Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2020

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
10/700301-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn mededader hebben zich op de openbare weg schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld. Daarbij werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en op één van de aangevers gericht. Ook is in ieder geval de indruk gewekt dat in de richting van de aangevers werd geschoten. Vervolgens zijn de verdachte en zijn mededader er op de gestolen scooter vandoor gegaan. Bij verdachte is bovendien korte tijd na de beroving een gebruiksklare revolver aangetroffen met voor dat wapen geschikte munitie. De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aandacht gevraagd voor het bezit van vuurwapens en het vuurwapengeweld dat in Rotterdam lijkt toe te nemen. Ook de rechtbank is van oordeel dat tegen dit vuurwapengeweld, mede gelet op de enorme gevaarzetting voor ook onschuldige omstanders, hard moet worden opgetreden. Het opleggen van een forse gevangenisstraf is dan ook onvermijdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/700301-19

Datum uitspraak: 6 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortepalats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2000,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting Middelbrug, locatie Torentijd,

raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring zonder nader motivering feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewijswaardering feit 1 primair

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte bij het onder 1 primair ten laste gelegde feit betrokken is geweest.

Beoordeling

Uit de aangiftes van [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1] ) en [naam slachtoffer 2] (hierna: [naam slachtoffer 2] ) blijken de volgende, door de rechtbank als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.

In de middag van 23 juni 2019 is [naam slachtoffer 1] samen met zijn vriend [naam slachtoffer 2] naar de [plaats delict] te Rotterdam gegaan om zijn scooter te verkopen. Daar kwamen een Marokkaanse jongen en een (vermoedelijk) Surinaamse jongen aangelopen. Met hen was de afspraak gemaakt. De Marokkaanse jongen was circa 170 cm lang en tussen de 19 en 20 jaar oud. Hij had zwart, kort, krullend haar en droeg een Gucci-pet. De Marokkaanse jongen begon over de prijs van de scooter te onderhandelen. Uiteindelijk werd een verkoopprijs overeengekomen en zei de Marokaanse jongen dat hij het geld ging halen. Vijf minuten later kwamen de twee jongens de [plaats delict] weer op gelopen. Op verzoek van de Surinaamse jongen heeft [naam slachtoffer 1] de scooter gestart. Daarop ging de Surinaamse jongen op de scooter zitten en haalde hem van de standaard. Toen [naam slachtoffer 1] zich daarop omdraaide zag hij de Marokkaanse jongen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn hand. De Surinaamse jongen zei: “Blijf rustig” en de Marokkaanse jongen richtte het vuurwapen op [naam slachtoffer 2] . Vervolgens was er een knal te horen en kort daarna zijn de twee jongens op de scooter weggereden.

De vraag of de verdachte de Marokkaanse jongen was beantwoordt de rechtbank als volgt.

De politie heeft drie weken na het voorval in de garagebox van de verdachte de gestolen scooter aangetroffen. Daarnaast heeft met de aangevers een meervoudige fotoconfrontatie (verder: foslo) plaats gevonden. Zowel [naam slachtoffer 1] als [naam slachtoffer 2] heeft bij die foslo de verdachte herkend als de bij de straatroof betrokken Marokkaanse jongen.

De raadsvrouw heeft ter zitting bepleit dat de foslo’s niet voor het bewijs kunnen dienen, omdat ze niet zijn afgenomen in lijn van een aantal ‘regels van Wagenaar’ en daarom niet betrouwbaar zijn. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat (de resultaten van) de foslo’s van het bewijs moeten worden uitgesloten, verwerpt de rechtbank het verweer. Zij heeft immers niet beargumenteerd waarom het beweerdelijk niet-naleven van bedoelde regels bij de foslo tot de conclusie zou moeten leiden dat de herkenningen van de verdachte onbetrouwbaar zijn. Overigens blijkt uit de daarvan opgemaakte processen-verbaal genoegzaam dat de foslo’s naar behoren zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft zich daarvan ook kunnen vergewissen door middel van de aan het dossier toegevoegde werkverslagen: de daarbij gevoegde foto’s passen binnen de door de aangevers gegeven signalementen, zonder dat kan worden gezegd dat de foto van de verdachte er uit springt. De rechtbank concludeert hieruit, gecombineerd met het feit dat de aangevers verdachte niet van een andere gelegenheid kenden, dat het aanwijzen van de foto van verdachte geen andere reden had dan de herkenning van de Marokkaanse dader.

Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, maakt dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte de Marokkaanse jongen is geweest. Hiermee is het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank kan op basis van het voorliggende dossier – het gebruikte wapen kon niet worden veilig gesteld – niet met de benodigde mate van zekerheid vaststellen dat bij de beroving gebruik is gemaakt van een echt wapen, waarmee een projectiel is afgevuurd. Een daarnaar door de politie ingesteld onderzoek heeft geen bewijs hiervoor opgeleverd.

Nu meerdere getuigen tegenover de politie hebben verklaard gezien te hebben dat bij dit voorval een wapen is getoond en zij schoten hebben gehoord, gaat de rechtbank, met de officier van justitie, ervan uit dat de verdachte in ieder geval gebruik heeft gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het geluid van het afvuren van een projectiel heeft geproduceerd.

Bewijswaardering feit 3

De verdachte heeft dit feit ontkend. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Dat de onder 3 ten laste gelegde bedreigende filmpjes en teksten door de verdachte aan [naam] zijn verstuurd, vindt alleen steun in de de auditu verklaring van de moeder van [naam] . [naam] zelf is door de politie niet gehoord. Nu ondersteunend bewijs ontbreekt, is dat voor een bewezenverklaring onvoldoende. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf het filmpje met de dreigende teksten heeft verstuurd.

Conclusie

Dit betekent dat de rechtbank feit 1 primair en 2 bewezen acht en van feit 3 zal vrijspreken.

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op 23 juni 2019 te Rotterdam op de openbare weg, de [plaats delict] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter (Piaggio Skipper), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en

vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ,welke bedreiging met geweld bestond uit het

- tonen en voorhouden aan en richten op die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en

- toevoegen aan die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] van de woorden "blijf rustig" en

- het produceren van het geluid van het afvuren van een projectiel.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 14 juli 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk Bbm, type Olympic 38 kaliber .221r, met daarbij voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit gepleegd wordt op de openbare weg door twee of meer verenigde personen;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn mededader hebben zich op de openbare weg schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld. Daarbij werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hierna: het wapen) getoond en op één van de aangevers gericht. Ook is in ieder geval de indruk gewekt dat in de richting van de aangevers werd geschoten. Vervolgens zijn de verdachte en zijn mededader er op de gestolen scooter vandoor gegaan.

Het spreekt voor zich dat deze beroving voor de aangevers bijzonder beangstigend is geweest. Slachtoffers van dergelijke feiten ervaren daarvan vaak nog jaren de (psychische) consequenties. Bovendien werken berovingen als deze – die op klaarlichte dag, op de openbare weg plaatsvond – in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid in de hand.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aandacht gevraagd voor het bezit van vuurwapens en het vuurwapengeweld dat in Rotterdam lijkt toe te nemen. Ook de rechtbank is van oordeel dat tegen dit vuurwapengeweld, mede gelet op de enorme gevaarzetting voor ook onschuldige omstanders, hard moet worden opgetreden. Het opleggen van forse gevangenisstraffen, die mede afschrikwekkende werking moeten hebben op hen die, zoals verdachte, overwegen om met behulp van vuurwapens “zaken te doen”, is daarvan onderdeel.

Bij verdachte is bovendien korte tijd na de beroving een gebruiksklare revolver aangetroffen met voor dat wapen geschikte munitie.

Deze feiten en omstandigheden maken een forse gevangenisstraf onvermijdelijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

4 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verder acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

Omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht en daarnaast iets meer rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte, zal zij een wat lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist.

De verdediging heeft verzocht om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding. Voorzover reclasseringstoezicht op enig moment aangewezen wordt geacht kan dat binnen een voorwaardelijke invrijheidstelling zijn beslag krijgen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregelen

Vordering de heer [naam benadeelde 1]

Afrantrouss heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder

1. primair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 550,- ter zake van geleden materiële schade, € 5.000,- ter zake van geleden immateriële schade en € 5.000,00 ter zake van door de vader van [naam benadeelde 1] geleden affectieschade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het bedrag van € 50,- aan

gemaakte kosten voor de huur van de aanhanger en toewijzing van een bedrag van

€ 2.500,- aan immateriële schade. Het overigens gevorderde dient te worden afgewezen.

Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als

bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, zal de vordering worden toegewezen voor wat betreft de gevorderde huur van een aanhanger

(€ 50,-). Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat dat gedeelte onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 juni 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 1.050,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor de duur van de maximale termijn van de gijzeling sluit de rechtbank aan bij de omrekeningstabel schadevergoedingsmaatregel naar dagen (vervangende) hechtenis zoals die tot 1 januari 2020 nagenoeg steeds werd toegepast. Dit mede omdat de wet USB op dit punt niet was gericht op het tot stand brengen van een andere wijze van omrekening.

Vordering de heer [naam benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder

1. primair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 2.500,- ter zake van geleden immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag van

€ 2.500,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van

de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal in het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 juni 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor de duur van de maximale termijn van de gijzeling sluit de rechtbank aan bij de omrekeningstabel schadevergoedingsmaatregel naar dagen (vervangende) hechtenis zoals die tot 1 januari 2020 nagenoeg steeds werd toegepast. Dit mede omdat de wet USB op dit punt niet was gericht op het tot stand brengen van een andere wijze van omrekening.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57en 312 van het Wetboek van Strafrecht en

de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 1.050,- (zegge: duizendvijftig euro), bestaande uit € 50,- aan materiële schade en € 1.000- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk en bepaalt dat dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 1.050,- (hoofdsom, zegge: duizendvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 20 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk en bepaalt dat dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 1.000,- (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 20 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2020.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 juni 2019 te Rotterdam op de openbare weg, de [plaats delict] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een scooter (Piaggio Skipper), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , gepleegd mot het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden aan en/of richten op die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en/of

- toevoegen aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] van de woorden "blijf rustig", althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- afvuren van een of meer projectiel(en) (in de richting van (de benen van) die [naam slachtoffer 1] ), althans het produceren van het geluid van het afvuren van een projectiel;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 juni 2019 tot en met 14 juli 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een scooter (merk Piaggio, type Skipper), heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk Bbm, type Olympic 38 kaliber .221r, met daarbij voor dat wapen geschikte munitie, voorbanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 14 juli 2019 te Rotterdam, althans in Nederland, [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting,

- door die [naam slachtoffer 3] via Snapchat/internet een of meer berichten en/of filmpjes te sturen en/of die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] (daarbij) toe te voegen “k neuk je ma“ en/of “wacht als k jou en je moeder pak" en/of “balas in je osso“, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- door die [naam slachtoffer 3] een of meer filmpje(s) te sturen, waarop hij, verdachte, met meerdere vuurwapens en kogels te zien is en/of waarop hij, verdachte, voor de deur van de woning van die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] loopt met daarbij getypt de tekst “kom na beneden a hoerejong komm", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking