Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2206

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19/681
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgeversberoep ziek tgv zwangerschap/bevalling. Gegrond.

Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:2487

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/681

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Woltman.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder mevrouw [naam werkneemster] (werkneemster), vanaf 30 juli 2018 een uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) geweigerd.

Bij besluit van 2 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Ter zitting is de zaak aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op een nader stuk van eiseres. Partijen hebben hierna nadere stukken ingediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Werkneemster ontving een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in de periode van 5 maart 2018 tot en met 30 juni 2018. Per 30 juli 2018 meldde zij zich ziek voor haar werk als projectondersteuner vanwege psychische klachten. Op 30 augustus 2018 heeft verweerder beoordeeld of de arbeidsongeschiktheid van werkneemster het gevolg is van haar zwangerschap of bevalling. Verweerder heeft geconcludeerd dat werkneemster per de datum in geding niet arbeidsongeschikt is als direct gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Verweerder heeft hierop het primaire besluit genomen.

2. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de sociaal medisch verpleegkundige/verzekeringsarts.

3. Eiseres stelt dat er een causaal verband is tussen de zwangerschap of bevalling, de depressieve klachten en de uitval. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychiater ten onrechte niet gevraagd naar de causaliteit. Eiseres stelt dat uit de informatie van de psychiater blijkt dat de klachten ontstaan zijn rond de bevalling. Volgens eiseres lag het in de lijn der verwachtingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de huisarts vragen zou stellen over de psychische klachten van werkneemster in het verleden en zij meent dat deze informatie nodig is om een gemotiveerde beslissing te nemen. Het primaire onderzoek kan volgens eiseres geen stand houden, omdat dit is uitgevoerd door een onvoldoende deskundig persoon.

4.1.

Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft - kort weergegeven - recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon de vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend op het recht op uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg in verband met bevalling ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

4.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3142) komt naar voren dat de in artikel 29a ZW bedoelde arbeidsongeschiktheid een direct gevolg moet zijn van de zwangerschap en/of bevalling, wil na het bevallingsverlof aanspraak bestaan op een uitkering ingevolge dit artikel van de ZW.

4.3.

In de Richtlijn zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid (de richtlijn) is bepaald dat de verzekeringsarts in elk individueel geval een afweging zal moeten maken of het aannemelijk is dat de oorzaak van de depressie gelegen is in de zwangerschap, de bevalling of de periode direct aansluitend op de bevalling waarin ontzwangering plaatsvindt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat werkneemster op 30 augustus 2018 is gezien door een sociaal medisch verpleegkundige, waarna zij een medische rapportage heeft opgesteld. Uit deze rapportage blijkt dat zij haar bevindingen heeft besproken met de verzekeringsarts en dat hij de rapportage heeft ondertekend. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover er al sprake was van een gebrek, verweerder dit in bezwaar heeft hersteld nu werkneemster op 28 november 2018 is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1.

Tijdens het spreekuur op 30 augustus 2018 heeft werkneemster verklaard dat de somberheid 7 weken na de bevalling is ontstaan nadat haar dochtertje weer naar huis kwam na een ziekenhuisopname en dat waarschijnlijk de week daarvoor ook al sprake was van somberheidsklachten. In de brieven van 10 december 2018 en 18 juli 2019 schrijft de psychiater dat de klachten in de eerste weken na de bevalling zijn ontstaan en daarna in ernst zijn toegenomen. Dit standpunt is gebaseerd op anamnese, dus wat werkneemster daar tegen de psychiater over heeft verklaard. De rechtbank gaat daarom uit van de door werkneemster aan verweerder afgelegde verklaring dat haar psychische klachten 6 tot 7 weken na de bevalling zijn ontstaan. In de rapportage van 30 augustus 2018 is onder het kopje medische overwegingen opgenomen dat ter beoordeling staat of sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de bevalling en dat de psychische klachten enkele weken na de bevalling zijn ontstaan. Tussen de sociaal medisch verpleegkundige/verzekeringsarts en de psychiater is dus geen verschil van mening dat de klachten enkele weken na de bevalling zijn ontstaan. De psychiater geeft in de brief van 18 juli 2019 aan geen uitspraak te kunnen doen over een causaal verband, omdat de DSM-5 hierover geen uitspraken doet. Wel stelt hij dat het zeer waarschijnlijk is dat er een verband is tussen de klachten en zwangerschap en/of bevalling en dat het niet waarschijnlijk is dat er geen verband tussen beiden heeft bestaan. De rechtbank is van oordeel dat het hiermee gelet op 4.2.1. van de richtlijn aannemelijk is geworden dat de oorzaak van de psychische klachten gelegen is in de bevalling of in de periode direct aansluitend op de bevalling waarin ontzwangering plaatsvindt. De rechtbank merkt hierbij op dat deze afweging is gemaakt op basis van de aspecten die voor dit individuele geval gelden en dat deze conclusie daarmee betrekking heeft op dit individuele geval.

6.2.

Uit het bovenstaande volgt dat werkneemster per 30 juli 2018 arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling.

7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

8.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, ziet zij aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van vergoedt.

8.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

8.3.

Ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor de factuur van 16 juni 2019 van Incentivo Medical B.V. overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van het Bpb komt voor vergoeding onder meer in aanmerking kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. De factuur van 16 juni 2019 omvat kosten voor dossierstudie en overleg met gemachtigde, het opstellen van een medische vraagstelling aan de behandelaar en aanzet uitkomsten medische informatie aan Houberg in het kader van de taakdelegatie. Hierbij is echter geen sprake van het uitbrengen van een verslag aan een partij. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

8.4.

Onder de gedingstukken bevindt zich een factuur van 18 juli 2019 van de psychiater € 85,09, en betreft schriftelijke informatieverstrekking. Deze kosten merkt de rechtbank aan als kosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, en komen voor vergoeding in aanmerking. Het totaal van de door verweerder aan eiseres te vergoeden proceskosten bedraagt hiermee € 1.660,09.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.660,09.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in tegenwoordigheid van

J.G. Mierop en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.