Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2302

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
C/10/590953 / KG ZA 20-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Incident tot voeging. Misbruik van (proces)recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/590953 / KG ZA 20-113

Vonnis in kort geding van 21 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. J.R.F. Dessing te Rotterdam,

met als partijen die zich aan de zijde van eiseres hebben gevoegd

1 [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

advocaten mr. J.A. Meijer en mr. G. Gomez te Den Haag,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Zee te Amsterdam.

Partijen worden hierna [naam eiseres] , [eisers] en [naam gedaagde] genoemd. [eisers] (in mannelijke enkelvoud) wordt afzonderlijk [naam eiser 1] en [naam eiser 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de brief van 7 februari 2020 van mr. Dessing, met productie 5;

  • -

    de brief van 10 februari 2020 van mr. Zee, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    het faxbericht van 10 februari 2020 van mr. Zee, met producties 7 tot en met 9;

  • -

    het faxbericht van 10 februari 2020 van mr. Meijer, met een incidentele conclusie tot voeging in kort geding; voor zover nodig conclusie van eis tot voeging, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    het faxbericht van 11 februari 2020 van mr Zee, met productie 10;

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 februari 2020;

  • -

    de pleitnota van [naam eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [naam gedaagde] ;

  • -

    het faxbericht van 12 februari 2020 van mr. Dessing, met bijlage (welke toezending tijdens de mondelinge behandeling was besproken).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Op grond van de stukken, waaronder het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 12 juni 2018 in eerder tussen partijen (en enkele andere partijen) gevoerde procedures (hierna: het arrest van 12 juni 2018) en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van 11 februari 2020, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In 1997 hebben onder meer [naam gedaagde] en [eisers] [naam bedrijf 1] opgericht. [naam bedrijf 1] richt zich op de inkoop van ruwe grondstoffen om die vervolgens door te verkopen.

2.2.

[naam bedrijf 2] . is financier van [naam bedrijf 1] .

2.3.

Op 30 maart 2006 is opgericht de vennootschap [naam eiseres] . Tot bestuurder is benoemd [naam 1] (de zoon van [naam eiser 1] ).

2.4.

In 2012 zijn [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] opgericht. Zij hebben, door afsplitsing, elk een deel van het vermogen van [naam bedrijf 1] verkregen. [naam gedaagde] en [naam eiser 2] houden ieder 25% van de aandelen in de TTM-vennootschappen en [naam eiser 1] 50%. [naam gedaagde] is bij de afsplitsing bestuurder geworden van de vennootschappen.

2.5.

Vanaf 2013 zijn (aandeelhouders)geschillen ontstaan tussen partijen.

2.6.

In de loop van 2013 zijn de activiteiten van [naam bedrijf 1] op het gebied van de in- en doorverkoop van ruwe grondstoffen afgenomen, terwijl in diezelfde periode sprake is van een corresponderende toename van diezelfde activiteiten bij [naam eiseres] .

2.7.

Partijen waren en zijn verwikkeld in tientallen procedures in Nederland en in het buitenland.

2.8.

Bij beschikking van 9 november 2017 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam de [naam vennootschappen] ontbonden en een vereffenaar benoemd.

2.9.

Op 12 juni 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, een arrest gewezen in een procedure tussen [naam gedaagde] als appellant en onder meer [naam eiseres] en [eisers] als geïntimeerden (hierna: het arrest van 12 juni 2018). Dit arrest luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

zaaknummers gerechtshof 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452

(in alle gevallen zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/368244 / HA ZA 14-134)

(…)

4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de vordering in het hoger beroep

4.1

Alle procedures hebben betrekking op het in eerste aanleg door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 juni 2005 onder zaaknummer C/16/368244 / HA ZA 14-134 besliste geschil tussen partijen. [naam gedaagde] heeft in die procedure in conventie kort gezegd gevorderd te verklaren voor recht dat [eisers] en de [naam vennootschappen] tegenover hem onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden schade, onder veroordeling van deze partijen tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2

[eisers] hebben in eerste aanleg in reconventie kort gezegd gevorderd [naam gedaagde] te veroordelen de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de conventionele vordering van [naam gedaagde] afgewezen en heeft de reconventionele vordering toegewezen.

4.4

[naam gedaagde] handhaaft in het hoger beroep kort gezegd zijn oorspronkelijk conventionele vordering.

(…)

6 De beoordeling van de grieven en de vordering in alle zaken

(…)

Tussenconclusie

6.32

De conclusie moet luiden dat [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] in elk hiervoor afzonderlijk behandeld onderdeel van de stellingen van [naam gedaagde] in hun verweer zijn tekortgeschoten. Daarmee zijn de op het verslag van de Onderzoekers en de beschikkingen van de Ondernemingskamer in de enquête procedure gegronde stellingen van [naam gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken door [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] (zie hiervoor rov. 6.11-6.12) waarmee deze voor het hof als vaststaand hebben te gelden (artikel 149 Rv). Daarmee is gegeven dat zij tegenover [naam gedaagde] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de [naam vennootschappen] in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] . Daarbij weegt mee dat [naam eiser 1] en [naam eiser 2] in hun hoedanigheid van medeaandeelhouders en [naam 2] in zijn hoedanigheid van (opvolgend) bestuurder op de voet van artikel 2:8 BW zich jegens elkaar dienden te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd. Het hoeft geen nader betoog dat wat hiervoor is komen vast te staan over de gedragingen van [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] jegens medeaandeelhouder [naam gedaagde] in geen enkel opzicht in overeenstemming valt te brengen met hetgeen de norm van artikel 2:8 BW voorschrijft aan degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken.

6.33

Voor het leveren van tegenbewijs bestaat bij deze stand van zaken geen ruimte meer.

Aannemelijkheid van de kans op schade als gevolg van het handelen van [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] ?

6.34

[naam gedaagde] stelt dat hij schade lijdt, onder meer doordat zijn aandelen waardeloos zijn geworden (zogenoemde afgeleide schade, nu die schade een afgeleide is van de vermogenspositie van de [naam vennootschappen] ) en hij inkomsten heeft misgelopen die hij als aandeelhouder had kunnen genieten, en doordat hij aanzienlijke kosten maakt in zijn pogingen de toegebrachte schade te herstellen (directe schade). Het hof stelt bij de beoordeling hiervan het volgende voorop.

6.35

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in het arrest Poot/ABP van 2 december 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1564) ten aanzien van afgeleide schade overwogen dat naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid rechtspersonen zijn die zelfstandig, als dragers van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelnemen. Het vermogen van een vennootschap is afgescheiden van dat van zijn aandeelhouders. Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, dan heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de derde geldend maken. Dat ligt op de weg van de vennootschap, ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben. Slaagt zij daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden ongedaan te zijn gemaakt. Zou de vennootschap het vorderen van schadevergoeding nalaten, dan hoeven de belanghebbenden daarin niet te berusten. Het Nederlandse rechtsstelsel biedt dan voldoende mogelijkheden om het bestuur van de vennootschap tot het alsnog instellen van de vordering te nopen.

6.36

Een uitzondering op dit uitgangspunt is mogelijk als de derde tegenover de aandeelhouder een bijzondere zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en voorts aannemelijk is dat de vennootschap zelf geen vordering zal instellen of een dergelijke vordering (ondanks de mogelijkheden die het Nederlandse rechtsstelsel biedt om het bestuur daartoe te nopen) niet zal instellen met de in redelijkheid te eisen voortvarendheid en inspanning, zodat de afgeleide schade voor de betrokken aandeelhouder moet worden geacht ten laste van zijn vermogen te zijn gekomen en niet meer zal worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding van de schadeveroorzaker aan de vennootschap. De vraag of een dergelijke situatie zich hier voordoet, zal het hof hierna bevestigend beantwoorden.

6.37

Het hof heeft onder rechtsoverweging 6.32 al geconcludeerd dat [eisers] een bijzondere zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden. Vast staat dat de [naam vennootschappen] daarna door de Ondernemingskamer zijn ontbonden. Gesteld noch gebleken is hoe dan ook, dat de vennootschappen thans nog over enige reële activa beschikken of over de mogelijkheid die te verwerven. Weliswaar zal een nog te benoemen vereffenaar in actie kunnen komen, maar bij gebreke van enige activa, en gegeven het feit dat de debiteuren zich in het buitenland bevinden (die er gezien hun 'uiterst contentieuze' houding alles aan zullen doen om eventuele claims te torpederen), moet dit scenario als strikt theoretisch worden gezien. Daarmee moet het belang van [naam gedaagde] als aandeelhouder door de gang van zaken als verdampt worden beschouwd, en moet zijn schade als aandeelhouder geacht worden definitief te zijn geleden. Naar het oordeel van het hof is met die constatering de mogelijkheid van de kans op afgeleide schade gegeven.

Onrechtmatig handelen van [naam eiseres] , [naam 1] en [naam bedrijf 6] ?

6.38

[naam eiseres] wordt met name verweten dat zij de lucratieve handelsactiviteiten, inclusief kantoorpand en het personeel, van de [naam vennootschappen] heeft overgenomen, zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Door [naam gedaagde] is voorts gesteld dat [naam eiseres] en [naam 1] wisten van de onrechtmatige gedragingen van [naam 2] (volgens [naam gedaagde] hierin bestaande dat [naam 2] naliet namens de [naam vennootschappen] [naam eiseres] op de gedragingen aan te spreken). Tot slot zou [naam bedrijf 6] op haar beurt hebben geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [naam 2] , doordat zij na de materiele liquidatie van de [naam vennootschappen] houder is van 90% van de aandelen in de [naam bedrijf 7] - dat 100% van de aandelen houdt in [naam bedrijf 8] - terwijl zij daarvoor niet of in elke geval veel te weinig heeft betaald, aldus [naam gedaagde] .

6.39

Het hof heeft hiervoor, in rov. 6.32, geoordeeld [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] tegenover [naam gedaagde] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de [naam vennootschappen] in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] . [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] hebben daarbij gezamenlijk een instrumentele rol gespeeld - en wel via [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] - die heeft bijgedragen aan, en in zoverre het gevaar in het leven heeft geroepen voor het toebrengen van de hiervoor in rov. 6.37 besproken schade van [naam gedaagde] . De kans op het ontstaan van deze schade als gevolg van die instrumentele rol had [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] daarvan behoren te onthouden. De kennis en kwade opzet van de feitelijke bestuurders van deze vennootschappen, en derhalve hun onrechtmatig handelen tegenover [naam gedaagde] , heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden als handelen van de rechtspersoon en moet daarom ook aan die vennootschappen zelf worden toegerekend. Gelet daarop oordeelt het hof, met toepassing van artikel 25 Rv, dat de conclusie moet zijn dat [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] op grond van toerekening naast en tezamen met [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] tegenover [naam gedaagde] aansprakelijk zijn voor de door [naam gedaagde] geleden schade.

6.40

Voor [naam 1] kan die conclusie niet worden getrokken, nu het enkele feit dat hij formeel bestuurder is van [naam eiseres] en bovendien een zoon van sr. onvoldoende is om zodanige betrokkenheid aan te nemen dat ook zijn doen en nalaten als onrechtmatig tegenover [naam gedaagde] kan worden aangemerkt. Nadere onderbouwing is aan de tegen hem gerichte vordering niet verschaft. Voor toepassing van de leer van groepsaansprakelijkheid is wat hem aangaat geen plaats, omdat die aansprakelijkheid specifiek is geschreven voor feitelijk groepsgedrag, waarbij de rol van de individuele participanten niet kan worden onderscheiden. Daarvan is in dit geval geen sprake, en er is geen bijzondere aanleiding om [naam 1] toch op grond van deze regel aansprakelijk te achten.

Onrechtmatig handelen van de [naam vennootschappen] ?

6.41

Op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd, ziet het hof niet in dat de [naam vennootschappen] onrechtmatig tegenover [naam gedaagde] hebben gehandeld. Het handelen dat aan de eerder genoemde natuurlijke personen wordt verweten, heeft die vennootschappen immers juist nadeel toegebracht, en het is dat nadeel waaraan [naam gedaagde] zijn eigen schade ontleent.

(…)

Slotconclusies

6.43

Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis voor zover dat in conventie en in reconventie is gewezen tegen [naam eiser 1] , [naam 2] , [naam eiser 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] moet worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw recht doende, de conventionele vorderingen van [naam gedaagde] alsnog toewijzen voor zover die zijn gericht tegen deze partijen. De reconventionele vorderingen zullen alsnog worden afgewezen. Het verweer van [naam 1] treft doel. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd.

(…)

7 De beslissing in alle drie de zaken

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

In de zaak met nummers 200.176.618 en 200.183.452

7.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad van

24 juni 2005 en doet opnieuw recht;

In de oorspronkelijke conventie

verklaart voor recht dat [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] jegens [naam gedaagde] onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [naam gedaagde] voor de daardoor geleden schade;

veroordeelt [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] hoofdelijk tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

In de oorspronkelijke reconventie

wijst het gevorderde af.

(…)

In de zaak met nummers 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452

7.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

2.10.

Tegen het arrest van 12 juni 2018 is geen cassatieberoep ingesteld.

2.11.

Bij dagvaarding van 29 januari 2019 heeft [naam gedaagde] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt (hierna: de schadestaatprocedure) bij de rechtbank Midden-Nederland. Hij maakt daarin aanspraak op een schadevergoeding van ruim € 10,5 miljoen.

2.12.

Bij dagvaarding van 12 april 2019 hebben onder meer [naam eiseres] en [eisers] op grond van artikel 382 Rv een vordering tot herroeping van het arrest van 12 juni 2018 ingesteld.

2.13.

Bij vonnis in incident van 19 juni 2019 is een verzoek van [naam eiseres] en [eisers] om de schadestaatprocedure aan te houden in afwachting van de uitspraak in de herroepingszaak, afgewezen. De rechtbank overwoog dat zij dient toe te zien op een voortvarende behandeling van een zaak en ervoor dient te waken dat de procedure onredelijk vertraagd wordt. Voorts overwoog de rechtbank dat de gronden de vordering niet konden dragen.

2.14.

Bij overeenkomst van 11 juli 2019 heeft de vereffenaar van de [naam vennootschappen] alle vorderingen op (onder meer) [naam eiseres] en [eisers] gecedeerd aan [naam gedaagde] . Van deze cessie is op 11 september 2019 mededeling gedaan aan de schuldenaars.

2.15.

Op 1 oktober 2019 heeft [naam gedaagde] een dagvaarding uitgebracht jegens [naam eiseres] en [eisers] op grond van aan hem gecedeerde vorderingen van de [naam vennootschappen] (hierna: de cessieprocedure). In die dagvaarding heeft [naam gedaagde] een voorwaardelijke eisvermindering opgenomen voor het geval reeds op grond van een onherroepelijke uitspraak inde schadestaatprocedure bedragen aan hem, betaald zijn.

2.16.

Op 8 oktober 2019 hebben [naam eiseres] en [eisers] met een B-formulier verzocht om uitstel van een rolhandeling in de schadestaatprocedure (voor een periode van meer dan twee weken). Zij hebben in hun toelichting gewezen op het door hen gepercipieerde risico op dubbele betaling in de schadestaatprocedure en de cessieprocedure. [naam gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit uitstelverzoek. Rechtbank Midden-Nederland heeft het uitstelverzoek afgewezen.

2.17.

Bij brief van 21 november 2019 hebben [naam eiseres] en [eisers] op grond van proceseconomische en klemmende redenen verzocht om uitstel voor het nemen van de conclusie van dupliek in de schadestaatprocedure totdat beslist is in de cessieprocedure en totdat de Russische Federatie uitspraak heeft gedaan in een strafzaak tegen [naam gedaagde] .

2.18.

Op de rol van 11 december 2019 heeft mr. Meijer zich als advocaat van [naam eiseres] onttrokken. Op dezelfde datum heeft mr. Goethals zich gesteld als (opvolgend) advocaat zijn.

2.19.

Bij faxbericht van 20 december 2019 heeft Rechtbank Midden-Nederland partijen te kennen gegeven dat het pleidooi in de schadestaatprocedure gepland staat op 24 februari 2020.

2.20.

Bij brief van 28 januari 2020 heeft mr. Meijer [naam gedaagde] namens [naam bedrijf 2] . bericht dat hij [naam bedrijf 2] . willens en wetens ernstig in haar verhaalsmogelijkheden heeft benadeeld door de activa van de [naam vennootschappen] “voor een schijntje” over te nemen middels een onvoorwaardelijke Asset Purchase Agreement (hierna: de cessieovereenkomst). [naam bedrijf 2] . heeft de cessieovereenkomst op grond van artikel 3:45 BW buitengerechtelijk vernietigd en [naam gedaagde] aansprakelijk gesteld indien [naam gedaagde] ondanks de vernietiging van de cessieovereenkomst enige verdere actie onderneemt op grond van die overeenkomst.

3 Het geschil

in het incident

3.1.

[eisers] vordert dat hij in de hoofdzaak wordt toegelaten als voegende partij.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij belang heeft bij voeging omdat de hoofdzaak zich richt tegen de executie van het arrest van 12 juni 2018 in welke procedure hij gedaagde is.

in de hoofdzaak

3.3.

[naam eiseres] en [eisers] vorderen – na schriftelijke eiswijziging van [naam eiseres] – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

A. [naam gedaagde] , op straffe van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, verbiedt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 12 juni 2018 (met zaaknummers 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452) ten uitvoer te leggen en de reeds getroffen tenuitvoeringsmaatregelen staakt;

B. de executie van het onder A genoemde arrest schorst; en

C. [naam gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van de procedure.

3.4.

[naam eiseres] legt – kort samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [naam gedaagde] maakt misbruik van zijn bevoegdheid door het arrest van 12 juni 2018 te executeren, althans door die executie voort te zetten. [naam eiseres] stelt dat een schadestaatprocedure een wijze van tenuitvoerlegging is, namelijk par suite d’instance (volgens HR 21 juni 1918, NJ 1918/781 (Volgen/ESM). Volgens [naam eiseres] heeft [naam gedaagde] geen belang (meer) bij de schadestaatprocedure. Deze procedure heeft uitsluitend betrekking op afgeleide schade. Die afgeleide schade is of wordt geacht al vergoed te zijn nu de [naam vennootschappen] een vergoeding hebben ontvangen voor de (gestelde) vordering(en) van de Leaderlandvennoot-schappen op [naam eiseres] (en op [eisers] ) omdat [naam gedaagde] hiervoor een koopprijs heeft betaald. [naam eiseres] stelt voorts dat [naam gedaagde] redelijkerwijs had moeten afzien van (voortzetting van) de schadestaatprocedure. De schadestaatprocedure in combinatie met de cessieprocedure heeft tot gevolg dat [naam eiseres] tweemaal wordt, dan wel kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade. Volgens [naam eiseres] omzeilt [naam gedaagde] de overwegingen van het hof door als rechtsopvolger onder bijzondere titel alsnog de vergoeding van feitelijk dezelfde schade te vorderen. Ten slotte stelt [naam eiseres] dat het arrest van 12 juni 2018 berust op een klaarblijkelijke misslag nu het hof in 6.37 heeft overwogen dat het theoretisch is dat de (vereffenaar van de) [naam vennootschappen] in actie komt en deze theorie thans door de praktijk is ingehaald.

3.5.

[eisers] sluit zich aan bij de stellingen van [naam eiseres] en legt – kort samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eisers] [naam eiseres] stelt dat [naam gedaagde] op grond van na het arrest van 12 juni 2018 voorgevallen en aan het licht gekomen feiten misbruik van zijn bevoegdheid maakt door het arrest van 12 juni 2018 te executeren, althans door de executie van genoemd arrest voort te zetten. Volgens [eisers] is de vermeende schade die in de schadestaatprocedure moet worden vastgesteld al vergoed, althans geacht moet worden dat deze schade is vergoed nu de schadestaatprocedure uitsluitend ziet op de afgeleide schade. De vergoeding betreft de koopprijs die [naam gedaagde] betaald heeft voor de gestelde vordering(en) van de [naam vennootschappen] op (onder meer) [eisers] (en [naam eiseres] ). Voorts stelt [eisers] dat zij in zowel de schadestaatprocedure als de cessieprocedure veroordeeld kan worden tot vergoeding van dezelfde schade.

3.6.

[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Volgens [naam gedaagde] is exact dezelfde schorsingsvordering in juni, oktober en november 2019 reeds drie keer afgewezen door rechtbank Midden-Nederland, de rechtbank waar de schadestaatprocedure aanhangig is. Voorts voert [naam gedaagde] aan dat de vorderingen ingesteld hadden moeten worden in de herroepingsprocedure en/of de schadestaatprocedure. Hij wijst er in dat kader ook op dat er tegen het arrest van 12 juni 2018 geen cassatie is ingesteld. [naam gedaagde] betwist dat sprake is van noodtoestand dan wel van een spoedeisend belang nu de schadestaatprocedure zich thans (nog) in een pril stadium bevindt en rechtbank Midden Nederland geoordeeld heeft dat nog een onafhankelijke deskundige benoemd moet worden voor begroting van de schade. [naam gedaagde] voert ook aan dat er geen risico op dubbele vergoeding van de schade bestaat, omdat hij in de cessieprocedure een voorwaardelijke eisvermindering heeft opgenomen.

Volgens [naam gedaagde] zijn de onderhavige vorderingen prematuur. Als tot executie van vermogensbestanddelen van [naam eiseres] en [eisers] wordt overgegaan, kan op dat moment een executiegeschil aanhangig gemaakt worden. [naam gedaagde] voert verder aan dat schorsing van de schadestaatprocedure onredelijke vertraging oplevert. Gelet op het tijdsverloop sinds het aanhangig maken van de procedure kan dit niet van [naam gedaagde] gevergd worden, aldus [naam gedaagde] . Ten slotte stelt [naam gedaagde] dat de voorzieningenrechter op basis van in de dagvaarding deels achtergehouden informatie, waaronder de herroepingsprocedures en de drie afgewezen schorsingsverzoeken, geen voorschot nemen op deze feitelijk ingewikkelde materie.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

[naam eiseres] heeft geen bezwaar tegen voeging van [eisers] in dit geding.

4.2.

[naam gedaagde] heeft wel bezwaar tegen voeging van [eisers] in dit geding. Hij voert daartoe het volgende aan. Volgens [naam gedaagde] is de vordering tot voeging in strijd met de goede procesorde. [eisers] heeft kunstmatig een splitsing gemaakt in de bijstand door raadslieden in de diverse procedures die reeds gevoerd en die thans aanhangig zijn. Hij heeft de incidentele conclusie zeer laat ingediend. Dit heeft mr. Zee gehinderd in de voorbereiding van de mondelinge behandeling.

4.3.

Overwogen wordt het volgende. Artikel 217 Rv bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.

4.4.

[eisers] voert aan dat hij belang heeft bij voeging omdat de onderhavige procedure zich richt tegen de executie van het arrest van 12 juni 2018. In die procedure is [eisers] ook gedaagde en (eveneens) veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding op te maken bij staat. Volgens [eisers] wordt het arrest van 12 juni 2018 thans ook ten laste van [eisers] ten uitvoer gelegd en loopt hij, net als [naam eiseres] , het risico om tweemaal veroordeeld te worden tot vergoeding van dezelfde schade.

4.5.

Uit de onderbouwing van de incidentele vordering volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij een belang heeft bij het onderhavige geding. Overwogen wordt dat [naam gedaagde] ter zitting voldoende inhoudelijk heeft gereageerd en heeft kunnen reageren op de standpunten van [eisers] De voeging van [eisers] aan de zijde van [naam eiseres] wordt daarom toegestaan. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het [eisers] vrij staat een splitsing te maken in de bijstand door raadslieden in de verschillende procedures.

in de hoofdzaak

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.6.

Artikel 254 Rv bepaalt dat in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is om deze te geven. Van een dergelijke spoedeisende zaak is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht.

4.7.

Met de stellingen van [naam eiseres] en [eisers] dat [naam gedaagde] reeds executiemaatregelen heeft getroffen, is de spoedeisendheid van de zaak gegeven. Of de vorderingen van [naam eiseres] en [eisers] op materiële gronden ook toewijsbaar zijn, wordt hierna beoordeeld.

Ten aanzien van de vorderingen

4.8.

Voor de beoordeling van de vorderingen is als eerste van belang het geschil in de onderhavige procedure te kwalificeren. [naam eiseres] en [eisers] stellen dat sprake is van een executiegeschil dat zich richt tegen de tenuitvoerlegging van het arrest van 12 juni 2018 door [naam gedaagde] . Overwogen wordt als volgt.

4.9.

Uit het arrest van 12 juni 2018 volgt dat voor recht verklaard is dat onder meer [naam eiseres] en [eisers] onrechtmatig gehandeld hebben jegens [naam gedaagde] en dat [naam eiseres] en [eisers] veroordeeld zijn tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Bij dagvaarding van 29 januari 2019 heeft [naam gedaagde] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt. Het voeren van een schadestaatprocedure op grond van artikel 612 Rv is te beschouwen als de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest waarin de veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, is uitgesproken. Staking (of een verbod) van het verder procederen in een, door de Hoge Raad als vorm van tenuitvoerlegging aangeduide, schadestaatprocedure kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties worden bevolen. Een voorbeeld daarvan is de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2018, NJ 1918/781.

[naam eiseres] en [eisers] menen dat de onderhavige procedure niet wezenlijk anders is dan de situatie die heeft geleid tot het arrest van 1918. Zij miskennen daarmee dat aan de in die zaak bevolen staking van het voortprocederen in de schadestaat een bijzondere oorzaak ten grondslag lag. Een dergelijke bijzondere grondslag is er in dit geval om hierna te bespreken redenen niet, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter.

4.10.

[naam eiseres] en [eisers] is gevraagd wat zij met hun vorderingen wensen te bereiken en hoe zij zich de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregelen (indien toegewezen) voorstellen. Partijen is hierbij voorgehouden dat zowel de staking als de schorsing onvoorwaardelijk en voor onbepaalde tijd gevorderd zijn. [naam eiseres] heeft toegelicht, en [eisers] heeft beaamd, dat dit precies is wat hen voor ogen staat. Zij willen dat [naam gedaagde] nooit meer verder mag procederen en dat de schadestaatprocedure wordt doorgehaald. [eisers] ziet voorts nog een belang in een gelijktijdige behandeling van de schadestaat en de cessieprocedure.

Gelet op deze toelichting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen van [naam eiseres] en [eisers] niet alleen vergaand zijn maar ook pseudo-declaratoir van aard. Daar komt bij dat ze een inbreuk vormen op het recht van [naam gedaagde] op toegang tot de rechter dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

Voorts is van belang dat Rechtbank Midden-Nederland reeds eenmaal een incidenteel verzoek tot aanhouding en tweemaal een uitstelverzoek van [naam eiseres] en [eisers] in de schadestaatprocedure heeft afgewezen en dat [eisers] blijkbaar niet om voeging van de schadestaatprocedure en de cessieprocedure heeft verzocht en niet toelicht waarom niet. Opgemerkt wordt dat de (incidentele) verzoeken in de schadestaatprocedure in strijd met artikel 21 Rv niet in de dagvaarding vermeld staan. De vorderingen in deze procedure hebben in grote lijnen dezelfde (zij het een net iets minder vergaande) strekking. Dat betekent de vorderingen er materieel op neerkomen dat de voorzieningenrechter gevraagd wordt een oordeel te geven over de (rol)beslissingen van Rechtbank Midden-Nederland in een situatie dat daartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld. Daarbij komt dat al op 20 december 2019 aan partijen kenbaar is gemaakt dat het pleidooi in de schadestaatprocedure gepland staat op 24 februari 2020 en dat [naam eiseres] en [eisers] daartegen geen procesrechtelijke actie hebben ondernomen en tot een zeer laat moment hebben gewacht met het aanhangig maken van dit kort geding.

Het gevorderde miskent ook dat er een onherroepelijk arrest van 12 juni 2018 ligt op welk arrest de voorzieningenrechter haar uitspraak in beginsel dient af te stemmen. In dat arrest is nou eenmaal beslist dat [naam eiseres] en [eisers] tot betaling van schade worden veroordeeld.

Voor zover [naam eiseres] en [eisers] de gewenste doorhaling van de schadestaatprocedure gronden op de door hen aanhangig gemaakte herroepingsprocedure van het arrest van 12 juni 2018 – welke procedure eveneens in strijd met artikel 21 Rv niet in de dagvaarding is vermeld – wordt geoordeeld dat het thans te prematuur is om op de uitkomst van die herroepingsprocedure vooruit te lopen. Er zijn ook geen stukken uit die procedure overgelegd en de stand van zaken daarvan is niet bekend.

4.11.

Wat betreft de stelling van [naam eiseres] en [eisers] dat het risico bestaat dat zij zowel in de schadestaatprocedure als in de cessieprocedure gehouden worden tot vergoeding van dezelfde schade, wordt het volgende overwogen. [naam gedaagde] heeft in de cessieprocedure een voorwaardelijke eisvermindering opgenomen voor het geval reeds op grond van een onherroepelijke uitspraak in de schadestaatprocedure bedragen aan hem betaald zijn. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het risico op dubbele betaling van dezelfde schade ondervangen is. Daar komt bij dat [naam bedrijf 2] . als financier van de [naam vennootschappen] de cessieovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd. Dat betekent dat de vraag rijst of en welke gevolgen deze buitengerechtelijke vernietiging heeft voor de cessieprocedure en meer in het bijzonder of die wel voortgezet kan worden. Daarbij valt op dat [naam eiseres] en [eisers] , met geen woord reppen over enige vervolgactie op de buitengerechtelijke vernietiging.

Wat daar verder ook van zij, hoewel op voorhand niet uit te sluiten valt dat op enig moment in enige gerechtelijke procedure wordt geoordeeld dat de situatie als bedoeld in rechtsoverweging 6.36. van het arrest van 12 juni 2018 zich toch voordoet, kan daar gelet onder meer op alle onzekerheden die de cessieprocedure vooralsnog omringen, niet op vooruitgelopen worden.

4.12.

Ten aanzien van het verzoek van [naam eiseres] om in deze procedure de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen over het leerstuk van de schadestaatprocedure, wordt als volgt overwogen. Gesteld noch gebleken is dat een antwoord op bedoelde, overigens nog niet en zeker niet helder geformuleerde prejudiciële vragen over het leerstuk van de schadestaatprocedure van belang is voor een veelheid van vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen of voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin dezelfde vra(a)g(en) zich voordoe(t)(n). Aldus is geen sprake van een situatie waarin prejudiciële vragen aan de orde (kunnen) zijn.

4.13.

Al het vorenstaande in samenhang bezien is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam eiseres] en [eisers] met hun vorderingen misbruik van (proces)recht maken. Niet uit te sluiten valt dat de onderhavige procedure is ingesteld om een voortvarende behandeling van de schadestaatprocedure te belemmeren. Dat betekent dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is acht geslagen op de bij de feiten geciteerde rechtsoverweging 6.37. in het arrest van 12 juni 2018, de schending van artikel 21 Rv en het ontbreken van enige onderbouwing van aan de orde zijnde andere belangen dan de gevreesde dubbele betaling. Ten slotte wordt nog overwogen dat wanneer de door [naam eiseres] en [eisers] gevreesde situatie zich uiteindelijk toch voordoet, hen in ieder geval één procesrechtelijke mogelijkheid ten dienste staat om [naam gedaagde] daarvoor op gepaste wijze te laten “afstraffen”.

De proceskosten

4.14.

Een kostenveroordeling niet hoeft te worden gevorderd, maar wordt zo nodig ambtshalve gegeven. [naam eiseres] en [eisers] worden als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.284,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

5.1.

staat de voeging van [eisers] aan de zijde van [naam eiseres] toe,

in de hoofdzaak

5.2.

wijst de vorderingen af,

5.3.

veroordeelt [naam eiseres] en [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 1.284,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.

2027 / 2009