaar is. Het verzoek is dan ook ontvankelijk en kan inhoudelijk worden behandeld.

6. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

7. Omdat verzoekster bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit is voldaan aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb opgenomen connexiteitsvereiste. De omstandigheid dat zij geen zienswijze heeft ingediend tegen het voornemen een last onder bestuursdwang op te leggen is hiervoor niet van belang. De voorzieningenrechter acht in dit geval een spoedeisend belang aanwezig.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand door verzoekster gebruikt wordt voor bewoning. Anders dan verzoekster heeft gesteld is dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd is om verzoekster wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo een last onder bestuursdwang op te leggen. Verweerder heeft de strijdigheid met het bestemmingsplan in het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd.

Volgens vaste jurisprudentie zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden af had dienen te zien. Er bestaat geen concreet zicht op legalisatie. Verzoekster heeft immers geen aanvraag voor een omgevings-vergunning voor het gebruik van het pand voor bewoning bij verweerder ingediend. In het bestemmingsplan is bovendien geen mogelijkheid opgenomen om af te wijken van het bestemmingsplan, zodat artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wabo niet kan worden toegepast. Verweerder heeft voorts verklaard niet bereid te zijn mee te werken aan toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° en 3° van de Wabo. Niet kan worden gezegd dat verweerder zijn standpunt dat het niet gewenst is mee te werken aan het planologisch strijdig gebruik onvoldoende heeft gemotiveerd.

Voor wat betreft de mogelijke onevenredigheid van handhaving in verhouding tot de daarmee te dienen belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van verzoekster minder zwaar dienen te wegen dan het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat het recreatieschap al sinds eind 2019 (en niet pas sinds het betrekken van het pand door verzoekster) concrete plannen heeft met betrekking tot de sloop van het pand, zodat het terrein (zonder het pand) opnieuw in de markt gezet kan worden. Verzoekster heeft overigens onvoldoende onderbouwd dat met de (door verweerder op 28 februari 2020 geaccepteerde) sloopmelding niet overgegaan kan worden tot sloop van het pand. Hoewel uit het bestreden besluit niet expliciet blijkt dat verweerder de omstandigheid dat verzoekster in het pand woont heeft laten meewegen, heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting uitgebreid gemotiveerd waarom de belangen van verzoekster in dit geval minder zwaar wegen. Hierbij speelt, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, onder meer ook een rol dat het pand niet geschikt is voor bewoning. Verweerder kan dit gebrek in het nog te nemen besluit op bezwaar herstellen. De voorzieningenrechter volgt - mede gelet op het voorgaande - verzoekster niet in het standpunt dat handhaving gelet op de betrokken belangen disproportioneel is, omdat dit strijd zou opleveren met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechter van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De voorzieningenrechter volgt evenmin in haar stelling dat de begunstigingstermijn (die thans inmiddels ruim drie weken bedraagt) te kort is. Naast dat aan verzoekster door een opsporingsambtenaar reeds op 3 februari 2020 (drie dagen nadat verzoekster met vier anderen het pand had gekraakt) te kennen is gegeven dat het niet toegestaan is het pand te betrekken, volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3455) dat voor het antwoord op de vraag of verweerder de begunstigingstermijn in redelijkheid kon stellen, alleen van belang is of verzoekers binnen deze termijn aan de last konden voldoen. Dit betekent dat verzoekster aannemelijk moet maken dat de begunstigingstermijn te kort was om aan de last te voldoen. Verzoekster heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat verzoekster als gevolg van het bestreden besluit zich niet van een ander onderdak kan voorzien en haar zaken niet veilig kan verhuizen en opslaan acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder na deze uitspraak nog enkele dagen zal wachten om daadwerkelijk tot ontruiming van het pand over te gaan, zodat verzoekster gelegenheid heeft het pand (met medeneming van haar persoonlijke bezittingen) te verlaten.

9. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.