Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2288

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/4983 en ROT 19/5280
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bijstand. intrekking en terugvordering. Recht niet vast te stellen a.g.v. niet melden op geld waardeerbare werkzaamheden als informeel bankier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 19/4983 en ROT 19/5280

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. A. el Idrissi,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, verweerder,

gemachtigde: A.B.E. Donkers-van Laar.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de algemene en bijzondere bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) beëindigd per 17 mei 2019, ingetrokken per 1 februari 2018 en een bedrag van € 17.978,53 teruggevorderd.

Bij besluit van 11 juni 2019 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 5.534,-.

Bij besluit van 21 augustus 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 oktober 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft voor beide zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 19 februari 2020. Partijen zijn verschenen met hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres ontving sinds 4 februari 2015 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Naar aanleiding van een melding dat eiseres is aangehouden in het kader van een onderzoek naar mensenhandel en dat een bedrag van € 12.750,- in contanten is aangetroffen in de woning van eiseres, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte uitkering. Verweerder heeft eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 3 mei 2019 en eiseres onder andere verzocht de volgende stukken mee te nemen: concrete en verifieerbare bewijsstukken over de herkomst en het doel van het in haar woning aangetroffen contante geldbedrag en een deugdelijke administratie van haar activiteiten als informeel bankier. Eiseres is op het gesprek verschenen zonder de verzochte stukken.

2. Verweerder heeft aan bestreden besluit I ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door bij verweerder geen melding te maken van haar werkzaamheden als informeel bankier. Verweerder heeft aan bestreden besluit II ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden en als gevolg daarvan ten onrechte een bijstandsuitkering heeft ontvangen, waardoor een benadelingsbedrag van € 17.978,53 is ontstaan. Volgens verweerder is sprake van normale verwijtbaarheid en verweerder heeft het boetebedrag met inachtneming van artikel 2, zevende lid, onder a, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) gemaximeerd op € 5.534,-. Verweerder ziet geen aanleiding het boetebedrag op grond van zeer bijzondere omstandigheden te matigen.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar werkzaamheden als informeel bankier ten onrechte aanmerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Eiseres voert hiertoe aan dat de activiteiten van geringe omvang waren en zij hieruit geen verdiensten heeft gehad. Verder stelt eiseres dat zij vanaf 11 april 2019, de dag dat zij in voorlopige hechtenis is genomen, in elk geval recht op bijstand heeft omdat zij sindsdien geen activiteiten meer heeft verricht. Daarnaast stelt eiseres dat het in haar woning aangetroffen geldbedrag slechts gedeeltelijk van haar is. Het overige deel heeft zij in bewaring voor derden. Ten aanzien van de boete stelt eiseres dat verweerder niet heeft aangetoond dat er als gevolg van de door verweerder gestelde schending van de inlichtingenplicht onverschuldigd bijstand is betaald. Verder betoogt eiseres dat de boete te hoog is vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met haar draagkracht.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.3.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Op grond van het achtste lid kan het college indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5. Op 10 april 2019 is in de woning van eiseres een contant geldbedrag van € 12.750,- aangetroffen. Eiseres heeft tijdens het gesprek op 3 mei 2019 onder andere verklaard dat zij sinds ongeveer een jaar en drie of vier maanden geld van derden naar het buitenland stuurt. Eiseres maakt hiervoor gebruik van een tussenpersoon die het door eiseres verzamelde geld vervolgens naar het buitenland stuurt. Eiseres heeft verklaard geen administratie bij te houden, maar wel te weten van wie zij welk geldbedrag heeft ontvangen. Zij stuurt de namen van deze personen en de door hen afgegeven bedragen via Viber naar de tussenpersoon. Verweerder heeft zich op basis van deze verklaring terecht op het standpunt gesteld dat deze werkzaamheden moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3156 (de Raad), is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee deze activiteiten worden verricht en ongeacht of hieruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten.

6.1

Vastgesteld wordt dat eiseres geen melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden als informeel bankier en dat eiseres daardoor gehandeld heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre eiseres in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de eiseres om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

6.2

Eiseres is hierin niet geslaagd. Zij heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over de precieze omvang van de door haar verrichte werkzaamheden als informeel bankier. Eiseres heeft geen administratie bijgehouden op grond waarvan verweerder achteraf het recht op bijstand, al dan niet schattenderwijs, had kunnen vaststellen. Dat eiseres, zoals zij stelt, geen inkomsten heeft genoten uit haar activiteiten, is niet relevant. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen niet alleen gerekend de middelen waarover eiseres beschikt, maar ook de middelen waarover zij redelijkerwijs kan beschikken. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand van eiseres vanaf 1 februari 2018 niet is vast te stellen.

6.3.

De stelling van eiseres dat zij sinds de dag dat zij in voorlopige hechtenis is genomen geen activiteiten als informeel bankier meer heeft verricht en daarom vanaf

11 april 2019 recht heeft op een bijstandsuitkering, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft geen deugdelijke administratie van de activiteiten als informeel bankier verstrekt en evenmin duidelijkheid verschaft over de herkomst van het contante geldbedrag dat in haar woning is aangetroffen. De verklaring van eiseres en de door haar overgelegde verklaringen van derden leiden evenmin tot een andere conclusie omdat deze niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsstukken.

6.4.

Nu vaststaat dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, was verweerder op grond van de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Pw gehouden om de bijstandsuitkering in te trekken en de teveel betaalde bijstand terug te vorderen. Omdat eiseres tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd, behoeft de terugvordering geen bespreking.

Boete

7.1

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw, - voor zover in dit geding van belang - legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (…). Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (…) niet of niet behoorlijk zijn meegedeeld (…) en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (…) niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld (…) en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.(…)”

7.2.

Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451), levert een schending van de inlichtingenverplichting in het geding over de opgelegde boete niet zonder meer een vaststaand gegeven op, omdat het daarbij gaat om een bestraffende sanctie. In wat eiseres heeft aangevoerd is echter geen grond gelegen voor het oordeel dat zij in dit kader wel heeft voldaan aan de wettelijke inlichtingenverplichting. Zij had immers moeten melden dat zij in de te beoordelen periode werkzaamheden verrichtte als informeel bankier. Eiseres kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a, eerste lid, van de Pw een bestuurlijke boete op te leggen.

7.3.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:8) leidt een beboetbare gedraging bij gewone verwijtbaarheid tot een boete van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij het opleggen van de boete terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dit wordt door eiseres ook niet betwist. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:CRVB:2016:9) dient bij normale verwijtbaarheid de boete binnen twaalf maanden te kunnen worden voldaan. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat 10% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm volledig beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete. Eiseres ontvangt sinds 12 juni 2019 weer een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. In het toekenningsbesluit van 10 december 2019 is het vermogen van eiseres vastgesteld op nihil. Gelet hierop moet het ervoor gehouden worden dat eiseres niet beschikt over andere inkomsten of vermogen. Dit betekent dat de hoogte van de boete, gelet op de inmiddels beschikbare informatie, in het geval van eiseres maximaal

€ 1.262,78, te weten twaalf maal € 105,23, mag bedragen.

8. Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit II, maar alleen voor zover het de hoogte van de bestuurlijke boete betreft, te worden vernietigd. De rechtbank zal, met inachtneming van de uitspraken van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816) de financiële draagkracht van eiseres vaststellen op € 1.262,78 te weten 12 maal 10% van de alleenstaandennorm ten tijde van deze uitspraak (€ 1.052,32). Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiseres.

9. Omdat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:771) geldt als algemeen uitgangspunt dat een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan volgt op een vernietiging van een besluit. Dit berust op de gedachte dat door een onrechtmatig besluit veroorzaakte schade - waaronder proceskosten - in beginsel dient te worden vergoed. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Een dergelijke bijzondere omstandigheid doet zich hier voor nu eiseres heeft nagelaten tijdens de boeteprocedure en de daarop volgende bezwaarprocedure inlichtingen te verstrekken over haar inkomen zodat de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van eiseres zelf. In deze situatie bestaat er voor een proceskostenvergoeding dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt bestreden besluit II voor zover dit ziet op de hoogte van de boete;

- herroept primair besluit II in zoverre;

- stelt de hoogte van de boete vast op € 1.262,78;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit II voor zover dat is vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.