Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2289

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/5042
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing bijzondere bijstand voor uitvaartkosten. Reeds voorzien in de kosten door spaargeld en lening, geen bijstand voor een schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5042

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. S. Epema,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.F. Jim.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor uitvaartkosten op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 22 maart 2019 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de uitvaart van [naam overledene] ( [naam overledene] ), de vader van haar vier kinderen. De kosten van € 5.200,- zijn betaald aan de uitvaartondernemer.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanvraag om bijzondere bijstand met betrekking tot uitvaartkosten van € 5.200,00 betrekking heeft op twee onderwerpen. Er wordt enerzijds bijzondere bijstand gevraagd met betrekking tot het aflossen van een schuld van € 3.200,00, welk bedrag eiseres heeft geleend van haar buurman [naam buurman] ( [naam buurman] ). Volgens verweerder kan hiervoor, gelet op de beleidsvoorschriften en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g., van de Pw, geen bijzondere bijstand worden verstrekt.

Anderzijds ziet de aanvraag voor bijzondere bijstand op een bedrag van € 2.000,- dat eiseres van haar spaargeld heeft betaald. Verweerder heeft, onder handhaving van het primaire besluit, ten grondslag gelegd dat dit deel betrekking heeft op kosten die reeds zijn gemaakt en voldaan voordat de aanvraag is ingediend.

3. Eiseres betoogt dat haar aanvraag om bijzondere bijstand had moeten worden toegewezen omdat er sprake is van een dringende en zeer emotionele situatie die maatwerk vereist. De kosten waren eenmalig en noodzakelijk omdat de begrafenisondernemer had aangegeven dat hij [naam overledene] zou laten liggen als er niet voor de uitvaart werd betaald. Eiseres heeft geld moeten lenen van [naam buurman] . Eiseres en haar kinderen beschikken niet over de middelen om zelf te voorzien in de uitvaartkosten van [naam overledene] . Nu het uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten betreffen en deze kosten niet kunnen worden voldaan uit haar inkomen had aan haar bijzondere bijstand moeten worden verleend. Eiseres betoogt voorts dat verweerder gehandeld heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijke procesorde.

4. Bij verweerschrift heeft verweerder in reactie hierop onder meer nog aangevoerd dat in wat eiseres heeft betoogd geen aanknopingspunten te vinden zijn om te kunnen concluderen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 49 van de Pw.

Schuld

5.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw heeft degene die bijstand vraagt voor een gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel daarna, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

Op grond van artikel 49 van de Pw kan in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw bijzondere bijstand worden verleend indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 20 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:121, kan er in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g van de Pw bijzondere bijstand verleend worden indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van artikel 49, aanhef en onder a, van de Pw genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw doen zich slechts voor indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

5.3.

Voor wat betreft artikel 49 van de Pw geldt dat tussen partijen niet in geschil is dat de beoordeling ziet op artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw nu de situatie zoals beschreven in artikel 49, aanhef onder a, van de Pw zich niet voordoet. Gelet op het toetsingskader zoals hiervoor onder 5.1. en 5.2. is aangehaald, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd met verweerder, hoe triest de onderliggende situatie ook voor eiseres uitpakt, in redelijkheid geen aanknopingspunten om te oordelen dat er sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van het laatstgenoemde artikel. Dat betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw onverkort van toepassing is en dat verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand met betrekking tot het door eiseres geleende geldbedrag terecht heeft afgewezen vanwege het feit dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de aflossing van een schuldenlast.

Spaargeld

6.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Pw gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid van de Pw, heeft de alleenstaande recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

6.2.

Ten aanzien van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor het deel van € 2.000,- geldt dat dit deel betrekking heeft op kosten die reeds zijn gemaakt en voldaan voordat de aanvraag is ingediend. Uit artikel 35, eerste lid, van de Pw volgt dat er geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:706. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag om bijstand ook voor dit bedrag terecht afgewezen.

7. Eiseres heeft een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijke procesorde, maar dit beroep niet onderbouwd. Nu daarvoor ook geen aanknopingspunten zijn gebleken, wordt aan dit beroep voorbij gegaan.

8. Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Mohamed, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.