Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2286

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/5800
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep niet-ontvankelijk. Eventuele notitie van een telefoongesprek met verweerder is niet aan te merken als pro-forma beroepschrift en verweerder was niet gehouden deze naar de rechtbank door te sturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5800

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. V.E. van Dijk.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2019 (het primair besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juli 2019 gedurende één maand met 30% verlaagd.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld dat op 14 november 2019 door de rechtbank is ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank zal allereerst nagaan of eiseres tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Uit artikel 6:4, derde lid, van de Awb, volgt dat uitsluitend schriftelijk beroep kan worden ingesteld. Op grond van artikel 6:7 van de Awb is de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, in dit geval op 2 oktober 2019. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van beroep eindigde op 13 november 2019. Het beroepschrift is op 14 november 2019 door de rechtbank ontvangen.

2. Eiseres stelt dat zij tijdig beroep heeft ingesteld en zij voert in dat kader aan dat zij op 11 oktober 2019 met een medewerker van verweerder een gesprek heeft gevoerd waarin zij heeft aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing op bezwaar en dat het verslag van dat gesprek op grond van vaste rechtspraak (de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7239) als voorlopig beroepschrift diende te worden aangemerkt. Verweerder had daarom, zo stelt eiseres, de gespreksnotitie op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank moeten doorsturen. Voor zover sprake zou zijn van een termijnoverschrijding is deze naar de mening van eiseres verschoonbaar. Eiseres stelt verder dat zij gedurende de beroepstermijn doende is geweest hulp te zoeken voor het indienen van een beroepschrift en dat zij gelet op haar psychische klachten niet in staat was zelf tijdig beroep in te stellen of te laten instellen.

3. De rechtbank oordeelt dat, anders dan eiseres stelt, een eventuele notitie van het telefoongesprek van 11 oktober 2019 niet kan worden aangemerkt als een pro forma beroepschrift dat door verweerder aan de rechtbank had moeten worden doorgezonden. De door eiseres aangehaalde rechtspraak ziet op situaties waarin de betrokkene telefonisch zijn bezwaren tegen een primair besluit kenbaar maakte bij het bestuursorgaan dat tot het beslissen op het bezwaar bevoegd was. Een dergelijke situatie speelt in onderhavige zaak niet nu het hier gaat om de vraag of het beroep bij de rechtbank tijdig is ingediend. Dat er telefonisch contact is geweest met verweerder over de beslissing op het bezwaar is voor deze beoordeling niet relevant. Geconcludeerd wordt dan ook dat er sprake is van een termijnoverschrijding.

4. Ter beoordeling staat vervolgens of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De verklaring van eiseres dat zij psychische klachten heeft en gedurende de beroepstermijn bezig is geweest hulp te zoeken om een beroepschrift in te dienen, is onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was om tijdig (pro-forma) beroep in te stellen. Het door eiseres ingediende specialistenbericht van 15 februari 2016 leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze brief volgt niet dat eiseres ten tijde van de beroepstermijn niet in staat kon worden geacht beroep in te stellen of hiervoor de hulp van derden in te roepen. Eiseres heeft ook geen andere redenen genoemd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

5. Op grond van het bovenstaande is het beroep niet-ontvankelijk. Dit houdt in dat de beroepsgronden tegen de opgelegde maatregel niet worden besproken.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak gedaan op 17 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.