Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:2007

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
C/10/590748 / FA RK 20-630
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een crisismaatregel op grond van artikel 7:6 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Het niet toevoegen van een advocaat door de burgemeester leidt niet tot een onrechtmatig besluit. Beroep ongegrond. Verzoek schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0188
GZR-Updates.nl 2020-0105
JGz 2020/37 met annotatie van Dijkers, W.J.A.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/590748 / FA RK 20-630

Beschikking van 2 maart 2020 betreffende het beroep tegen een crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:12 van de Wvggz

ten aanzien van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: verzoekster,

wonende aan de [adres verzoekster] , [woonplaats verzoekster] ,

thans verblijvende in Parnassia Groep, locatie Poortmolen te Capelle aan den IJssel,

advocaat mr. L.A. Middelkoop.

t e g e n

de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel, hierna: de burgemeester, zetelende te [adres] , [postcode] , Capelle aan den IJssel,

gemachtigde: S. van Boxel .

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlage, ingekomen op 3 februari 2020. Bij het verzoekschrift is de beslissing van de burgemeester houdende het opleggen van de crisismaatregel van 27 januari 2020 gevoegd.

1.2.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de verzoeken is verzoekster gehoord op 12 februari 2020 in de accommodatie. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.

1.3.

De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 21 februari 2020, in het gebouw van de rechtbank Rotterdam.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    mr. K.S. Kort, advocaat, namens de hiervoor genoemde advocaat;

  • -

    S. van Boxel, juridisch adviseur, namens de burgemeester.

2. Beoordeling

2.1.

Ontvankelijkheid

2.1.1.

Op grond van artikel 7:6 lid 1 Wvggz kan een betrokkene door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.

2.1.2.

Op 27 januari 2020 is door de burgemeester een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoekster. Verzoekster heeft op 3 februari 2020 beroep ingesteld tegen deze crisismaatregel. Het verzoek is derhalve tijdig ingesteld.

2.2.

Rechtmatigheid van crisismaatregel

2.2.1.

De advocaat van verzoekster stelt zich op het standpunt dat de crisismaatregel onrechtmatig is genomen en dat daarom ook de uitvoering van de crisismaatregel onrechtmatig is. Volgens de advocaat heeft de burgemeester ten onrechte aangetekend dat verzoekster bedenkingen naar voren heeft gebracht tegen het zich laten bijstaan door een advocaat. Hierdoor is aan verzoekster het recht op bijstand van een advocaat onthouden. Dit recht is volgens de advocaat zodanig fundamenteel, zeker in het eerste stadium van vrijheidsbeneming, dat schending ervan de crisismaatregel en de uitvoering ervan onrechtmatig maakt. Verzoekster is als gevolg hiervan drie dagen, van 27 januari 2020 tot en met 30 januari 2020, onrechtmatig opgenomen geweest op de gesloten afdeling.

2.2.2.

De burgemeester heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat ten onrechte is aangetekend dat verzoekster bedenkingen naar voren heeft gebracht tegen het zich laten bijstaan door een advocaat. Hoewel hierdoor een voorschrift niet is nageleefd, is de burgmeester van mening dat de crisismaatregel hierdoor niet onrechtmatig is gegeven.

2.2.3.

Op grond van artikel 7:2 lid 3 Wvggz draagt de burgemeester ervoor zorg dat betrokkene, indien hij geen advocaat heeft, binnen vierentwintig uur na het nemen van de crisismaatregel wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij betrokkene daartegen bedenkingen heeft.

2.2.4.

Vaststaat dat de burgemeester het voorschrift in artikel 7:2 lid 3 Wvggz ten onrechte niet heeft nageleefd. De rechtbank dient te beoordelen of niet-naleving van dat voorschrift leidt tot onrechtmatigheid van de eerder genomen crisismaatregel.

2.2.5.

De rechtbank is van oordeel dat het toevoegen van een advocaat weliswaar behoort tot de verantwoordelijkheid van de burgemeester rondom het nemen van een crisismaatregel, maar dat het achterwege laten daarvan niet leidt tot onrechtmatigheid van de crisismaatregel zelf. Artikel 7:2 lid 3 Wvggz bepaalt immers dat de burgemeester ervoor zorg moet dragen dat ná het nemen van de crisismaatregel betrokkene wordt bijgestaan door een advocaat. Dat het toewijzen van en advocaat een fundamenteel recht is, zoals door de advocaat gesteld, doet aan de rechtmatigheid van de crisismaatregel niet af. Nu niet in geschil is dat aan de criteria voor het toewijzen van een crisismaatregel is voldaan, zal de rechtbank het beroep tegen de crisismaatregel afwijzen.

2.3.

Verzoek tot schadevergoeding

2.3.1.

De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat verzoekster, als gevolg van de onrechtmatig genomen crisismaatregel, immateriële schade heeft geleden. Verzoekster is drie dagen, van 27 januari 2020 tot en met 30 januari 2020, onrechtmatig opgenomen geweest en heeft daardoor € 150,- per dag schade geleden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van verzoekster als subsidiaire grond voor schadevergoeding naar voren gebracht dat een wettelijke voorschrift niet is nageleefd waardoor verzoekster immateriële schade heeft geleden. De advocaat verzoekt ten laste van verweerder een schadevergoeding van € 105,- per dag voor de periode van 27 januari 2020 tot en met 29 januari 2020. Daarbij sluit de advocaat aan bij de bedragen die in het strafrecht gelden.

2.3.2.

De burgemeester stelt primair dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen omdat de crisismaatregel terecht is genomen. Met betrekking tot het subsidiaire verzoek stelt de burgemeester te begrijpen dat de situatie voor verzoekster vervelend is geweest maar dat deze situatie niet dermate ernstig was dat daaruit een schadeplicht voortvloeit. Voor zover dat wel het geval is stelt de burgemeester dat het verzuim slechts één dag heeft geduurd. Op grond van artikel 7:2 lid 3 Wvggz heeft de burgemeester namelijk 24 uur de tijd om te zorgen voor een advocaat en vast staat dat verzoekster op 29 januari 2020 bij de verlenging van de crisismaatregel werd bijgestaan door een advocaat.

2.3.3.

Nu de rechtbank, zoals onder 2.2.5 is overwogen, het beroep tegen de crisismaatregel ongegrond zal verklaren, zal het primaire verzoek tot schadevergoeding worden afgewezen.

2.3.4.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek om schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat de burgemeester het voorschrift van artikel 7:2 lid 3 Wvggz niet heeft nageleefd. Op grond van artikel 10:12 Wvggz is de burgemeester hiervoor in beginsel schadeplichtig. Het voorschrift dat een advocaat moet worden toegevoegd heeft immers een fundamenteel karakter. Iemand van wie de vrijheid is ontnomen door het nemen van een crisismaatregel bevindt zich immers in een zeer kwetsbare positie. Dat de schending van het voorschrift niet zodanig ernstig is dat daaruit een schadeplicht voortvloeit, zoals door de burgemeester naar voren is gebracht, volgt de rechtbank dan ook niet. Daarbij komt dat verzoekster onder meer heeft verklaard dat zij zich zonder advocaat alleen heeft gevoeld en het gevoel heeft gehad dat er niemand aan haar kant stond. Mede gelet op deze verklaring vindt de rechtbank het aannemelijk dat verzoekster door de schending nadeel heeft ondervonden. Nu vaststaat dat de crisismaatregel op 27 januari 2020 is genomen en dat de advocaat op 29 januari 2020 verweerster heeft bijgestaan, gaat de rechtbank, zoals ook door de burgemeester betoogd, er van uit dat verzoekster één dag bijstand van een advocaat is onthouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het bepalen van de schade aansluiting te zoeken bij bedrag dat in het strafrecht wordt gehanteerd, zoals door de advocaat van verzoekster naar voren is gebracht, nu dit bedrag geldt indien iemand ten onrechte de vrijheid is ontnomen. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake geweest. De rechtbank acht in dit geval een schadevergoeding van € 50,- billijk.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de crisismaatregel van 27 januari 2020 ongegrond;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding toe, zoals overwogen onder 2.3.4.;

- veroordeelt de gemeente Capelle aan den IJssel tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster, ten bedrage van € 50,-;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.Y.A. van Meersbergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Smolders, griffier, en op 2 maart 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat, voor zover het betreft het beroep tegen de crisismaatregel, het rechtsmiddel van cassatie open. Voor zover het betreft het verzoek tot schadevergoeding kan tegen deze beschikking door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.