Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/5149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie niet geleverd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5149

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. K.M. van der Boor,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: P.G. van Staalduine.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvragen om bijzondere bijstand voor advocaatkosten en griffierechten op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROT 19/4176.

Overwegingen

1. Eiser, die dakloos is, heeft sinds 12 juli 2018 een briefadres aan de [adres] .

2. Op 11 en 21 maart 2019 en op 1 en 29 april 2019 heeft eiser een viertal aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand en griffierecht gedaan. Bij brief van 25 april 2019 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor.

3. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser niet voldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- een verblijfplaats, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet uit eigen beweging onderzoek heeft gedaan naar zijn bijstandbehoevendheid.

5. Uit het procesdossier blijkt dat eiser sinds enige tijd bezig is (algemene) bijstand aan te vragen, maar dat zijn aanvragen steeds afgewezen worden omdat eiser geen gehoor geeft aan verweerders oproepen en/of geen inzicht biedt in zijn woon- of verblijfplaats. Zo zijn eisers aanvragen om bijstand van 9 januari 2019 en 24 januari 2019 ook om die reden afgewezen. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 17 maart 2020 op het beroep met zaaknummer ROT 19/4176, in welke uitspraak zij heeft geoordeeld dat (in ieder geval) de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 9 januari 2019 terecht was.

6. Verweerder heeft eiser in het kader van de hier voorliggende aanvragen om bijzondere bijstand bij brief van 25 april 2019 in de gelegenheid gesteld duidelijkheid de verschaffen over zijn woon- en verblijfplaats. Eiser is op 29 april 2019 zonder bericht van verhindering niet verschenen. Daarnaast heeft eiser geen gebruik gemaakt van de in de brief van 25 april 2019 geboden herstelmogelijkheid om vóór 1 mei 2019 15:00 uur contact met verweerder op te nemen. Anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 9 december 2019 (ROT 19/3252), is eiser dus in de gelegenheid gesteld om inlichtingen te verschaffen over onder meer zijn woon- en verblijfplaats. Nu hij dat heeft nagelaten kon verweerder het recht op bijstand niet vaststellen. Dat eiser, naar hij stelt, moeite heeft om gehoor te geven aan oproepen van verweerder, betekent niet dat hij niet in staat kan worden geacht om op een gesprek te verschijnen of tijdig inlichtingen te verschaffen. De onderzoeksplicht van verweerder strekt in beginsel niet zover dat hij zelf nader onderzoek moet doen naar de verblijfplaats(en) van een aanvrager om bijstand die stelt thuis- of dakloos te zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Verweerder heeft eisers aanvragen om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is gedaan op 18 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.