Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2233

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
10/996716-17 en 10/993044-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan BTW-fraude, verduistering en het beschikbaar stellen van valse bescheiden aan de Belastingdienst. Oplichting van een financieringsinstelling.

Het bedrijf van de verdachte was algemeen fiscaal vertegenwoordiger van een buitenlands bedrijf. De verdachte heeft uit dien hoofde gedurende ruim twee jaar onjuiste aangiften omzetbelasting voor dat buitenlandse bedrijf bij de Belastingdienst ingediend. Hij heeft een te laag bedrag aan omzet in die aangiften opgegeven en dus ook een te laag bedrag aan af te dragen omzetbelasting opgegeven. Hierdoor is de fiscus voor een bedrag van EUR 4.700.000,- benadeeld, welk bedrag de verdachte zich heeft toegeëigend. Om te voorkomen dat dit zou worden ontdekt, heeft hij onderliggende stukken vervalst en die vervalste stukken aan de Belastingdienst verstrekt. Ook heeft hij op basis van valse stukken een krediet verstrekt gekregen bij een financieringsinstelling. De rechtbank legt de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-03-2020
FutD 2020-0884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/996716-17 en 10/993044-19

Datum uitspraak: 6 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Tegelen.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2019, 14 februari 2020 en 6 maart 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met bovenvermelde parketnummers. De dagvaarding met parketnummer 10/996716-17 is op de terechtzitting van 27 november 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van beide tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Terpstra heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 primair (parketnr. 10/996716-17) ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 subsidiair en 3 (parketnr. 10/996716-17) en het primair (parketnr. 10/993044-19) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    bevel gevangenneming bij de uitspraak van het vonnis.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. De Belastingdienst had de verdachte aansprakelijk moeten stellen, omdat de Belastingdienst al aan het invorderen is bij de verdachte, aldus de raadsvrouw.

4.2.

Beoordeling

Op de terechtzitting is aan de orde gekomen dat de Belastingdienst verschuldigde inkomstenbelasting aan het invorderen is bij de verdachte. Het feit dat de Belastingdienst verschuldigde, nog niet betaalde belasting aan het invorderen is bij de verdachte, staat een strafrechtelijke vervolging niet in de weg.

Voor zover het verweer van de verdediging zo moet worden begrepen dat zij een beroep doet op het ‘una via beginsel’, gaat ook dat verweer niet op. Het ‘una via beginsel’ houdt, kort gezegd, in dat geen strafvervolging mag worden ingesteld, indien ter zake van hetzelfde feit aan de verdachte reeds een bestuurlijke boete is opgelegd. In deze zaak is geen bestuurlijke boete opgelegd aan de verdachte (overigens ook niet aan zijn bedrijf [naam bedrijf 1] , hierna ook: [naam bedrijf 1] ), zodat geen sprake is van schending van het ‘una via beginsel’.

Het verweer wordt verworpen.

Overige feiten en feiten en omstandigheden die tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie zouden moeten leiden, zijn de rechtbank niet gebleken.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Vrijspraak van feit 2 primair (parketnr. 10/996716-17)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder
2 primair (parketnr. 10/996716-17) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

5.2.

Bewezenverklaring van de feiten 1, 2 subsidiair en 3 (parketnr. 10/996716-17) en het primaire feit (parketnr. 10/993044-19)

Het onder 1, 2 subsidiair en 3 (parketnr. 10/996716-17) en het primair (parketnr. 10/993044-19) ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 (parketnr. 10/996716-17) en het primair (parketnr. 10/993044-19) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/996716-17

1.

[naam bedrijf 1] in de periode van 1 april 2011 tot en met 1 mei 2013 in Nederland (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger) meermalen [naam bedrijf 2] (gevestigd te Hong Kong met BTW-nummer [btw-nummer] ) heeft doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten kwartaalaangiften omzetbelasting over de jaren 2011 en 2012 en het eerste kwartaal 2013, onjuist doen (DOC-050, 6 tot en met 14),

immers heeft [naam bedrijf 1] (in haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [naam bedrijf 2] ) telkens opzettelijk in die digitale aangiften ten name van [naam bedrijf 2] een te laag bedrag aan belaste prestaties (rubriek 1a) en een te laag bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting (AMB-013 en AMB-004, tabel 11, dossier p. 424) opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding

heeft gegeven;

2. subsidiair

[naam bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 in Nederland meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), dat toebehoorde aan [naam bedrijf 2] , en welke hoeveelheid geld [naam bedrijf 1] uit hoofde

van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [naam bedrijf 2] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[naam bedrijf 1] in de periode 1 februari 2015 tot en met 31 mei 2017 in Nederland als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze telkens in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [naam bedrijf 1]

op 25 februari 2015 rekeningafschriften op naam van [naam bedrijf 1] (betreffende de rekening-courant bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 1] ) (DOC-027-01, DOC-063, DOC-027-02 en DOC-064) enop 12 en 13 september 2016 digitale bestanden met Excel spreadsheets betrekking hebbende op de Nederlandse omzet/verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] over de jaren 2011 en 2012 (DOC-004-D) enop 22 september 2016 de verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] aan [naam bedrijf 3] . KG betreffende currentnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] (DOC-014-01, 02, 03 en 04) enomstreeks 17 maart 2017 28 verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] . aan [naam bedrijf 3] . KG (H14/1; DOC-037-D) enop 10 april 2017 3 enveloppen met verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] . aan [naam bedrijf 3] . KG (H15/1 tot en met H15/4; DOC-042-01 tot en met 04) enin mei 2017 17 verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] . aan [naam bedrijf 3] . KG (H15/5; DOC-044-D)

beschikbaar gesteld en verstrekt aan de controlerende belastingambtenaren ( [naam ambtenaar 1] en [naam ambtenaar 2] ) (nadat op 22 april 2014 de eindcontrole omzetbelasting van [naam bedrijf 2] was aangezegd aan de vennootschap als fiscaal vertegenwoordiger en de Belastingdienst in de tussenliggende periode van ruim twee jaren op de voet van de artikelen 47 en 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bij herhaling verzocht heeft om de administratie in te zien of beschikbaar te krijgen en om overlegging van spreadsheets en facturen en bankrekeningafschriften in samenhang met de omzetbelastingaangiften namens [naam bedrijf 2] ), bestaande die valsheid of vervalsing uit - zakelijk weergegeven:

de wijziging van de naam [naam ] in [naam bedrijf 2] op die rekeningafschriften of-de wijziging van verkoopomzet op de Excel spreadsheets of-de wijziging van factuurbedragen en in rekening gebrachte omzetbelasting op die verkoopfacturen,

terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

Parketnummer 10/993044-19

primair

hij in de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam bedrijf 4] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag (van 50.000,- euro) door overmaking naar de bankrekening (met nummer [bankrekeningnummer 2] ) ten name van hem, verdachte, hebbende hij, verdachte, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk in strijd met de waarheid via de website van [naam bedrijf 4] een

kredietaanvraag voor een persoonlijke lening (ter grootte van 50.000,- euro) ingediend en ter onderbouwing van deze aanvraag een (vals) pensioenoverzicht van mijnpensioenoverzicht.nl op naam van hem, verdachte, inhoudende een pensioen van 55.857,- euro per jaar (dossier p. 31) en een (vals) rekeningafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , inhoudende een creditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) en een salarisbetaling van European Customs Clearan aan hem, verdachte, over de maand november (dossier p. 39 - 46) ingediend, waardoor [naam bedrijf 4] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/996716-17

1

doen plegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

2
2. subsidiair

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

3

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Parketnummer 10/993044-19

primair

oplichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van [naam bedrijf 1] gedurende twee jaren schuldig gemaakt aan omvangrijke BTW-fraude. Zijn bedrijf [naam bedrijf 1] was in die periode algemeen fiscaal vertegenwoordiger van een bedrijf uit Hong Kong. Uit dien hoofde diende [naam bedrijf 1] (in de persoon van de verdachte) in Nederland de aangiften omzetbelasting namens dat buitenlandse bedrijf in en betaalde [naam bedrijf 1] de van dat buitenlandse bedrijf ontvangen omzetbelasting aan de Belastingdienst. De verdachte heeft op de belastingaangiften een te laag bedrag aan omzet en omzetbelasting vermeld. Hij heeft een bedrag van ongeveer € 4.700.000,-, aan omzetbelasting dat hij van het buitenlandse bedrijf had ontvangen, niet aangegeven bij en dus ook niet afgedragen aan de Belastingdienst, maar in eigen zak gestoken. Om te voorkomen dat deze fraude en verduistering ontdekt zouden worden, heeft de verdachte diverse onderliggende stukken vervalst. Hij heeft onder meer factuurbedragen en in rekening gebrachte omzetbelasting op verkoopfacturen van het buitenlandse bedrijf gewijzigd en bankrekeningafschriften van [naam bedrijf 1] aangepast om de onjuiste belastingaangiften ‘kloppend’ te maken. De vervalste bescheiden heeft hij aan de controlerende ambtenaren van de Belastingdienst verstrekt.

De verdachte heeft een deel van het fraudebedrag in zijn noodlijdende bedrijven gestoken en betaald aan crediteuren. Hij wilde koste wat kost een faillissement voorkomen, maar heeft daarin volstrekt verkeerde keuzes gemaakt. Ook heeft verdachte aanzienlijke bedragen gebruikt voor privé-uitgaven, zoals een auto van ongeveer € 100.000,-, de verbouwing van zijn huis voor ongeveer € 100.000,- en de aflossing van zijn hypotheek voor een bedrag van € 380.000,-.

Door het doen van onjuiste aangiften, is te weinig belasting geheven waardoor de Belastingdienst voor substantiële geldbedragen benadeeld is. Een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting staat of valt met de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften. In het geval hier niet van uit kan worden gegaan, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting volledig ondergraven. Dit doet afbreuk aan de belastingmoraal en brengt de overheid en daarmee de gehele samenleving nadeel toe. De strafbaarstelling van belastingfraude beschermt overigens niet alleen de gemeenschapsbelangen, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingfraude kan leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle belastingplichtigen. Daarnaast heeft de verdachte door zijn handelen het vertrouwen dat het buitenlandse bedrijf in hem als algemeen fiscaal vertegenwoordiger mocht hebben, geschonden en haar financiële schade toegebracht.

Voorts heeft de verdachte een financieringsinstelling opgelicht. Door een vervalst pensioenoverzicht en vervalste bankrekening bij de kredietaanvraag in te dienen, heeft hij een krediet van € 50.000,- verstrekt gekregen, waar hij op basis van zijn toenmalige financiële sitiatie hoogstwaarschijnlijk niet voor in aanmerking zou zijn gekomen. Een bedrag van ruim € 40.000,- van deze lening is niet afgelost.

Financieringsinstellingen stellen in de regel strenge eisen aan een financiering om de kans dat de financiering wordt terugbetaald zo groot mogelijk te laten zijn. Door onjuiste gegevens aan te leveren, heeft de verdachte het voor de financieringsinstelling onmogelijk gemaakt om het daadwerkelijke risico te doorzien. Dit heeft er uiteindelijk ook in geresulteerd dat de financieringsinstelling is achtergebleven met een aanzienlijke schadepost. Verdachte biedt op dit moment immers geen verhaal.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij steeds alleen maar gemakkelijk eigen financieel gewin voor ogen heeft gehad en daarbij zeer berekenend te werk is gegaan om zijn handelen te verdoezelen. Niet alleen door het vervalsen van allerlei documenten, maar ook door het rekken van de controle door de Belastingdienst, zodat ontdekking van de door hem gepleegde feiten werd uitgesteld. Ook hierbij heeft de verdachte dus alleen aan zichzelf gedacht.

Gezien de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, alsook de hoogte van het totale fraudebedrag en de geruime periode waarin hij de fraude heeft gepleegd, is enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Omdat feiten als de onderhavige relatief eenvoudig zijn te plegen van achter de eigen computer, dient van de straf een afschrikwekkende werking uit te gaan. Het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, doet geen recht aan de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op het totale geldbedrag waarvoor de Belastingdienst en [naam bedrijf 4] zijn benadeeld, straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, en het rapport van 20 november 2019 dat de Reclassering Nederland over hem heeft opgemaakt.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte inmiddels 69 jaar oud is, en met het feit dat de meeste bewezen verklaarde feiten geruime tijd geleden zijn gepleegd.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de strafoplegging ook in het voordeel van de verdachte moet worden meegewogen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In de onderhavige zaak moet de inverzekeringstelling van de verdachte op 14 mei 2018 worden gezien als de eerste daad van vervolging, zoals hiervoor bedoeld. Op deze datum is de redelijke termijn dus aangevangen. Nu binnen twee jaar na de aanvang van deze termijn vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn niet geschonden.

Het verweer wordt verworpen.

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een gevangenissstraf voor de duur van
drie jaren, zoals de officier van justitie heeft geëist, passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenneming te bevelen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen van 47, 51, 57, 322 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair (parketnr. 10/996716-17) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 (parketnr. 10/996716-17) en primair (parketnr. 10/993044-19) ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.A. Cnossen, voorzitter,

en mrs. J.C.M. Persoon en G. Schnitzler, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2020.

Bijlage I

Parketnummer 10/996716-17

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[naam bedrijf 1] in de periode van 1 april 2011 tot en met 1 mei

2013 te Rotterdam en/of Venlo en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland (in

haar hoedanigheid van algemeen fiscaal vertegenwoordiger) meermalen

[naam bedrijf 2] (gevestigd te Hong Kong met BTW-nummer [btw-nummer] ) heeft

doen plegen het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten kwartaalaangiften

omzetbelasting over de jaren 2011 en/of 2012 en/of het eerste kwartaal 2013,

onjuist en/of onvolledig doen (DOC-050, 6 tot en met 14),

immers heeft [naam bedrijf 1] (in haar hoedanigheid van algemeen

fiscaal vertegenwoordiger van [naam bedrijf 2] ) telkens opzettelijk in die

(digitale) aangiften ten name van [naam bedrijf 2] een te laag bedrag aan

belaste prestaties (rubriek 1a) en/of een te laag bedrag aan (af te dragen)

omzetbelasting (AMB-013 en AMB-004, tabel 11, dossier p. 424) opgegeven,

terwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding

heeft gegeven;

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2013 te Rotterdam

en/of Venlo en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk

een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die

(telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [naam bedrijf 2] en/of

Zollagentur [naam ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

hem,verdachte, en/of [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 5]

en/of [naam bedrijf 6] en/of [naam bedrijf 7] ,

en welke hoeveelheid geld hij, verdachte, en/of [naam bedrijf 1]

(telkens) uit hoofde van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van

[naam bedrijf 2] en/of tegen geldelijke vergoeding (in het kader van de fiscale

en financiële dienstverlening) onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31

mei 2013 te Rotterdam en/of Venlo en/of elders in Nederland meermalen

opzettelijk

een hoeveelheid geld (tot een totaal van ongeveer 4,7 miljoen euro), die

(telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan [naam bedrijf 2] en/of

[naam ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

hem, verdachte, en/of [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 5]

en/of [naam bedrijf 6] en/of [naam bedrijf 7] ,

en welke hoeveelheid geld [naam bedrijf 1] (telkens) uit hoofde

van het beroep van algemeen fiscaal vertegenwoordiger van [naam bedrijf 2]

en/of tegen geldelijke vergoeding (in het kader van haar fiscale en

financiële dienstverlening), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding

heeft gegeven;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

3.

[naam bedrijf 1] op verschillende tijdstippen in de periode 1

februari 2015 tot en met 31 mei 2017 te Rotterdam en/of elders in Nederland

(telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor

raadpleging beschikbaar stellen van boeken en/of bescheiden en/of ander

gegevensdragers of de inhoud daarvan,

deze (telkens) in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft

gesteld, immers heeft [naam bedrijf 1]

(op of omstreeks 25 februari 2015) rekeningafschriften op naam van [naam bedrijf 1]

(betreffende de rekening-courant bij de Rabobank met

nummer [bankrekeningnummer 1] ) (DOC-027-01, DOC-063, DOC-027-02 en DOC-064)

en/of

(op of omstreeks 12 en 13 september 2016) (digitale bestanden met) Excel

spreadsheets betrekking hebbende op de (Nederlandse) omzet/verkoopfacturen van

[naam bedrijf 2] over de jaren 2011 en/of 2012 (DOC-004-D) en/of

(op of omstreeks 20 september 2016) een drietal sets bescheiden met betrekking

tot de currentnummers [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] en/of de verkoopfacturen van

[naam bedrijf 2] aan [naam bedrijf 3] . KG met nummer [factuurnummer 1] d.d. 8 september

2011 (DOC-010-01 blad 5, blz. 1024) en/of [factuurnummer 2] d.d. 28 september 2011

(DOC-010-02 blad 6, blz. 1031) en/of [factuurnummer 3] d.d. 9 september 2011

(DOC-010-03 blad 5, blz. 1037) en/of

(op of omstreeks 22 september 2016) de verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] aan

[naam bedrijf 3] . KG betreffende currentnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en

[nummer 4] (DOC-014-01, 02, 03 en 04) en/of

(op of omstreeks 17 maart 2017) (28) verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] . aan [naam bedrijf 3]

KG (H14/1; DOC-037-D) en/of

(op of omstreeks 10 april 2017) (3 enveloppen met) verkoopfacturen van [naam bedrijf 2]

aan [naam bedrijf 3] . KG (H15/1 tot en met H15/4; DOC-042-01 tot en met 04)

en/of (in mei 2017) (17) verkoopfacturen van [naam bedrijf 2] . aan [naam bedrijf 3] KG

(H15/5; DOC-044-D)

beschikbaar gesteld en/of verstrekt aan de controlerende belastingambtenaren

( [naam ambtenaar 1] en/of [naam ambtenaar 2] ) (nadat op 22 april 2014 de eindcontrole

omzetbelasting van [naam bedrijf 2] was aangezegd aan de vennootschap als

fiscaal vertegenwoordiger en de Belastingdienst in de tussenliggende periode

van ruim twee jaren op de voet van de artikelen 47 en 48 van de Algemene wet

inzake rijksbelastingen en/of artikel 31a van de Uitvoeringsbeschikking

omzetbelasting 1968 bij herhaling verzocht heeft om de administratie in te

zien of beschikbaar te krijgen en/of om overlegging van spreadsheets en/of

facturen en/of bankrekeningafschriften in samenhang met de

omzetbelastingaangiften namens [naam bedrijf 2] ),

bestaande die valsheid of vervalsing uit - zakelijk weergegeven:

-(onder meer) de wijziging van de naam [naam ] in [naam bedrijf 2]

op die rekeningafschriften en/of

-(onder meer) de weglating en/of wijziging van verkoopomzet op de Excel

spreadsheets en/of

-(onder meer) de wijziging van factuurbedragen en/of in rekening gebrachte

omzetbelasting op die verkoopfacturen,

terwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding

heeft gegeven.

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 1 ahf/ond c Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 10/993044-19

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018

te Venlo en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door

een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 4] heeft

bewogen tot het aangaan van een schuld (te weten het aangaan van een

kredietovereenkomst ter hoogte van 50.000,- euro), en/of tot afgifte van een

geldbedrag (van 50.000,- euro) door overmaking naar de bankrekening (met

nummer [bankrekeningnummer 2] ) ten name van hem, verdachte,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk in strijd met de waarheid via de website van [naam bedrijf 4] een

kredietaanvraag voor een persoonlijke lening (ter grootte van 50.000,- euro)

ingediend en ter onderbouwing van deze aanvraag een (vals) pensioenoverzicht

van mijnpensioenoverzicht.nl op naam van hem, verdachte, inhoudende een

pensioen van 55.857,- euro per jaar (dossier p. 31) en/of een (vals)

rekeningafschrift van rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] , inhoudende een

creditsaldo (van 9.012,29 euro op 30 november 2017) en/of een salarisbetaling

van European Customs Clearan aan hem, verdachte, over de maand november

(dossier p. 39 - 46) ingediend,

waardoor [naam bedrijf 8] en/of [naam bedrijf 4]

werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld en/of afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2017 tot en met 8 januari 2018

te Venlo en/of Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

opzettelijk

- een pensioenoverzicht op naam van hem, verdachte, van

mijnpensioenoverzicht.nl, gedateerd 22 december 2017 (dossier p. 31) en/of

- een rekeningafschrift (8 pagina's) van de Rabobank op naam van hem,

verdachte, en/of [naam] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2]

(dossier p. 39-46),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het

oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en/of dat vervalsen

(telkens) hierin bestaan dat

- op genoemd pensioenoverzicht was opgenomen dat hij, verdachte, een bedrag

van 44.743,00 euro bruto per jaar ontvangt van Zwitserleven en/of een

gezamenlijk pensioen van 55.857,- euro bruto per jaar ontvangt en/of

- op genoemd rekeningafschrift was vermeld dat hij, verdachte, een

salarisbetaling van European Customs Clearan ten bedrage van 4.068,38 euro had

ontvangen over de maand november en/of de bankrekening een creditsaldo (van

9.012,29 euro op 30 november 2017) had.

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht