Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2362

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
10/74104219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor poging tot doodslag. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/74104219

Datum uitspraak: 12 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr. F. El Makhtari, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het bewijs is gestoeld op de verklaringen van de aangever [naam aangever] (hierna: de aangever) en twee vrienden van hem, [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Die verklaringen zijn echter onbetrouwbaar en kunnen om die reden niet voor het bewijs worden gebezigd.

Beoordeling

Vaststaat dat op 4 september 2017 bij een flat aan de Adriaan Kluitstraat te Rotterdam een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever, dat dit heeft geleid tot een worsteling, dat daarbij een vuurwapen is afgegaan en dat de aangever is geraakt en flink letsel heeft opgelopen.

Uit de verklaringen van de aangever, [naam 1] en [naam 2] volgt verder dat de verdachte de persoon is geweest die een vuurwapen bij zich had en dat hij dit wapen tijdens de ontstane worsteling is blijven vasthouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Deze zijn vrijwel direct na het schietincident afgelegd en op essentiële onderdelen gelijkluidend. Daarnaast vinden ze steun in andere bewijsmiddelen. Een en ander betekent dat de verklaring van de verdachte, die overigens ruim twee jaar na het incident is afgelegd, dat niet hij, maar de aangever en zijn vrienden het vuurwapen bij zich hadden en daarmee zouden hebben geschoten, niet geloofwaardig is.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat het de verdachte is geweest die het vuurwapen, dat tijdens de worsteling is afgegaan en de aangever heeft verwond, bij zich droeg. De vraag is vervolgens hoe dit moet worden gekwalificeerd. Hierbij is van belang dat de verdachte met een geladen vuurwapen de confrontatie met de aangever heeft gezocht en dat dit heeft geleid tot een worsteling in een kleine ruimte – de tussenhal van de flat – waarbij de verdachte het wapen is blijven vasthouden. Deze omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn toedoen het vuurwapen zou afgaan en de aangever dodelijk zou worden getroffen. De gedragingen van de verdachte zijn dus naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel, dat moet worden geconcludeerd dat hij de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Verder blijkt uit de medische verklaring dat het door de aangever opgelopen letsel als potentieel levensbedreigend moet worden aangemerkt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangever.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 04 september 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels heeft afgevuurd op die [naam slachtoffer] , waardoor die [naam slachtoffer] is geraakt in de linkerheup,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Primair,

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte heeft bij een woordenwisseling met de aangever in het portiek van een flatgebouw een geladen vuurwapen uit zijn broeksband gepakt. Toen de aangever en een van zijn vrienden probeerden het vuurwapen van de verdachte af te pakken, is een worsteling ontstaan waarbij het vuurwapen is afgegaan. De aangever is daarbij in zijn bovenbeen en lies geraakt en heeft hierdoor aanzienlijk letsel opgelopen. Dit is een ernstig strafbaar feit, gepleegd in een kleine ruimte waarbij ook anderen dan de aangever gewond hadden kunnen raken. Dergelijke schietincidenten zorgen in het algemeen in de maatschappij voor veel onrust en gevoelens van angst. Daarbij komt nog dat dit incident is gebeurd in de nachtelijke uren in een portiek van een flatgebouw waar een tienermoederhuis is gevestigd. In dit flatgebouw wonen dus meerdere jonge moeders met hun kinderen en die moeten zich juist op die plek veilig kunnen voelen. Ongetwijfeld zullen zij geschrokken zijn toen zij van dit incident hoorden. Het schietincident heeft ook veel impact op het leven van de aangever, die nog altijd hinder ondervindt van het opgelopen letsel. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van de hoogte daarvan houdt de rechtbank onder andere rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij voor zijn handelen op geen enkel moment enige verantwoordelijkheid heeft getoond. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet zij geen aanleiding.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] wonende te [woonplaats benadeelde] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 588,-- aan materiële schade, bestaande uit een bedrag van € 385,-- voor het eigen risico van zijn zorgverzekering en een bedrag van € 203,-- voor de eigen bijdrage van zijn rechtsbijstandsverzekering, en een vergoeding van € 5.300,-- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is betoogd dat de vordering wat betreft de immaterieel gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd, temeer nu deels sprake is van eigen schuld bij de benadeelde partij en daarmee bij de bepaling van de hoogte van het gevorderde schadebedrag geen rekening is gehouden. De materieel gevorderde schade is, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, wel voor toewijzing vatbaar.

8.3.

Beoordeling

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken en de rechtbank deze vordering ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen. Hierbij wordt aangetekend dat de gevorderde proceskosten niet als rechtstreekse schade van het bewezen feit kunnen worden aangemerkt, maar wel afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag van € 2.885,-- vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 september 2017.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, bestaande uit de eigen bijdrage van € 203,- ter zake van de rechtsbijstand in deze procedure en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.885,--, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld en een bedrag aan proceskosten, ten tijde van dit vonnis begroot op € 203,--.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 2.885,-- (zegge: tweeduizendachthonderdvijfentachtig euro), bestaande uit € 385,-- aan materiële schade en € 2.500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de immaterieel gevorderde schade; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 203,-- (zegge: tweehonderdendrie euro) en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.885 (zegge: tweeduizendachthonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van het bedrag van € 2.885,--, onder de bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 38 (achtendertig) dagen gijzeling kan worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels

heeft afgevuurd op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] , waardoor die [naam slachtoffer]

is geraakt in de linkerheup, althans in het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de linkerheup

met verscheuring van de linkerbekkenslagader en/of een slagaderlijke bloeding,

heeft toegebracht,

immers heeft hij, verdachte met een vuurwapen (op een korte afstand) één of

meer kogels afgevuurd op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] , waardoor die

[naam slachtoffer] is geraakt in de linkerheup, althans in het lichaam;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 september 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een vuurwapen (op een korte afstand) één of meer kogels heeft afgevuurd

op, althans in de richting van die [naam slachtoffer] , waardoor die [naam slachtoffer] is geraakt in de

linkerheup, althans in het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht