Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2355

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
10/117863-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor poging tot doodslag, verweren noodweer/noodweerexces verworpen. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/117863-19

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Turkije) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam,

raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2019 en 30 januari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdachte heeft weliswaar geschoten op de auto waar de heren [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] inzaten, maar hij heeft hierbij bewust gericht op de voorzijde/grill van de auto en niet op de inzittenden. Gelet hierop kan dit handelen niet als poging tot doodslag worden gekwalificeerd, maar enkel als een bedreiging, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

4.1.2.

Beoordeling

Vaststaat dat de verdachte op 6 mei 2019 te Rotterdam meermalen heeft geschoten op een auto met daarin twee personen. De verdachte heeft die dag zijn auto - een Volkswagen Polo in de Ramlehstraat te Rotterdam stilgezet en is vervolgens uitgestapt. Hij heeft een vuurwapen gepakt en (minimaal) zes keer geschoten op de auto - een Citroën C1 - die achter hem reed en waar [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] inzaten.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van poging tot doodslag en overweegt daartoe het volgende.

Uit de eigen verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 november 2019, leidt de rechtbank af dat de verdachte bewust in de richting van de auto met twee inzittenden heeft geschoten. Hij trachtte daarmee de achtervolging die volgens hem gaande was, te stoppen. De verdachte heeft hierbij benadrukt dat hij gericht op de motor van de auto heeft geschoten en niet op de inzittenden.

Op de camerabeelden die op de terechtzitting van 6 november 2019 zijn getoond is te zien dat de man die uit de Volkswagen stapt zijn vuurwapen richt op de voorkant van de Citroën C1 en schiet. De Citroën C1 rijdt achteruit. De rechtbank heeft bij het tonen van de camerabeelden op de terechtzitting waargenomen dat de verdachte bij het schieten zijn armen naar voren gestrekt heeft met het vuurwapen in zijn handen.

De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van de verdachte en de camerabeelden vast dat de verdachte met gestrekte armen gericht heeft geschoten op een auto waarin zich op dat moment twee personen bevonden. Alle zes kogelinslagen in die auto (Citroën C1) bevinden zich aan de voorzijde, waarvan één helemaal aan de bovenkant van het front op het randje van de motorkap.

Verdachte stelt niet gericht op de inzittenden te hebben geschoten en dus geen opzet op hun dood te hebben gehad. Dat die vorm van opzet bij hem aanwezig was valt evenmin op grond van ander bewijs vast te stellen. De vraag die dan voorligt is of wel voorwaardelijk opzet bij verdachte kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Verdachte heeft van betrekkelijk korte afstand gericht op de voorkant van een auto geschoten waarvan hij wist dat daarin een bestuurder en bijrijder zaten. Ook al zou hij de bedoeling hebben gehad iets lager te schieten dan waar de personen zich bevonden, en daarbij het idee hebben gehad dat de auto de afgeschoten kogels voldoende zou tegenhouden, dan heeft hij in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat die personen toch geraakt – en dan dodelijk getroffen - zouden worden. Bij slechts een lichte afwijking van de armen of de handen van de verdachte, zou de schietrichting naar boven immers hebben kunnen afwijken waardoor de inzittenden wel waren geraakt. Tevens is er de mogelijkheid van een zogenaamd ricochet schot, waarbij de kogel van richting verandert. Doordat verdachte richtte in de zeer dichte nabijheid van de personen was ook de kans op het op deze manier geraakt worden aanmerkelijk. Voorts had verdachte, terwijl hij schoot in de richting van deze personen, geen (volledige) invloed op het statisch blijven van hun positie. Ook de kans dat de auto zou gaan bewegen, hetgeen zich overigens ook voordeed, was aanmerkelijk en daarmee ook de kans dat de personen toch zouden worden geraakt.

Door op deze wijze en onder deze omstandigheden met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren op de voorkant van een auto waarin zich personen bevinden was de kans dat die personen zouden worden geraakt aanmerkelijk en evenzeer dat zij daarbij dodelijk - in hoofd of bovenlijf - zouden worden getroffen. Die kans heeft de verdachte bewust aanvaard, zo leidt de rechtbank uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte af.

Conclusie

De primair ten laste gelegde poging doodslag is wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 6 mei 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (van korte afstand) met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op en in de richting van het voertuig waarin die [naam slachtoffer 2] en die [naam slachtoffer 1] zich bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Primair,

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

5.1.

Strafbaarheid

De verdediging heeft een beroep op noodweer(exces) gedaan en ontslag van alle rechtsvervolging gevraagd. Hoewel gedaan ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, vat de rechtbank het zo op dat het beroep ook wordt gedaan met betrekking tot het primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte, voorafgaand aan het schietincident, geruime tijd in een conflictsituatie met de twee inzittenden van de auto heeft geleefd. Volgens de verdachte heeft hij meermalen concrete bedreigingen ontvangen van de zijde van (onder meer) [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , zijnde de inzittenden van de Citroën C1. Daarnaast heeft eerder die dag een ontmoeting bij het Kralingse Bos tussen hen plaatsgevonden, waarbij de verdachte door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zou zijn geconfronteerd met een vuurwapen en een mes. Toen de verdachte na deze confrontatie met zijn auto vertrok, is hij naar eigen zeggen achtervolgd door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . De verdachte was bang, voelde zich door hen ernstig bedreigd en heeft geprobeerd aan hen te ontkomen, maar dit lukte naar zijn zeggen niet. Gelet hierop was dus sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] waartegen verdachte zich had te verdedigen. Dit verweer wordt verworpen. Daartoe is het volgende redengevend.

Als er sprake zou zijn van een achtervolging, zoals door de verdediging gesteld, dan levert die enkele achtervolging nog geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe niet voldoende. Verdachte reed in zijn auto en niet valt in te zien dat hij zich niet betrekkelijk eenvoudig aan de door hem gestelde situatie had kunnen onttrekken door zijn weg te vervolgen. Het dossier bevat daarnaast geen steun voor de verklaring van de verdachte dat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] bewapend in de auto zaten. Het was juist de verdachte die de confrontatie met [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] opzocht door zijn auto te stoppen, uit te stappen, zich open en bloot op te stellen voor de auto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] om vervolgens zelf met een vuurwapen gericht te schieten. Dit levert geenszins handelen uit noodweer op.

Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft voorts een beroep op noodweerexces gedaan. De verdediging stelt dat de gehele situatie, waarbij de verdachte werd bedreigd en achtervolgd, heeft geleid tot een hevige gemoedsbeweging, onder invloed waarvan de verdachte heeft geschoten op de auto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] .

6.2.

Beoordeling

De rechtbank is hiervoor al tot het oordeel gekomen dat geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Van een eerdere noodweersituatie die al was beëindigd en waartegen de verdachte zich vanuit de gestelde gemoedsbeweging nog meende te moeten verdedigen, was evenmin sprake. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op twee personen door met een vuurwapen in de richting van die personen te schieten. Hij heeft zijn auto midden op de weg in een woonbuurt stilgezet, is uitgestapt en heeft meermalen geschoten. De inzittenden mogen van geluk spreken dat zij niet door kogels zijn geraakt. Daarnaast heeft verdachte zich totaal niet bekommerd om omstanders en buurtbewoners. Verdachte ging er zelfs van uit dat de mannen met wie hij een conflict had zelf ook bewapend waren en heeft dus tevens het risico genomen dat er zou worden terug geschoten. Hij heeft daarmee een enorm gevaar veroorzaakt voor ook volstrekt onschuldige mensen. Schietincidenten, zeker die als de onderhavige, op klaarlichte dag in een woonbuurt, zorgen voor veel angst en onrust in de samenleving. Verdachte heeft zich daar kennelijk geen rekenschap van gegeven en dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 december 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft twee rapporten over de verdachte opgemaakt, respectievelijk gedateerd op 14 augustus 2019 en 14 januari 2020. Deze rapporten houden het volgende in.

Hoewel de reclassering in haar eerste rapport concludeert geen mogelijkheden te zien om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of tot een gedragsverandering te komen, adviseert zij in haar tweede rapport om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en toezicht op te leggen. De verdachte zal daarbij moeten meewerken aan een meldplicht en ambulante behandeling, wat onder andere bestaat uit het meewerken aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortkomende behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener.

De verdachte heeft echter aangegeven geen behoefte te hebben aan begeleiding van de reclassering. Indien hij hulp nodig heeft, medisch of anderszins, kan hij terecht bij zijn huisarts, aldus de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voor een voorwaardelijk deel ziet zij geen ruimte. Mocht op enig moment reclasseringsbegeleiding aangewezen blijken dan kan dat in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling zijn beslag krijgen. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. M. Smit en J.S. van den Berge, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1]

opzettelijk van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

(van korte afstand) met een vuurwapen een of meer kogels heeft

afgevuurd op en/of in de richting van (het voertuig waarin) die [naam slachtoffer 2]

en/of die [naam slachtoffer 1] (zich bevonden),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 mei 2019 te Rotterdam

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door (van korte afstand) met een vuurwapen een of meer kogels af te

vuren op en/of in de richting van (het voertuig waarin) die [naam slachtoffer 2] en/of

die [naam slachtoffer 1] (zich bevonden);

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)