Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2248

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
C/10/577418 / HA ZA 19-622
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigendom strook grond; verkrijgende/bevrijdende verjaring? zo ja, schadevergoeding; verjaringstermijn van 5 of 20 jaar van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/577418 / HA ZA 19-622

Vonnis van 26 februari 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DORDRECHT,

zetelend te Dordrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. J.C. Hol te Dordrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WESTERVORDE ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WERKENWONEN PROJECTONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Numansdorp,

gedaagden in conventie,

eiseressen in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. A. Buth te Middelharnis.

Partijen worden hierna de Gemeente, Westervorde en Werkenwonen genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 12 juni 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende (deels voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;

  • -

    de oproepbrief voor de mondelinge behandeling van deze rechtbank van 16 oktober 2019;

  • -

    de brieven van mr. Buth van 23 en 30 december 2019, met bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

2.1.

Westervorde is op 28 april 1999 eigenaar geworden van het perceel met het kantorencomplex “ [naam complex] ”, gelegen aan de [adres 1] tot en met [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] tot en met [adres 7] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, sectie [sectienummer 1] , nummer [nummer 1] , groot 0.32.18 ha (hierna het kantorencomplexperceel). Westervorde heeft op 18 januari 1999 het kantorencomplex-perceel gekocht van [naam bedrijf 1] (hierna: de rechtsvoorganger).

2.2.

De Gemeente staat in de kadastrale registers opgenomen als eigenaar van het perceel kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, sectie [sectienummer 2] , nummer [nummer 2] , groot 6.47.60 ha. Een strook grond ter grootte van 600 m² maakt onderdeel uit van dit perceel (hierna: de strook grond). Deze strook grond grenst aan het kantorencomplexperceel (situatietekening, productie 3 bij dagvaarding).

2.3.

Op 18 april 1995 heeft de Gemeente aan de rechtsvoorganger een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk rondom het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond (productie 5 bij dagvaarding).

2.4.

Op de bouwtekening, bijhorend bij voormelde bouwvergunning, is de strook grond met een arcering aangeduid en voorzien van de tekst “Gemeenterrein” (productie 6 bij dagvaarding).

2.5.

De rechtsvoorganger heeft uitvoering gegeven aan de bouwvergunninguitvoering en een hekwerk rondom het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond geplaatst.

2.6.

Bij aangetekend schrijven van 14 januari 2019 heeft de Gemeente Westervorde aangeschreven en Westervorde gesommeerd om het onrechtmatige gebruik van de strook grond te beëindigen, de hekken om de strook grond te verwijderen en de strook grond vrij van opstallen e.d. aan de Gemeente beschikbaar te stellen (productie 8 bij dagvaarding).

2.7.

Bij aangetekend schrijven van 21 januari 2019 heeft Westervorde bericht dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond en dat de Gemeente haar rechtsvordering om de eigendom van de strook grond op te eisen heeft verloren (productie 10 bij dagvaarding).

2.8.

Westervorde heeft het kantorencomplexperceel aan Werkenwonen verkocht en bij akte van levering van 15 maart 2019 geleverd. De strook grond is buiten de verkoop en levering gehouden (productie 11 bij dagvaarding). De leveringsakte luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

6.6

afwijkende oppervlakte

(…)

Partijen verwijzen nog naar artikel 5.3 van de koopovereenkomst, luidende als volgt:

“5.3 - oppervlakte

Het is de verkoper niet bekend dat de feitelijke grenzen van het perceel van het object afwijken van de kadastrale grenzen.

Verkoper verklaart dat het object is omheind met een hekwerk en dat binnen deze omheining een gedeelte grasveld ter grootte van 600 m2 ligt, welk gedeelte eigendom is van de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Dordrecht. Verkoper heeft een schrijven van de gemeente Dordrecht ontvangen, waarin zij verkoper sommeert om het hekwerk te verplaatsen op de juiste kadastrale grens. Koper verklaart met het vorenstaande bekend te zijn.

Verkoper is voornemens middels een beroep op verjaring de eigendom te verwerven van het gedeelte grasveld. Mocht hij hierin slagen, dan verleent hij aan koper het recht van eerste koop met betrekking tot het gedeelte grasveld, zulks onder nader overeen te komen prijs en voorwaarden.

Mocht het beroep op verjaring niet lukken, dan is verkoper verplicht op zijn kosten het hek op de juiste grens te verplaatsen.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Gemeente vordert, kort en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I Primair:

  1. voor recht verklaart dat de Gemeente eigenaar is van de strook grond;

  2. Westervorde ofwel Werkenwonen ofwel Westervorde en Werkenwonen gezamenlijk veroordeelt om de strook grond uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis dan wel op een in goede justitie nader te bepalen datum met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden of bevindt, te verlaten, ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen van de Gemeente, op verbeurte van een dwangsom,

II Subsidiair:

Indien de rechtsvordering tot ontruiming c.q. tot beëindiging van het bezit door Westervorde en/of Werkenwonen is verjaard: Westervorde, ofwel Werkenwonen ofwel Westervorde en Werkenwonen hoofdelijk veroordeelt, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis primair om de strook grond terug over te dragen aan de Gemeente, subsidiair tot het betalen van een schadevergoeding uit onrechtmatige daad gelijk aan de waarde van de strook grond, vast te stellen door een beëdigd en door de Gemeente in te schakelen taxateur,

III Primair en subsidiair:

Westervorde en Werkenwonen hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en nakosten.

3.2.

Het verweer van Westervorde en Werkenwonen strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de Gemeente in haar vorderingen, althans haar deze vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Westervorde en Werkenwonen vorderen, kort en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat Westervorde door verjaring de eigendom heeft verkregen van de strook grond,

  2. de Gemeente veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis ten overstaan van een notaris medewerking te verlenen aan notariële vastlegging van de verjaring, op straffe van een dwangsom,

met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.

3.5.

De Gemeente voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.7.

Westervorde en Werkenwonen vorderen, kort en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis bij voorraad:

in het geval de subsidiaire vordering van de Gemeente wordt toegewezen en Westervorde en Werkenwonen worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding gelijk de waarde van de strook grond, een beëdigd taxateur benoemt voor het vaststellen van de waarde van de strook grond,

met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.

3.8.

De Gemeente voert verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de Gemeente de vordering jegens Westervorde ingetrokken.

4.2.

Gelet op de nauwe samenhang zullen de vorderingen in conventie en de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie gezamenlijk worden behandeld.

4.3.

Voor de vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) reconventie is allereerst van belang de vraag bij wie van partijen de eigendom rust van de strook grond.

4.4.

Als de Gemeente eigenaar is van de strook grond dan kan zij de eigendom van deze strook grond opeisen van Westervorde op grond van artikel 5:2 BW. Gelet op de registratie in het kadaster moet de Gemeente als eigenaar van de strook grond worden aangemerkt, tenzij Westervorde daarvan door verjaring eigenaar is geworden.

4.5.

Indien Westervorde de strook grond te goeder trouw tien jaar onafgebroken in bezit heeft, verkrijgt zij de grond. Daarnaast geldt dat indien Westervorde de strook grond in bezit had op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, zij de strook grond (artikel 3:105 lid 1 BW). Een rechtsvordering tot beëindiging van bezit verjaart twintig jaar (artikel 3:306 BW) na de dag waarop de niet-rechthebbende bezitter is geworden van de strook grond (artikel 3:314 lid 2 BW).

4.6.

De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van de artikelen 3:107 en 3:108 BW. Artikel 3:107 BW omschrijft het bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende artikelen worden gegeven, en op grond van uiterlijke feiten. De interne, niet naar buiten kenbaar gemaakte wil om als rechthebbende op te treden is voor het bestaan van bezit niet relevant. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn.

4.7.

Een bezitter van onroerend goed wordt niet snel als te goeder trouw aangemerkt wanneer aan het bezit geen notariële leveringsakte ten grondslag ligt die is in geschreven in de openbare registers. Vast staat dat er niet een zodanige akte is opgesteld ter zake van de strook grond.

Het gaat hier om een strook grond met een oppervlakte van 600m². Dat de feitelijke situatie destijds geen vragen opriep bij Westervorde - de strook grond maakte door afscheiding met het hek onderdeel uit van het kantorencomplexperceel van de rechtsvoorganger van Westervorde - doet daar niet aan af. In het licht van die omstandigheden is de discrepantie van 600 m² tussen de kadastrale oppervlakte van het perceel en de feitelijk geleverde grond zo groot dat Westervorde zonder meer had moeten begrijpen dat er iets niet klopte en dat zij nader onderzoek had moeten verrichten.

Dit brengt mee dat Westervorde niet als te goeder trouw zijnde kan worden aangemerkt en niet op grond van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW rechthebbende van de strook grond kan zijn geworden.

4.8.

Aldus resteert de mogelijkheid dat Westervorde de eigendom van de strook grond op grond van bevrijdende verjaring heeft verkregen, nu daarvoor geen goede trouw is vereist. De termijn daarvoor is gaan lopen vanaf het moment dat Westervorde of haar rechtsvoorganger bezitter is geworden van de strook grond.

4.9.

Vaststaat dat de Gemeente in haar brief van 14 januari 2019 aan Westervorde aanspraak heeft gemaakt op de strook grond. Voor een geslaagd beroep op extinctieve verjaring is dus van belang dat vast komt te staan dat op of voor 14 januari 1999 (de rechtsvoorganger van) Westervorde de strook grond ondubbelzinnig in bezit heeft genomen.

4.10.

Westervorde stelt dat de verjaring medio 1995/begin 1996 is voltooid. Op 18 april 1995 heeft de Gemeente aan de rechtsvoorganger een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een hekwerk rondom het kantorencomplexperceel. Medio mei 1995/ begin 1996 heeft de rechtsvoorganger uitvoering gegeven aan de bouwvergunning en een hekwerk rondom het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond geplaatst. Ter adstructie verwijst Westervorde naar de overgelegde verklaringen van [naam 1] , die vanaf 1984 een gedeelte van het kantorencomplex huurt voor de uitoefening van zijn tandartspraktijk, verklaart dat “in 1995 of 1996 een hekwerk is geplaatst rondom de groenstrook en het kantoorgebouw. In elk geval is het hekwerk ruim voor 1998 neergezet.”. Voorts verwijst Westervorde naar een verklaring van [naam 2] , die vanaf 19 januari 1998 als balie-assistente in dienst is bij [naam bedrijf 2] gevestigd in het kantorencomplex, die verklaart dat “Toen ik in 1998 in dienst kwam en met mijn werkzaamheden begon stond er om het kantoorcomplex en om het perceel (grasveld) aan de linkerkant van het complex een hekwerk. Het terrein rond het kantoorcomplex en de strook ernaast waren helemaal omheind.”. Westervorde heeft foto’s overgelegd van het hekwerk rondom het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond die eind 1998 zijn gemaakt en in februari 1999 zijn afgedrukt. De verklaringen en de foto’s onderbouwen dat vanaf het moment van inbezitneming van de strook grond deze voor derden niet meer toegankelijk was. Vanaf het moment van de plaatsing van het hekwerk is de Gemeente niet meer op de strook grond geweest, heeft zij nooit bezwaar gemaakt tegen de inbezitneming en het gebruik van de strook grond, is zij niet tegen dat gebruik opgetreden en heeft zij geen enkele eigendomsaanspraak gemaakt op de strook grond.

4.11.

Er is vanaf 19 januari 1998 naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een zodanige machtsuitoefening door (de rechtsvoorganger van) Westervorde dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de Gemeente teniet heeft gedaan. Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stelling van Westervorde en dan met name de bouwvergunning, de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] en de door Westervorde overgelegde foto’s is komen vast te staan dat het hek rondom het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond er ten minste vanaf 19 januari 1998 staat en de verjaringstermijn dus tenminste op 19 januari 1998 is aangevangen en dus voor 14 januari 2019 is voltooid. De Gemeente heeft gelet op die onderbouwing, niet kunnen volstaan met een (algemene) betwisting de accuraatheid van de verklaringen en van de leeftijd van de foto’s, en een in algemene bewoordingen geuite betwisting dat het hekwerk er meer dan twintig jaar staat, Ook uit de door de Gemeente ter zitting getoonde en onlangs gemaakte foto’swaaruit volgens de Gemeente blijkt dat de poort van het hek lange tijd heeft open gestaan kan, gelet op de door Westervorde gegeven toelichting ter zitting dat het toegangshek mogelijk openstond in verband met verbouwingswerkzaamheden van de tandarts, zonder nadere onderbouwing van de Gemeente niet volgen dat de strook grond voor 19 januari 2018 weer openbaar terrein was.

4.12.

Dat slechts sprake zou zijn geweest van bruikleen (en daarmee houderschap) van de strook grond door (de rechtsvoorganger van) Westervorde, zoals de Gemeente onder verwijzing naar de bouwtekening bij de aanvraag van de bouwvergunning voor het hekwerk, de telefoonnotitie van 18 januari 2019 en de leveringsakte van 15 maart 2019 heeft aangevoerd, is door Westervorde uitdrukkelijk betwist en door de Gemeente niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de Gemeente tot bewijs van het gestelde bruikleen toe te laten.

4.13.

De Gemeente komt geen beroep toe op een terughoudende toepassing van de verjaring bij publieke gronden, reeds omdat de situatie waaraan de Gemeente refereert (ECLI:NL:GHSE:2015:1487) niet vergelijkbaar is met de onderhavige situatie, nu in die casus geen sprake was uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de Gemeente kan worden afgeleid.

4.14.

De slotsom is dat Westervorde door bevrijdende verjaring de strook grond in eigendom heeft verkregen en dat zij thans eigenaar is van de strook grond. Dit betekent dat de primaire vordering in conventie wordt afgewezen en dat de in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat Westervorde door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, wordt toegewezen. De gevorderde te verlenen medewerking aan een notariële vastlegging van de verjaring door de Gemeente, waartegen de Gemeente geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd, wordt eveneens toegewezen. De gevorderde dwangsom van € 1.000,00 per dag die de Gemeente verbeurt indien zij in gebreke blijft met de notariële vastlegging van de verjaring zal worden toegewezen. De hoogte van de dwangsom zal worden gemaximeerd op een bedrag van € 25.000,00.

4.15.

De Gemeente vordert subsidiair, indien sprake zou zijn van verjaring, primair dat de schade in natura wordt voldaan door overdracht van de strook grond aan de Gemeente en subsidiair vordert de Gemeente een bedrag aan schadevergoeding te begroten door een door de rechtbank te benoemen deskundige. De Gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat (de rechtsvoorganger van) Westervorde onrechtmatig heeft gehandeld door de strook grond in gebruik te hebben en te houden.

4.16.

Westervorde en Werkenwonen voeren aan dat de vordering tot schadevergoeding ter compensatie van het verlies van eigendom is verjaard en voorts dat de schadevergoeding in natura dan wel geld moet worden afgewezen omdat niet Westervorde maar haar rechtsvoorganger de strook grond onrechtmatig in bezit heeft genomen. Westervorde heeft dit bezit voortgezet. Bovendien wijkt deze zaak op nog een essentieel punt af van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309) waarop de Gemeente zich heeft beroepen, te weten dat de Gemeente in onderhavige zaak wist dat Westervorde en haar rechtsvoorganger inbreuk maakten op haar eigendomsrechten. Echter, de Gemeente liet tot 2019 na om hiertegen op te treden.

4.17.

De vordering is onderworpen aan verjaring op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW. Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat uit het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge die bepaling een aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon). De verjaring is in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring.

4.18.

De vijfjaren termijn is in deze zaak nog niet verstreken gelet op het feit dat het eigendomsverlies van de Gemeente eerst in deze procedure is vastgesteld.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schadeveroorzakende gebeurtenis in dit geval niet het moment van de in bezit name van de strook grond door (de rechtsvoorganger van) Westervorde is, maar het moment dat de bezitter de eigendom van de strook grond verkrijgt door (bevrijdende) verjaring. In het onderhavige geval heeft Westervorde de eigendom van de strook grond verkregen begin 2018. Pas op dat moment is de twintigjarentermijn van artikel 3:310 lid 1 BW gaan lopen en de vordering tot schadevergoeding is, nu deze termijn nog niet is verstreken, dus ook niet verjaard.

4.19.

Ten aanzien van het verweer van Westervorde dat niet zij, maar haar rechtsvoorganger de strook grond onrechtmatig in bezit heeft genomen en dat Westervorde dit bezit (slechts) heeft voortgezet en dat zij dus niet aansprakelijk kan zij op grond van onrechtmatige daad, wordt overwogen dat in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 terzake staat vermeld:

Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat deze laatste, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt.

Blijkens het arrest gaat het derhalve niet alleen om inbezitneming maar ook het in bezit houden. Daar Westervorde het bezit van de strook grond heeft voortgezet en dus in bezit heeft gehouden vanaf 28 april 1999 tot heden, slaagt haar verweer dat niet zij, maar haar rechtsvoorganger de strook grond onrechtmatig in bezit heeft genomen niet.

4.20.

Ten aanzien van het beroep van Westervorde en Werkenwonen op het ontbreken van een causaal verband en op eigen schuld van de Gemeente geldt dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 24 februari 2017 heeft overwogen:

De bezitter kan in een dergelijke procedure, indien die betrekking heeft op een onroerende zaak, de benadeelde in de regel niet, bij wijze van eigen schuld (art. 6:101 BW) of ten betoge dat causaal verband ontbreekt, tegenwerpen dat deze heeft nagelaten regelmatig onderzoek te doen naar eventuele inbezitnemingen van zijn zaak door onbevoegden. Van een grondeigenaar kan niet worden verlangd dat hij zijn percelen periodiek op bezitsinbreuken controleert als daarvoor geen concrete aanleiding bestaat – in het bijzonder niet voor zover die percelen moeilijk begaanbaar of moeilijk toegankelijk zijn – op straffe van het verval of de beperking van zijn aanspraken op schadevergoeding jegens degenen die hem toebehorende grond wederrechtelijk in bezit mochten hebben genomen. Daarom kan het achterwege laten van dergelijke periodieke inspecties in de regel niet worden aangemerkt als een aan de eigenaar toerekenbare omstandigheid waarvan het verlies van de eigendom mede het gevolg is.

4.20.1.

Voor zover Westervorde en Werkenwonen hebben betoogd dat het vereiste causaal verband ontbreekt omdat de Gemeente heeft nagelaten om op te treden tegen (de rechtsvoorganger) van Westervorde stuit dit op het voorgaande af omdat er geen “inspectieplicht” rustte op de Gemeente.

4.20.2.

Op het punt van het beroep op “eigen schuld” van de Gemeente wijkt deze casus echter wel af. Immers, in deze zaak heeft de Gemeente heeft een bouwvergunning afgegeven voor het plaatsen van het hek rond het kantorencomplexperceel inclusief de strook grond. Uit de tekening behorende bij de door de rechtsvoorganger van Westervorde bij het verzoek om bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een hekwerk blijkt dat de strook grond destijds “Gemeentegrond” was.

4.20.3.

De Gemeente was derhalve op 18 april 1995 (datum afgifte bouwvergunning) bekend met de bezitsinbreuk die door de rechtsvoorganger van Westervorde door het plaatsen van het hek plaats zou gaan vinden. De Gemeente heeft hierin echter geen aanleiding gezien om met de rechtsvoorganger van Westervorde afspraken omtrent het gebruik van de strook grond te maken noch heeft de Gemeente ondanks de in haar organisatie aanwezige wetenschap aanleiding gezien om eerder en dus tijdig de verjaring van de eigendom te stuiten.

4.20.4.

Het door de Gemeente ter comparitie hiertegen aangevoerde argument dat de rechtsvoorganger van Westervorde haar heeft gevraagd om het hek te mogen plaatsen ter bescherming van haar eigendommen en dat de Gemeente hiervoor toestemming heeft gegeven, heeft zij niet onderbouwd, zodat dit niet is vast komen te staan.

4.20.5.

De hiervoor onder 4.20.3 aangehaalde omstandigheden dienen aan de Gemeente in het kader van eigen schuld te worden toegerekend voor vijftig procent zodat Westervorde vijftig procent van de waarde van het perceel grond aan de Gemeente dient te vergoeden.

4.21.

In de discussie van partijen over de schadevergoeding hebben zowel de Gemeente (in conventie) als Westervorde (in voorwaardelijke reconventie) te kennen gegeven dat de waarde van de strook grond door een (door de rechtbank te benoemen) deskundige dient te geschieden.

4.22.

Het standpunt van Westervorde en Werkenwonen dat bij het bepalen van de waarde van de strook grond rekening dient te worden gehouden met de kosten die Westervordep heeft gemaakt aan onderhoud (met name het regelmatig maaien van het gras) van het perceel grond, wordt overwogen dat Westervorde zelf al die jaren ook het genot heeft gehad van het perceel grond en het onderhoud, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de kosten van onderhoud van invloed te laten zijn op de waardering van het perceel grond.

4.23.

Voor de waardering van de strook, met als peildatum 19 januari 2018, zal (een) onafhankelijke deskundige(n) worden benoemd. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen teneinde de Gemeente en Westervorde en Werkenwonen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal, discipline en persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) voor te leggen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging om met een eenparig voorstel te komen. Wanneer partijen zich uitlaten, dienen zij daarbij aan te geven waarover zij het eens zijn en waarover niet en in dat laatste geval ook waarom niet.

4.24.

Het voorschot ter zake van de kosten en het honorarium van de deskundige(n) dienen krachtens artikel 195 Rv door de Gemeente te worden voldaan.

4.25.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in conventie en (voorwaardelijke) reconventie aan.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verstaat de vordering tegen Werkenwonen als ingetrokken;

voorts in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 maart 2020 voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld onder 4.22;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2020.1451/2294