Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2127

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
19/4814
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Svb. Woningdelerskorting. Aantonen betalingen slechts met bankafschriften mogelijk? Geen commerciële huurprijs. 2 huurovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 28 december 2019 (lees: 2018) een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 8 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiser het primaire besluit herroepen, en eiser met ingang van 28 december 2018 een AIO-aanvulling toegekend naar de norm voor een alleenstaande met één kostendeler. Daarbij is voorts besloten de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te vergoeden.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.S. Jansen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. G.E. Eind.

Overwegingen

1. In de bijlage bij deze uitspraak is het van toepassing zijnde wettelijke kader en beleid opgenomen.

2. Bij het bestreden besluit is verweerder tot de slotsom gekomen dat eiser geen gezamenlijke huishouding voert met [Plaats] ([Plaats]), omdat geen sprake is van wederzijdse zorg (in de vorm van financiële verstrengeling), en dat eiser daarom aanspraak maakt op een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande, zij het met één kostendeler. Daarbij is overwogen dat eiser en [Plaats], die hetzelfde hoofdverblijf heeft, geen commerciële relatie hebben, omdat het huurcontract van eiser met betrekking tot het gebruik van een kamer in de woning van [Plaats] niet voldoet aan de SVB-Beleidsregel SB1237. De Svb heeft voorts verwezen naar zijn andere beleidsregels, waaronder SVB-Beleidsregel SB1292.

3. In dit verband zijn door verweerder de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

  • -

    er is een huurcontract, gedateerd op 1 maart 2011, waarin staat dat de huur € 150

  • -

    bedraagt;

  • -

    er is een huurcontract, eveneens gedateerd op 1 maart 2011, waarin staat dat de huur € 200 bedraagt;

  • -

    eiser heeft verklaard dat er in 2001 enkel mondelinge afspraken waren,

  • -

    eiser heeft verklaard dat nadien “volgens mij” rond de aanvraag van de WWB een huurcontract is opgemaakt;

  • -

    eiser heeft verklaard dat hij sinds 2001 tot heden € 200 betaalt, zonder huurverhoging,

  • -

    eiser betaalt de huur contant, er zijn geen kwitanties.

4. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser en [Plaats] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag die voorligt is of de Svb terecht uitgaat van kostendeling of niet.

5.1.

De meest verstrekkende beroepsgrond die eiser aanvoert is dat uit SVB-Beleidsregel SB1237 volgt dat het vraagstuk van een commerciële relatie niet relevant is, omdat geen sprake is van wederzijdse zorg, zoals ook door de Svb in bezwaar wordt erkend. Om die reden zijn eiser en [Plaats] geen kostendelers, aldus eiser.

5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De SVB-Beleidsregel SB1237 vormt – anders dan eiser lijkt te veronderstellen – geen buitenwettelijke begunstigende beleidsregel. Die beleidsregel ziet op de uitleg van het begrip gezamenlijke huishouding in de zin van onder meer artikel 4 van de Participatiewet. Gelet hierop kan eiser geen beroep doen op de volgende zin in die beleidsregel: “Het hebben van een commerciële relatie is uitsluitend relevant als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn.” In de SVB-Beleidsregel SB1292, is voor zover hier van belang vermeld dat sprake is van kostendeling, tenzij een commerciële relatie wordt aangetoond. In dat verband wordt in die beleidsregel verwezen naar de hiervoor genoemde SVB-Beleidsregel SB1237. Uit die beleidsregel volgt welke schriftelijke bewijsstukken nodig zijn om een commerciële relatie aan te tonen. Dit beleid is in essentie in overeenstemming met artikel 19a, tweede lid, van de Participatiewet en de rechtspraak (bijv. ECLI:NL:CRVB:2017:3451 en ECLI:NL:CRVB:2019:195 en ECLI:NL:CRVB:2018:3542).

6.1.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij en [Plaats] leken zijn op het gebied van huurrecht. Zij hebben er niet bij stil gestaan dat een periodieke huurverhoging nodig zou zijn in het kader van de kostendelersnorm. Echter, uit het ontbreken van periodieke huurverhoging vloeit niet automatisch voort dat het geen commerciële huurrelatie zou zijn. Het is simpelweg een kwestie van gebrek aan kennis aan de zijde van zowel eiser als

[Plaats]. De opzegtermijn van drie maanden in de huurovereenkomst is immers ook juridisch gezien onjuist. Eiser en [Plaats] wilden dus blijkbaar een commerciële huurovereenkomst op een praktische wijze opstellen, maar hadden daar eenvoudigweg de

juridische kennis niet voor. Dat laat onverlet dat er hier volgens eiser sprake is van een commerciële relatie. Volgens eiser is er voort voldoende bewijs geleverd van contante betaling van de overeengekomen huur.

6.2.

Dit betoog kan evenmin slagen. Het gaat er, gelet op de tekst en strekking van artikel 19a, tweede lid, van de Participatiewet, niet om wat de intentie van eiser en [Plaats] is geweest. Gelet op die bepaling dient de belanghebbende op verzoek van de Svb een schriftelijke overeenkomst over te leggen en de betaling van de commerciële prijs aan te tonen door het overleggen van de bewijzen van betaling. Nog daargelaten of de betaling van de gestelde huur van € 200 is aangetoond, in welk verband de rechtbank er op wijst dat betaling – anders dan verweerder meent – niet uitsluitend kan worden bewezen in de vorm van bankafschriften (bijv. ECLI:NL:CRVB:2018:1784 en ECLI:NL:CRVB:2018:3540), moet met de Svb worden vastgesteld dat dit geen commerciële prijs is. Er heeft immers vanaf 2001 nimmer indexatie plaatsgevonden van de overeengekomen huurprijs. Daar komt nog bij dat er twee huurovereenkomsten zijn overgelegd met een verschillende huurprijs vanaf dezelfde datum. Tekenend voor het ontbreken van een commerciële huurprijs is voorts de stelling ter zitting van de gemachtigde van eiser dat de prijs is bepaald aan de hand van wat eiser kon betalen en wat [Plaats] vond dat zij betaald diende te krijgen. Gelet op een en ander is door eiser niet het benodigde bewijs geleverd van een commerciële relatie.

7. Gelet op het voorgaande heeft de Svb terecht de kostendelersnorm toegepast. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 maart 2020.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage

Artikel 3 van de Participatiewet luidt:

“ (…)

3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

(…)

Artikel 4 van de Participatiewet luidt:

“ 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, (…);

(…)”

Artikel 19a van de Participatiewet luidt:

“ 1. In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:

a. de echtgenoot van belanghebbende is;

b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;

c. op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; of

(…)

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, legt de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.”

Artikel 22 van de Participatiewet luidt:

“ Voor belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt is de norm per kalendermaand, indien het betreft:

(…)

b. gehuwden waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zonder kostendelende medebewoners: € 1.533,18 (dit bedrag is per 1 januari 2019 halfjaarlijks verhoogd door indexatie)

(…)”

Artikel 22a. Kostendelersnorm luidt:

“ 1. Indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:

Hierbij staat:

• A voor het aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende en zijn echtgenoot van 21 jaar of ouder indien hij gehuwd is; en

• B voor de norm, bedoeld in artikel:

(…)

c. 22, onderdeel b, indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

(…)”

Artikel 47a van de Participatiewet luidt:

“ 1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:

a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;

b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.”

Artikel 47b van de Participatiewet luidt:

“ Voor de toepassing van artikel 47a, eerste lid, wordt in de artikelen (…) 19a, tweede lid, (…) voor «het college» telkens gelezen: de Sociale verzekeringsbank.”

De SVB-Beleidsregel Bijzondere situatie: commerciële relatie en gezamenlijke huishouding (SB1237), Versie 9, bevat het volgende:

“ Beleidsregel

Tussen twee ongehuwden die een commerciële relatie hebben, is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Het hebben van een commerciële relatie is uitsluitend relevant als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn. Zijn deze er niet, dan is niet voldaan aan het zorgcriterium en is geen sprake van een gezamenlijke huishouding.

Van een commerciële relatie is sprake indien twee personen zowel ten aanzien van huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven. Dit betekent dat zowel ten aanzien van de huisvesting als ten aanzien van de zorg geen financiële verstrengeling optreedt, aangezien aan het gebruik van de woonruimte en het voeren van de huishouding een zakelijke relatie ten grondslag ligt, in die zin dat voor de te leveren prestaties een prijs is bedongen en wordt betaald. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens de periodieke aanpassing van de prijs. De SVB leidt voorts uit de jurisprudentie af dat alleen sprake kan zijn van een commerciële relatie als de kostganger of huurder kan beschikken over een ruimte die zich leent voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning (CRvB 18 februari 2003 en CRvB 22 augustus 2006).

Een commerciële relatie dient door de betrokkene aan de hand van schriftelijke bewijsstukken te worden aangetoond. De SVB vereist in ieder geval een schriftelijke overeenkomst waarin de prestaties over en weer zijn omschreven. De SVB gaat ervan uit dat alleen sprake is van een commerciële relatie tussen de personen die staan vermeld op de huur- of kostgangersovereenkomst. In geval van een huwelijk geldt de overeenkomst evenwel voor beide echtgenoten, ook al is slechts een van hen in de overeenkomst opgenomen. Naast de schriftelijke overeenkomst vereist de SVB betalingsbewijzen in de vorm van bankafschriften.

Ten aanzien van de schriftelijke overeenkomst gelden de volgende voorwaarden:

• de overeenkomst moet zijn ondertekend en gedateerd;

• de personen tussen wie de overeenkomst geldt, moeten zijn genoemd;

• de periode waarover de overeenkomst van toepassing is moet zijn genoemd; en

• de te leveren prestaties en de daarvoor bedongen prijs dienen te zijn vastgelegd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.

Ten slotte stelt de SVB als voorwaarde dat de betrokkene een opgave doet van de inkomsten uit hoofde van de commerciële overeenkomst aan de Belastingdienst voor zover dit is vereist op grond van de belastingwetgeving.

Het begrip 'commerciële relatie' speelt ook een rol bij de toepassing van de kostendelersnorm. Zie in dat kader SB1292 over toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en de Participatiewet.”

De SVB-Beleidsregel Toepassing van de kostendelersnorm in de Anw en de Participatiewet (SB1292), Versie 2, bevat het volgende:

“ Beleidsregel

Met ingang van 1 januari 2015 respectievelijk 1 juli 2015 is de kostendelersnorm ingevoerd in de Participatiewet respectievelijk de Anw. Dit houdt in dat de hoogte van de AIO-aanvulling of de nabestaandenuitkering afhankelijk is van het aantal personen dat het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de rechthebbende op een AIO-aanvulling of de nabestaande.

(…)

De hoogte van de AIO-aanvulling is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners dat het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de alleenstaande of de gehuwde rechthebbende(n) op een AIO-aanvulling. Op grond van artikel 22a, eerste lid Participatiewet leidt elke extra kostendelende medebewoner die het hoofdverblijf deelt met de alleenstaande of de gehuwden tot een lagere AIO-aanvulling.

Bij de beantwoording van de vraag of een uitkeringsgerechtigde met een of meer personen het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning past SVB het beleid toe dat is beschreven in SB1004 over hoofdverblijf in dezelfde woning (hoofdverblijfcriterium).

Op grond van de artikelen 19a, eerste lid Participatiewet respectievelijk 17, zesde en zevende lid Anw, worden bepaalde categorieën personen niet gerekend tot kostendelende medebewoners of tot de personen die het hoofdverblijf delen met de nabestaande. Dit betreft de volgende personen:

(…)

• personen die een commerciële relatie hebben met de nabestaande of de rechthebbende op een AIO-aanvulling.

(…)

Een commerciële relatie kan verschillende vormen aannemen. Er kan sprake zijn van:

• een overeenkomst tussen een huurder of verhuurder en de uitkeringsgerechtigde over het gebruik van een deel van de woning; of

• een kostgangersrelatie waarbij twee personen zowel ten aanzien van huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven. In beide gevallen geldt de voorwaarde dat er tussen de betreffende personen een schriftelijke overeenkomst moet zijn waarin een commerciële prijs is overeengekomen. Voor de vraag of aan de vereisten van een schriftelijke overeenkomst en een commerciële prijs is voldaan, past SVB het beleid toe dat is beschreven in SB1237 over bijzondere situatie: commerciële relatie en gezamenlijke huishouding.”