Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2285

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/4693
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bijstand. terugvordering als gevolg van een administratieve fout van verweerder is verjaard op grond van artikel 58, zesde lid Pw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K.M. van der Boor,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis, verweerder,

gemachtigde: mr. N Övül.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2017 (primair besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 april 2016 tot en met 28 februari 2017 en een bedrag van € 4.093,95 teruggevorderd.

Bij besluit van 17 juli 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 30 januari 2019 (primair besluit II) heeft verweerder, onder intrekking van primair besluit I, het recht op bijstand van eisers herzien over de periode van 1 april 2016 tot en met 28 februari 2017 en een bedrag van € 2.228,40 teruggevorderd.

Bij uitspraak van 4 februari 2019 heeft de rechtbank (onder zaaknummer: ROT 18/4163) het beroep tegen het besluit van

17 juli 2018 gegrond verklaard en verweerder opgedragen het bezwaar van eiseres inhoudelijk te beoordelen.

Bij besluit van 31 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld

Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eiseres vanaf 1 januari 2016 bijstand toegekend op basis van de kostendelersnorm voor drie personen. Vanaf 1 april 2016 is de bijstand abusievelijk betaald naar de norm voor een alleenstaande.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen, terwijl zij recht had op bijstand op basis van de kostendelersnorm voor drie personen. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om van zijn bevoegdheid tot terugvordering af te zien.

3. Eiseres stelt dat, nu het ten onrechte betalen van bijstand het gevolg is van een administratieve fout van verweerder, terugvordering dient plaats te vinden op grond van artikel 58, tweede lid, onderdeel e, van de Pw. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet langer bevoegd is tot terugvordering omdat er tussen het ontstaan van de terugvordering en de bekendmaking van primair besluit II meer dan twee jaar is verstreken.

4. Artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Pw bepaalt dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand het college een besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Pw, kan het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen voor zover anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

Op grond van artikel 58, zesde lid, van de Pw, vindt terugvordering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

5. Niet in geschil is dat eiseres over de periode van 1 april 2016 tot en met 30 september 2016 een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat dit een administratieve vergissing van verweerder betreft en dat daarmee de grondslag voor terugvordering van de te veel betaalde bijstand is gelegen in artikel 58, tweede lid, onderdeel e, van de Pw. Dit heeft, gelet op artikel 58, zesde lid, van de Pw, tot gevolg dat verweerder niet bevoegd is tot het terugvorderen van kosten van bijstand die zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

6. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat in het geval dat voor een belanghebbende een gemachtigde optreedt, eerst met toezending van een besluit aan die gemachtigde kan worden gesproken van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres heeft terecht gesteld dat primair besluit II eerst op 2 april 2019, door toezending aan haar gemachtigde, op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was de kosten van bijstand die vóór 2 april 2017 zijn ontstaan, terug te vorderen. Dat primair besluit I reeds op 15 november 2017 aan de gemachtigde van eiseres bekend is gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit besluit is immers met primair besluit II ingetrokken.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bedrag van € 2.228,40 ten onrechte van eiseres teruggevorderd. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primair besluit II te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

8. Nu het beroep van eiseres gegrond is, dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

9. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van zijn bezwaar en voor de behandeling van haar beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,00 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond, herroept het primair besluit II en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,00 vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 2.100,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.