Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/2114, ROT 19/2115 en ROT 19/2116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

naheffingsaanslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 19/2114, ROT 19/2115 en ROT 19/2116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop


Verweerder heeft eiser bij beschikking van 1 oktober 2018 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 63,67, bestaande uit € 1,67 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 62,- aan kosten naheffing.

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 8 oktober 2018 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 63,67, bestaande uit € 1,67 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 62,- aan kosten naheffing.

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 2 oktober 2018 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 63,67, bestaande uit € 1,67 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 62,- aan kosten naheffing.

Bij uitspraken op bezwaar van 16 januari 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brieven van 31 januari 2019 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2020. Eiser is niet verschenen. Verweerder is, na telefonische afmelding, eveneens niet aanwezig.


Overwegingen

1. Op 1 oktober 2018 om 15:15 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kentekennummer] ) stond geparkeerd op locatie Hulkstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.

Op 8 oktober 2018 om 22:36 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kentekennummer] ) stond geparkeerd op locatie Hulkstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.

Op 2 oktober 2018 om 22:20 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kentekennummer] ) stond geparkeerd op locatie Buislaan te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.

2. Eiser voert aan dat hij de verhuizing van zijn familie op 10 september 2018 heeft doorgegeven. De aanvraag voor een parkeervergunning wilde niet lukken en uiteindelijk is de aanvraag op 26 september 2018 wel gelukt en door verweerder in behandeling genomen. Eiser was in de veronderstelling dat hij vanaf dat moment ook mocht parkeren. Uit de informatie van verweerder bleek in ieder geval niet dat dat niet zo was. Voor zover dat er niet mocht worden geparkeerd met de aanvraag voor een parkeervergunning, dan is dat onduidelijk voor nieuwe bewoners.

3. De beroepsgrond, dat verweerder de naheffingsaanslagen ten onrechte aan eiser heeft opgelegd, faalt.

4. Vast staat dat eiser op voornoemde momenten heeft geparkeerd zonder dat eiser had voldaan aan zijn plicht om parkeerbelasting te betalen in de vorm van een vergunning dan wel door middel van het aanschaffen van een parkeerticket. Voorts is aan eiser op 19 oktober 2018 een parkeervergunning verstrekt. Dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat hij met het indienen van de aanvraag om een parkeervergunning direct met de desbetreffende auto had mogen parkeren komt voor zijn rekening en risico. Het feit dat een aanvraag is geslaagd en in behandeling is genomen, maakt nog niet dat de vergunning daarmee ook is toegekend. Dat dient in besluitvorm te worden opgemaakt. Dit om een betrokkene in de gelegenheid te stellen om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden als dat nodig is. Er is verder niet gebleken van ondubbelzinnige toezeggingen van de zijde van verweerder dat met het aanvragen van een parkeervergunning men onmiddellijk recht kon doen gelden op vergunningparkeren. Mocht het voor eiser niet duidelijk zijn geweest of hij vanaf dat moment reeds mocht parkeren dan had hij daar navraag naar kunnen doen bij verweerder. Tot slot bestond voor eiser ook de mogelijkheid om een tijdelijke parkeervergunning aan te vragen.

5.
De beroepen zijn dan ook ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van
C. Groenewegen, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).