Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2320

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
C/10/585829 / FA RK 19-9780
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Van gezamenlijk naar eenhoofdig gezag. Ondanks dat de vader gezamenlijk gezag wil houden, ziet hij geen mogelijkheid om de verantwoordelijkheid die daar ook bij hoort, overleggen met de andere ouder, te dragen. Hij verklaart de eeuwige strijd met de moeder zat te zijn en verklaart, ook nadat de rechtbank de vader heeft voorgehouden dat gezamenlijk gezag dit wel vereist, niet meer met de moeder te willen overleggen over de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/42.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/585829 / FA RK 19-9780

Beschikking van 19 maart 2020 betreffende het ouderlijk gezag en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam moeder] , de moeder,

wonende te [woonplaats moeder] , [adres moeder] ,

advocaat mr. W.A. Berghuis te Dordrecht,

t e g e n

[naam vader] , de vader,

wonende te [woonplaats vader] , [adres vader] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 14 november 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad),vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

  • -

    de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West (hierna: JBW), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 27 augustus 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 juli 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2009 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Partijen hebben op 8 juli 2015 een ouderschapsplan opgesteld.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 16 december 2016 is, met wijziging van de beschikking van 31 juli 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan, een zorgregeling vastgesteld als volgt:

  • -

    [naam minderjarige] verblijft bij de vader om de twee weken van vrijdagavond 19.00 uur (na het eten bij de moeder) tot en met maandagochtend naar school, waarbij de vader [naam minderjarige] ophaalt op vrijdag bij de moeder en [naam minderjarige] maandag naar school brengt;

  • -

    tijdens het verblijf bij de vader zorgt de vader zelf dat hij kleding voor [naam minderjarige] heeft;

  • -

    na de overdracht van de gezinssituatie bij de moeder naar de gezinssituatie bij de vader, zal de vader de moeder ter geruststelling een tijdje na de overdracht een Whatsapp-bericht sturen met een foto van [naam minderjarige] .

Daarnaast werd een regeling voor de vakantie- en feestdagen bepaald.

2.6.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2019 is de minderjarige voor de duur van negen maanden onder toezicht gesteld van JBW. Op 13 december 2019 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 december 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De moeder verzoekt te bepalen dat het gezag over [naam minderjarige] alleen aan haar toekomt.

3.1.2.

De vader voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.1.4.

Het uitgangspunt van voormeld artikel is dat de ouders na het uiteengaan in beginsel gezamenlijk belast zullen worden/blijven met het ouderlijk gezag. In het algemeen wordt er dan ook van uitgegaan dat het in het belang van het kind is dat ook de niet-verzorgende ouder met het gezag is belast.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren zal raken tussen zijn ouders. Het ontbreken van een goede communicatie brengt niet zonder meer mee dat af moet worden geweken van het wettelijk uitgangspunt.

3.1.5.

Partijen bevinden zich niet langer in de situatie kort na hun echtscheiding. Partijen zijn op 18 december 2012 van tafel en bed gescheiden en dus al acht jaar uit elkaar.

De raad, Jeugdbescherming en ook partijen wel, onderkennen dat het goed zou zijn voor [naam minderjarige] als de vader met het gezag belast blijft, als dit betekent dat partijen de zorgen die zij beiden hebben over de ontwikkeling van [naam minderjarige] , met elkaar zouden bespreken en gezamenlijk een visie daarover zouden bepalen. De vader verklaart tijdens de mondelinge behandeling echter dat het partijen niet lukt samen het gesprek aan te gaan. Ook ingezette mediation heeft hierin geen verbetering gebracht. De vader is het er niet mee eens dat de moeder alleen het gezag heeft. Hij heeft maar één keer te laat gereageerd op een verzoek van de moeder om zijn toestemming voor behandeling van [naam minderjarige] te geven omdat hij eerst meer informatie wilde hebben. Voor de toekomst is de vader bereid mee te werken en zijn toestemming te verlenen. Daarnaast wil hij met het gezag belast blijven omdat hij als ouder verantwoordelijkheid voor [naam minderjarige] wil blijven dragen. De vader ziet echter geen mogelijkheid om de verantwoordelijkheid die daar ook bij hoort, overleggen met de andere ouder, te dragen. Hij verklaart de eeuwige strijd met de moeder zat te zijn en verklaart, ook nadat de rechtbank de vader heeft voorgehouden dat gezamenlijk gezag dit wel vereist, niet meer met de moeder te willen overleggen over [naam minderjarige] .

Daaruit volgt voor de rechtbank dat partijen niet in staat zijn beslissingen van enig belang over [naam minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen en niet ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [naam minderjarige] kunnen voordoen. De rechtbank zal daarom beslissen tot het beëindigen van het gezamenlijk gezag. Dit betekent niet dat impliciet wordt bepaald wie er gelijk heeft in de strijd die al acht jaar duurt. Dit betekent ook niet dat de ene ouder een betere ouder is dan de ander. Al omdat de moeder wel verzoekt tot eenhoofdig gezag en de vader niet, en overigens omdat de moeder hoofdverzorger is van [naam minderjarige] , zal de rechtbank de moeder belasten met het eenhoofdig gezag.

3.2.

Onderhoudsbijdrage

3.2.1.

De moeder verzoekt wijziging van voormelde beschikking van 31 juli 2015 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan van 8 juli 2015 in die zin, dat de

in dat ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna; kinderbijdrage) met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 14 november 2019, wordt bepaald op een bedrag van € 220,- per maand.

De moeder stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat er geen uitvoering meer wordt gegeven aan de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van

16 december 2016. In de meivakantie van 2019 is [naam minderjarige] voor het laatst bij de vader geweest. Bij de bepaling van de kinderbijdrage is destijds rekening gehouden met een zorgkorting, die is nu niet meer van toepassing.

3.2.2.

De vader verweert zich niet tegen dit verzoek maar merkt op dat, indien er in de toekomst weer wel omgang is, wat partijen allebei willen, de bijdrage weer aangepast moet worden. Partijen kwamen in het ouderschapsplan overeen dat de vader een kinderbijdrage van € 160,- per maand zou betalen. Na indexering betaalde de vader in 2019

€ 171,- per maand. Als weer sprake is van een weekendregeling zoals werd bepaald in de beschikking van 16 december 2016, meent de vader dat de bijdrage van € 171,- per maand weer van toepassing moet worden. De moeder stemt hier mee in.

3.2.3.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen.

3.3.

Proceskosten

3.3.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [naam minderjarige] voortaan aan de moeder toekomt;

4.2.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2015 en het daarvan deel uitmakende convenant en ouderschapsplan in die zin, dat de daarbij aan de vader opgelegde kinderbijdrage met ingang van 14 november 2019 wordt bepaald op € 220,- per maand en zodra [naam minderjarige] weer om de twee weken van vrijdagavond 19.00 uur (na het eten bij de moeder) tot en met maandagochtend naar school bij de vader verblijft, wordt bepaald op € 171,- per maand;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.I.J. de Roo op

19 maart 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.