Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2358

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
10/660170-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor openlijke geweldpleging en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest en de maatregel ex artikel 38v Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660170-19

Datum uitspraak: 3 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.F.H. Tamboenan, namens mr. S. Bosmans, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 2 (twee) jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde in verband met het ontbreken van wetenschap, opzet en bewijs dat sprake is van medeplegen. De verdachte was weliswaar aanwezig bij de gepleegde feiten, maar dit is onvoldoende om te spreken van een wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde en om tot een bewezenverklaring te komen. Hij was daarnaast niet op de hoogte van de aanwezigheid van een wapen of wapens of de bedoeling dat deze zou(den) worden gebruikt.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de aangever [naam aangever] op 9 juni 2019 meermalen is geslagen, geschopt en bedreigd met een luchtdrukwapen, dat hij letsel heeft opgelopen doordat hij met dit luchtdrukwapen op vier plaatsen in zijn benen is geschoten en daarmee is geslagen en dat is getracht hem wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van de aangever en op de camerabeelden, zoals die ook ter terechtzitting zijn getoond en besproken.

Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij een afspraak heeft gemaakt met de verdachte [naam medeverdachte 1] om haar te ontmoeten.

De rechtbank heeft op de camerabeelden van de beveiligingscamera met zicht op de Waldeck-Pyrmontlaan gezien dat de aangever in de auto van de verdachte [naam medeverdachte 1] stapt, aan de bijrijderszijde.

Vervolgens komt de verdachte [naam medeverdachte 2] in beeld, die het portier van de auto aan de bijrijderszijde opentrekt. Dan komt de verdachte [naam medeverdachte 3] in beeld. De aangever stapt, na wat geduw en getrek, uit en wordt bewogen mee te lopen. De verdachte [naam medeverdachte 2] heeft de aangever daarbij vast. Vervolgens komt de verdachte in beeld en tot slot komt ook de laatste medeverdachte erbij. Op dat moment staan er vier personen om de aangever heen. De aangever kan op dat moment geen kant meer op. Nadat aangever en de vier verdachten uit het beeld van de camera verdwijnen, is te zien dat de hand van de verdachte [naam medeverdachte 1] uit het bijrijdersportier steekt en dat zij het voorportier sluit. Daarna rijdt zij rustig weg.

De rechtbank heeft op de camerabeelden, die vanuit een pand aan de Waldeck-Pyrmontlaan zijn opgenomen, gezien dat de auto van de verdachte [naam medeverdachte 3] - een Ford Focus - voor het betreffende pand stond met een aantal deuren geopend, evenals de klep van de achterbak. De aangever is in beeld met onder andere de verdachte [naam medeverdachte 2] en de verdachte.

De verdachte [naam medeverdachte 3] heeft een voorwerp in zijn handen dat oogt als een vuurwapen. Vervolgens is te zien dat de aangever naar de grond wordt gewerkt, met handen en voeten wordt opgepakt en bepaald niet zachtzinnig, terwijl aangever heftig tegenwerkt, naar de achterbak van de auto van de verdachte wordt getild. De verdachte [naam medeverdachte 2] heeft op dat moment een vrij groot en zwart voorwerp in zijn hand, dat oogt als het luchtdrukwapen, dat later ook is aangetroffen en waarmee de aangever ook blijkt te zijn beschoten.

De aangever is bezig uit de achterbak te komen en wordt weer vastgepakt. De aangever wordt weer opgetild, naar de achterbak gebracht, maar slaagt er dan in de achterklep dicht te slaan. Vervolgens is te zien dat de aangever wordt geschopt en geslagen, hij krijgt een paar flinke hoeken en er wordt heen en weer gelopen naar de auto. Wanneer de auto weer in beeld is, is te zien dat de achterklep van de auto, nadat aangever hem eerder had dichtgedaan, toch weer open staat. Tot slot is te zien dat de verdachte [naam medeverdachte 3] een gebalde vuist maakt, zijn arm van achteren naar voren brengt en uithaalt richting de aangever.

Uit de camerabeelden leidt de rechtbank af dat de aangever vanaf het begin is vastgepakt en als enige stond tegen een overmacht aan personen. De aangever kon niet weg, werd omringd door vier verdachten en is bedreigd, geslagen en beschoten met een luchtdrukwapen door de verdachte [naam medeverdachte 2] . Daarnaast is de aangever geschopt/getrapt en geslagen/gestompt door de verdachte en de verdachten [naam medeverdachte 3] en, [naam medeverdachte 2] . Er is daarbij meermalen getracht hem in de achterbak van de auto te krijgen, een auto die op dat moment met draaiende motor gereed stond. De aangever heeft zich steeds hevig verzet. Toen de achterklep door toedoen van de aangever werd gesloten, werd deze wederom geopend. Het geweld zette zich ook toen nog voort. Uit deze handelwijze leidt de rechtbank af dat het niet alleen de bedoeling is geweest van de verdachte om aangever samen geweld aan te doen, maar ook om hem in die achterbak en tegen zijn zin naar elders mee te nemen.

De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat de verdachte daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de openlijke geweldpleging en aan de poging tot wederrechtelijke vrijheidsbeneming.

De verdachte heeft een significante en wezenlijke bijdrage geleverd door zich actief te mengen in het geweld dat tegen de aangever plaatsvond. Hij heeft zich niet van het geweld gedistantieerd, maar deelgenomen aan de handelingen die tegen de aangever werden gepleegd. Daarbij heeft de verdachte de groep getalsmatig versterkt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten bij zowel de openlijke geweldpleging alsook de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 9 juni 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden,

- die [naam slachtoffer] hebben opgepakt/opgetild en daarbij vervolgens

- getracht hebben die [naam slachtoffer] in de kofferbak van een voertuig te weten een Ford te trekken en/of te duwen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 9 juni 2019 te Rotterdam met anderen, op of aan de openbare weg te weten Waldeck-Pyrmontlaan openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] , welke geweld bestond uit meermalen (met kracht) met geschoeide voeten schoppen en/of trappen en slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en met een luchtdrukwapen in de benen van die [naam slachtoffer] te schieten;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van poging tot het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

2 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De medeverdachte heeft een afspraak met het slachtoffer gemaakt, naar haar zeggen om hem te vertellen dat hij haar met rust moest laten.

Zij is op 9 juni 2019 samen met een medeverdachte gereden naar de afgesproken plaats. De medeverdachte had plaats genomen op de achterbank achter de bijrijdersstoel. Het slachtoffer is verschenen op de afspraak en heeft plaatsgenomen op de bijrijdersstoel in de auto van de medeverdachte. Omdat de ruiten van de auto geblindeerd waren had het slachtoffer van te voren niet kunnen zien dat zich nog iemand in de auto bevond. Toen hij daar net zat, werd het slachtoffer van achteren beetgepakt en bedreigd door de man op de achterbank. Korte tijd later werd het portier van de auto geopend en werd het slachtoffer gesommeerd uit te stappen. Eenmaal uitgestapt en op de openbare weg werd het slachtoffer omringd door een viertal verdachten. Hij werd geslagen, geschopt en bedreigd met - naar later is gebleken - een luchtdrukwapen. Met dat luchtdrukwapen is hij ook geslagen. Er werd geroepen dat hij zijn hesje niet meer mocht dragen. Het slachtoffer is naar de grond gewerkt, opgepakt door de verdachten en vervolgens is meermalen geprobeerd hem in de achterbak van de auto van de verdachte te stoppen. Toen het slachtoffer het desondanks voor elkaar kreeg de klep van de achterbak te sluiten, om te voorkomen dat hij daarin kon worden gestopt, is hij wederom meermalen geslagen.

Tijdens deze hele gebeurtenis is het slachtoffer met het luchtdrukpistool op vier plaatsen in zijn bovenbenen geschoten.

Dat, zoals de verdachte zegt, enkel sprake zou zijn van een gesprek met het slachtoffer volgt niet uit de feitelijke toedracht. Hieruit blijkt dat het slachtoffer hardhandig een aantal boodschappen duidelijk gemaakt moest worden gemaakt, waaronder de boodschap dat hij de dame in kwestie met rust moest laten, dat hij niet langer zijn No Surrender hesje mocht dragen en dat hij het door hem verduisterde geld moest terugbetalen. Het feit dat men hem hiertoe met man en macht in de kofferbak van een auto heeft willen stoppen, wijst naar een mogelijk nog verdergaande confrontatie. Dat deze situatie voor het slachtoffer bijzonder beangstigend moet zijn geweest, hij vreesde voor zijn leven, staat dan ook buiten kijf. Daarnaast heeft het geweld plaatsgevonden overdag en op de openbare weg in een woonwijk. Dit geweld draagt bij aan de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent de verdachte dit handelen zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten maar niet de laatste relevante vijf jaren.

7.3.2.

Rapportage

Antes (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 september 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering adviseert aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod en een locatieverbod.

De verdachte lijkt het op sociaal maatschappelijk vlak goed te doen. Er is sprake van een dagbesteding, huisvesting en geen sprake van schulden. Er zou daarnaast geen sprake zijn van problematisch middelengebruik. Eerder opgelegd reclasseringstoezicht is positief afgerond. De verdachte heeft geen hulpvragen. De kans op herhaling van het gedrag wordt gezien het negatief sociaal netwerk en mogelijk psychosociaal functioneren gemiddeld geschat. Een ambulante behandeling gericht op het weerbaar en assertief maken van de verdachte en mogelijke agressieproblematiek is geïndiceerd.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en rekening gehouden met de beperkte(re) rol die de verdachte in het bewezenverklaarde heeft gehad. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank vanwege de ernst van de feiten geen aanknopingspunten om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Ook zal de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbenemende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de aangever voor de duur van 2 jaren, om te voorkomen dat de aangever opnieuw met de verdachte wordt geconfronteerd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , gemachtigde mr. M. Lousberg, advocaat te Rotterdam, ter zake van de onder parketnummer 10/660168-19 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.540,40 aan materiële schade en een vergoeding van € 8.000,-- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder parketnummer 10/212888-16 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4,26 aan materiële schade en een vergoeding van € 375,-- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] voor wat betreft de reiskosten (met uitzondering van de reiskosten voor de terechtzitting), de parkeerkosten en de kosten van de ziekenhuisopname, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde toekomstige medische kosten en toekomstige reiskosten zijn nog niet gemaakt, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de kleding en de gevorderde immateriële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de officier van justitie gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] toegelicht dat in een eerder stadium aan de verdachte een voorwaardelijk sepot was uitgevaardigd, waaraan een voorwaarde tot betaling van schade was verbonden van een bedrag van € 304,26. De verdachte heeft al een deel van dit bedrag in termijnen betaald, zodat een bedrag van € 190,17 resteert. De officier van justitie heeft daarom geconcludeerd de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] tot dit bedrag toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.4.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen voor wat betreft de gevorderde reiskosten (met uitzondering van de reiskosten voor de terechtzitting) en de kosten van de ziekenhuisopname.

Met betrekking tot de schadepost ‘kleding’ acht de rechtbank het gevorderde schadebedrag van € 948,61,--, onvoldoende onderbouwd. Nu anderzijds aannemelijk is dat de kleding van de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten is beschadigd, zal de rechtbank deze schade begroten op een bedrag van € 300,-- en dit bedrag toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de gevorderde toekomstige medische kosten en reiskosten is de rechtbank van oordeel dat benadeelde partij ook daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet aannemelijk is gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn of zullen worden gemaakt.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen ervan, naar billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan desgewenst nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 juni 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.5.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.890,54, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57, 141 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam benadeelde 1] (geboren [geboortedatum benadeelde 1] te [geboorteplaats benadeelde 1] ).

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 2.890,54 (zegge: tweeduizendachthonderdnegentig euro en vierenvijftig eurocent), bestaande uit € 390,54 aan materiële schade en € 2.500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 2.890,54 (zegge: tweeduizendachthonderdnegentig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 38 (achtendertig) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. D. Visser en A.B. Baumgarten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2020.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging

opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd

te houden,

- die [naam slachtoffer] heeft/hebben opgepakt/opgetild en/of daarbij

(vervolgens)

- getracht heeft/hebben die [naam slachtoffer] in de kofferbak van een

voertuig (te weten een Ford) te trekken en/of te duwen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 282 juncto 47 en/of 45 Wetboek van Strafrecht)

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij op of omstreeks 9 juni 2019 te Rotterdam met een ander of anderen, op of

aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten

Waldeck Pyrmontlaan en/of Oranjelaan, en elk geval op of aan een openbare

weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het

publiek toegankelijke ruimte, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [naam slachtoffer] , welke geweld bestond uit meermalen, althans éénmaal (met

kracht) (met geschoeide voeten) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of

stompen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag)

en/of (vervolgens) met een vuurwapen en/of een luchtdrukwapen in een/de be(e)n(en), althans in het lichaam van die [naam slachtoffer] te schieten;

(Artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht