Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
ROT 19/1909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak; Warenwet; kosten herinspectie. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een overtreding van de Warenwet heeft plaatsgevonden. Daarom is ook niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding bestond voor een digitale herinspectie en heeft verweerder ten onrechte de in dat kader gemaakte kosten ter hoogte van €74,88 bij eiseres in rekening gebracht. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/1909

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

Gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen.

Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 10 maart 2020 heeft de rechtbank

onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder de kosten van een digitale herinspectie ter hoogte van € 74,88 terecht bij eiseres in rekening heeft gebracht. Eiseres stelt zich op het standpunt dat deze herinspectie niet had hoeven plaatsvinden omdat er geen overtreding is geweest. Zij betwist dat de kozijnen en deuren in de verkoopruimte en de magazijnruimte verontreinigd waren met aangekoekt vuil en vet, zodat van een overtreding van de Warenwet geen sprake was.

2. Van de inspectie is geen verslag of rapport gemaakt, zodat onduidelijk is wat de inspecteur heeft waargenomen en wat de feitelijke gang van zaken is geweest. De in de waarschuwing opgenomen conclusies zijn niet door een inspecteur ondertekend, zodat hieruit niet blijkt dat deze conclusies conform de waarnemingen van de inspecteur zijn. Bovendien zijn in de waarschuwing ook geen personalia of andere identificerende kenmerken van de inspecteur opgenomen, wat afbreuk doet aan de verifieerbaarheid van de in de waarschuwing getrokken conclusies. Verder weegt de rechtbank mee dat eiseres bij haar digitale terugmelding foto’s van zeer slechte kwaliteit van de deuren heeft meegestuurd waarop niet is vast te stellen of deze deuren vervuild zijn met aangekoekt vuil en vet. Niettemin heeft verweerder op basis daarvan zonder nadere toelichting geoordeeld dat de overtreding is beëindigd. Ook deze gang van zaken roept de vraag op of er wel een overtreding heeft bestaan. De rechtbank acht dat niet aannemelijk gemaakt door verweerder. Daarom is ook niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding bestond voor een digitale herinspectie en heeft verweerder ten onrechte de in dat kader gemaakte kosten ter hoogte van € 74,88 aan eiseres in rekening heeft gebracht. Het beroep is gegrond.

3. Het bestreden besluit van 10 april 2019 moet worden vernietigd en de rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit, waarbij een bedrag van € 74,88 bij eiseres in rekening is gebracht, te herroepen. Dat betekent dat eiseres dat bedrag niet aan verweerder hoeft te betalen.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is op 10 maart 2020 in het openbaar gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. N.S.J. Letschert, griffier.

griffier rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.