Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2104

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
C/10/589524 / JE RK 20-89
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“verzoekschrift inzake verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/589524 / JE RK 20-89

datum uitspraak: 28 februari 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2009 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 januari 2020, ingekomen bij de griffie op
13 januari 2020;

- de brief van de GI van 24 januari 2020, met als bijlage de afsluitrapportage van Youz (De Banjaard) van 17 januari 2020.

Op 28 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder,

- een tweetal vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] en [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft bij Pameijer.

Bij beschikking van 13 maart 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot
16 maart 2020.


De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 augustus 2019 de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot
16 maart 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van twaalf maanden.

De standpunten

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. In het afgelopen jaar is de moeder door haar persoonlijke problematiek niet in staat gebleken om haar opvoedverantwoordelijkheden voor [naam kind] waar te maken. Er is intensieve hulp ingezet in de thuissituatie, maar dit heeft geen verandering bewerkstelligd. Ook was de moeder wisselend in de contacten met de hulpverlening en was zij niet altijd bereikbaar. In oktober 2019 is de moeder opgenomen. Echter heeft zij toen na een week de kliniek verlaten. Positief is dat de moeder sinds 22 januari 2020, op eigen initiatief, opnieuw is opgenomen in een kliniek. Sinds de opname heeft de moeder geen middelen meer gebruikt. Zij zit inmiddels in fase 3 van de opname en heeft hierdoor meer vrijheden. Ook zal zij starten met traumatherapie. De moeder heeft inmiddels een sociaal netwerk opgebouwd. Indien het traject van de moeder in de kliniek is afgerond, is het van belang dat er intensieve hulp wordt ingezet in de opvoedsituatie bij de moeder. Bekeken moet worden of de moeder de positieve ontwikkeling vasthoudt indien zij weer thuis is en of een thuisplaatsing van [naam kind] haalbaar is. [naam kind] verblijft bij Pameijer en zij zit daar op haar plek. Door De Banjaard is vastgesteld dat er bij [naam kind] sprake is van parentificatie. Inmiddels hebben er drie bezoekmomenten plaatsgevonden tussen [naam kind] en de moeder. Na het vierde bezoekmoment zal er een evaluatiemoment plaatsvinden, waarin besproken zal worden hoe de bezoeken verlopen en of uitbreiding van de bezoeken mogelijk is. Ook heeft [naam kind] één keer per zes weken (begeleide) omgang met de vader. [naam kind] gaat op dit moment nog niet naar school, maar er zal binnenkort een intake plaatsvinden bij De Piloot. Het is van belang dat zij zo spoedig mogelijk onderwijs gaat volgen.


De moeder heeft ter zitting medegedeeld dat zij na een traject van drie maanden in de kliniek terug naar huis zal gaan. Zij zal vervolgens ambulante hulp krijgen vanuit Antes.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek. De moeder is, ondanks de inzet van intensieve hulpverlening, onvoldoende in staat gebleken om de zorgen rondom [naam kind] af te wenden en om [naam kind] een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. Als gevolg hiervan is [naam kind] in januari 2019 uit huis geplaatst. Inmiddels is er sprake van een prille, maar uiterst positieve ontwikkeling bij de moeder. Zij verblijft sinds enkele weken, op eigen initiatief, in een verslavingskliniek. In de komende periode moet bezien worden of zij haar behandeltraject positief zal afronden en of zij nadien in staat is om deze positieve lijn vast te houden. Vervolgens zal er intensieve hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder worden ingezet. Van belang is dat de moeder zich meewerkend blijft opstellen ten opzichte van de hulpverlening. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer ook in het komende jaar noodzakelijk om het hulpverleningstraject te coördineren en om zicht te houden op de ontwikkeling van [naam kind] .


Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van twaalf maanden.

Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). In verband met voornoemde zorgen verbleef [naam kind] sinds januari 2019 bij De Banjaard. Gedurende de opname van [naam kind] bij De Banjaard is onder meer vastgesteld dat er bij haar sprake is van parentificatie. Inmiddels is [naam kind] overgeplaatst naar een passende vervolgplek. Zij verblijft sinds
27 december 2019 bij Pameijer. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de plaatsing van [naam kind] bij Pameijer in de komende periode wordt voortgezet. Om te bezien wat over enkele maanden de stand van zaken is en of de hulpverlening aan moeder voldoende resultaat boekt, ziet de kinderrechter wel aanleiding voor een tussentijds toetsmoment. Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van zes maanden. Het overige verzochte wordt aangehouden tot de hierna te noemen pro forma-datum.

De GI wordt verzocht de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbende) uiterlijk twee weken vóór de hierna te noemen pro forma-datum te rapporteren over de stand van zaken en verdere processuele wensen.

De beslissing
De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 16 maart 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 september 2020;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat de verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 augustus 2020 pro forma.

Bepaalt dat de GI en de belanghebbende op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen.

Verzoekt de GI uiterlijk twee weken vóór de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbende) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld door de kinderrechter en ondertekend door de griffier op 9 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.