Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2197

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
10/271680-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezit verdovende middelen en vuurwapen. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/271680-19

Datum uitspraak: 11 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 12 november 2019 zijn bij een doorzoeking van een woning aan de [adres delict] te Rotterdam 3308,5 gram cocaïne, 230 gram heroïne en 3445 gram hennep alsmede een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. In de woning was alleen de verdachte aanwezig.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij de aangetroffen verdovende middelen en het vuurwapen voorhanden heeft gehad.

4.2.

Bewijsverweer ten aanzien van de doorzoeking

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verweer van de raadsman niet aan de eisen die de Hoge Raad stelt aan een verweer in het kader van artikel 359a Sv, omdat verzuimd is aan te geven welk concreet nadeel voor de verdachte is ontstaan als gevolg van de geschonden belangen zodat de rechtbank aan het betoog voorbij gaat.

4.3.

Bewijsverweer ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen en het vuurwapen

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte niet wist en niet heeft gezien dat zich in de woning waar hij is aangehouden grote hoeveelheden verdovende middelen bevonden en dat een vuurwapen aanwezig was. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdovende middelen en het vuurwapen van ‘ [naam] ’, een blanke Antilliaan, waren. [naam] had het vuurwapen een aantal weken voor zijn aanhouding aan hem gegeven, waarna hij het slechts vluchtig in zijn handen heeft gehad.

Beoordeling

De verdachte is aangetroffen in een woning waar verschillende soorten en hoeveelheden verdovende middelen aanwezig waren. Ook werd daar een vuurwapen aangetroffen. In de woning waren diverse ruimtes ingericht voor de verwerking van verdovende middelen. Er werd een inwerking zijnde pers aangetroffen voor het persen van cocaïne en allerlei andere attributen waaruit blijkt dat de woning intensief werd gebruikt voor het bewaren, bewerken, verwerken en verpakken van verdovende middelen. De verdovende middelen lagen, veelal voor het blote oog zichtbaar, verspreid in de verschillende ruimtes van de woning. Op het keukenblad lag een vuurwapenkoffer met patronen en in de badkamer lag een vuurwapen. Op het vuurwapen en op de in het vuurwapen aanwezige patroonhouder is verdachtes DNA aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is bewezen dat de verdachte wist dat de verdovende middelen en het vuurwapen in het huis waren en dat hij daarover beschikkingsmacht heeft gehad. Dat hij niet precies heeft geweten om welke hoeveelheden het is gegaan, zoals de raadsman subsidiair heeft opgemerkt, doet aan het bewijs van zijn voorwaardelijk opzet op deze hoeveelheden niet af.

Dat de aangetroffen verdovende middelen en het vuurwapen van [naam] waren, is niet aannemelijk geworden en vindt geen steun in het dossier. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat [naam] een blanke Antilliaan is, terwijl de verdachte [naam] bij de politie beschrijft als een ‘negroïde jongen’. Getuige [naam getuige] omschrijft ook een [naam] , die haar woning waar het wapen en de verdovende middelen zijn aangetroffen gebruikt. Zij omschrijft hem als een Griek met kort donkerblond haar. Het bestaan van de [naam] , zoals door de verdachte gepresenteerd, is dan ook niet aannemelijk geworden, en ook nader onderzoek door de politie heeft niet geleid tot het traceren van deze [naam] .

De verdachte heeft als alternatief scenario naar voren gebracht dat zijn DNA op het vuurwapen en de patroonhouder terecht is gekomen, omdat hij het vuurwapen een aantal weken voor zijn aanhouding kortdurend in zijn handen heeft gehad toen [naam] het vuurwapen aan hem gaf. De verklaring van de verdachte is, mede gelet op het voorgaande betreffende de identiteit van [naam] , niet te beschouwen als een geloofwaardig alternatief scenario.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. De verweren worden verworpen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 12 november 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk/type Makarov PM, kaliber 9x18 Makarov en

munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

- twee kogelpatronen, kaliber 9x18mm Makarov en

- drie knalpatronen, kaliber 9mm Knal, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 12 november 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 3308,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 230 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 12 november 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 3445 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, heroïne en hennep. De verdovende middelen zijn aangetroffen in een woning waar de verdachte regelmatig verbleef, welke woning blijkens de staat waarin deze verkeerde een zogeheten ‘versnijdingspand’ was. Het is algemeen bekend dat harddrugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van hard- en softdrugs. Dat blijkt ook wel uit de aanwezigheid van een geladen vuurwapen in diezelfde woning.

De verdachte heeft daarnaast vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. In het patroonmagazijn zijn meerdere patronen aangetroffen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen is een ernstig strafbaar feit, omdat het onbevoegd bezit daarvan een onaanvaardbaar risico met zich brengt voor de veiligheid van personen. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik.

Het feit dat het vuurwapen met bijbehorende kogelpatronen zijn aangetroffen in combinatie met een variëteit aan verdovende middelen is extra zorgwekkend en zeer ernstig. Het ziet er naar uit dat het vuurwapen gereed lag voor gebruik ter bescherming van de verdovende middelen in de woning, die een grote waarde vertegenwoordigt. Verdachte is dan degene die de verdovende middelen moest beschermen. Zijn verklaring dat hij daar enkel was om verdovende middelen te gebruiken, vindt de rechtbank, zoals uit de bewezenverklaring is gebleken, niet geloofwaardig. De rechtbank heeft in strafverhogende zin gelet op de houding van de verdachte op de zitting.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 februari 2020. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. Ook tegenover de reclassering heeft de verdachte verteld dat hij in de woning was om drugs te gebruiken omdat hij verslaafd was en zijn gezin niet wilde belasten met zijn drugsgebruik. De rechtbank zet ook hier vraagtekens bij, omdat het de rechtbank eerder voor komt dat de verdachte zijn relatie met betrekking tot de drugs en het vuurwapen probeert te marginaliseren. Daarom wordt het advies van de reclassering, het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met voorwaarden, niet gevolgd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij inmiddels van zijn verslaving af is en ook geen methadon gebruikt.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Dit is, ondanks de strafverzwarende omstandigheid van verdachtes houding op de zitting, lager dan door de officier van justitie is geëist. Dat valt vooral te verklaren doordat de richtlijnen van het Openbaar Ministerie in dit soort zaken uit gaan van hogere straffen dan de straffen die de rechtbank doorgaans oplegt, zoals ook neergelegd in de door de rechtbank te hanteren LOVS-oriëntatiepunten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet, artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp – Maathuis en G. Schnitzler, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.D.B. Reuter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 maart 2020.

De voorzitter is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 november 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk/type Makarov PM, kaliber 9x18 Makarov en/of

munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten

- twee kogelpatronen, kaliber 9x18mm Makarov en/of

- drie knalpatronen, kaliber 9mm Knal,

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 12 november 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3308,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 230 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 12 november 2019 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3445 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.