Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2350

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
C/10/592033 / JE RK 20-531
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Afwijzing verzoekschrift machtiging gesloten jeugdhulp. Beslissing zonder zitting in verband met coronavirus.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/592033 / JE RK 20-531

datum uitspraak: 17 maart 2020

beschikking

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader].

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 februari 2020, ingekomen bij de griffie op 25 februari 2020;

- de verklaring van 24 februari 2020 dat een voorziening nodig is op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder;

- de niet-instemmende verklaring van 2 maart 2020 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, aangepast op 10 maart 2020;

- het faxbericht met bijlage van de GI van 16 maart 2020;

- de e-mailberichten met bijlagen van mr. K. Logtenberg van 17 maart 2020.

Op 17 maart 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 17 maart 2020, afzonderlijk van elkaar telefonisch gehoord:

- de minderjarige [naam kind],

- de advocaat van de minderjarige [naam kind], mr. T.R. Hüpscher, waarnemend voor mr. S.R. Kwee,

- de moeder,

- de advocaat van de moeder, mr. K. Logtenberg,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster].

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft bij [verblijfplaats kind], locatie [locatie].

Bij beschikking van 15 juli 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot 25 juli 2020.

Bij beschikking van 15 juli 2019 heeft de kinderrechter ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot
25 juli 2020.

Het verzoek

De GI heeft een machtiging verzocht om [naam kind] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van drie maanden.

De standpunten

De GI kan zich vinden in de argumenten van de gedragswetenschapper, zoals opgenomen in de niet-instemmende verklaring, om geen gesloten machtiging te verlenen, maar heeft het verzoek niet ingetrokken. De GI laat de beslissing over aan de kinderrechter. [naam kind] vertoont moeilijk gedrag. De GI en [verblijfplaats kind] verschillen van standpunt over wat er zou moeten gebeuren met [naam kind]. [verblijfplaats kind] en de moeder zijn van oordeel dat er naar toegewerkt moet worden dat [naam kind] vaker bij de moeder thuis is. Er vinden echter escalaties plaats tussen [naam kind] en de moeder. De GI acht het geen veilige situatie indien [naam kind] op dit moment volledig bij zijn moeder zou gaan wonen, ook niet met de inzet van intensieve begeleiding. Een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp is een heftige maatregel, gezien de leeftijd van [naam kind]. Het is moeilijk om een andere plek te vinden voor [naam kind]. Voorlopig zal hij op de huidige groep bij [locatie] moeten blijven, totdat er een goed plan is gemaakt. [naam kind] geeft aan dat hij graag bij zijn vader wil wonen.

Door en namens de moeder is verwezen naar de niet-instemmende verklaring van de gedragswetenschapper. Het risico bestaat dat de problematiek van [naam kind] zal verergeren indien hij gesloten wordt geplaatst. Uit het e-mailbericht van de groep blijkt dat [naam kind] één op één begeleiding heeft en dat die begeleiding ook thuis kan worden gegeven. De moeder is het niet eens met een overplaatsing van [naam kind] naar een besloten/gesloten groep. Duidelijk is dat [naam kind] hulpverlening nodig heeft, maar een plaatsing op een besloten/gesloten groep is te vergaand.

Namens en door [naam kind] is, onder verwijzing naar de niet-instemmende verklaring van de gedragswetenschapper, verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. [naam kind] wil niet gesloten geplaatst worden. Sinds enkele weken gaat het beter met hem. Hij zou graag bij zijn vader willen wonen.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, van de Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.2, zesde lid, van de Jeugdwet de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [naam kind] sinds januari 2019 op een open behandelgroep van [locatie] ([verblijfplaats kind]) verblijft. [naam kind] is gediagnosticeerd met onder meer PTSS en hechtingsproblematiek. Er bestaan tot veel zorgen over de emotieregulatie van [naam kind]. Hij kan fysiek en verbaal agressief gedrag vertonen op de groep. Ook in de thuissituatie bij de moeder is sprake van escalaties. Door de onrust die [naam kind] ervaart is het niet mogelijk gebleken om zijn traumatherapie voort te zetten.

De gedragswetenschapper concludeert in haar verklaring van 2 maart 2020 dat de opgroeiproblematiek van [naam kind] vraagt om een gespecialiseerde behandeling, die tot nu toe onvoldoende heeft plaatsgevonden. De huidige setting is in de loop van de plaatsing steeds minder gaan aansluiten bij de hulpvraag van [naam kind] en zijn moeder, met als gevolg dat er een mismatch is ontstaan en de basis voor de noodzakelijke individuele- en systeembehandeling ontbreekt. Dat die ontbrekende basis uitsluitend tot een gesloten vorm van jeugdhulp kan en moet leiden, wordt door de gedragswetenschapper niet onderschreven. Alternatieve vormen van hulp lijken niet overwogen te zijn, terwijl er contra-indicaties voor gesloten jeugdhulp zijn. Naar het oordeel van de gedragswetenschapper wegen de nadelen van een gesloten behandeling niet op tegen de voordelen van meer fysieke begrenzing. De gedragswetenschapper stemt daarom niet in met de verklaring van de GI dat gesloten jeugdhulp voor [naam kind] noodzakelijk is.

Nu aan het formele vereiste van artikel 6.1.2, zes lid, van de Jeugdwet niet is voldaan, zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek van de GI.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.