Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1979

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
10/691141-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Mishandeling en poging tot zware mishandeling. Verminderd toerekeningsvatbaar. Jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/691141-18

Datum uitspraak: 3 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2002,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

RJJI De Hunnerberg, Berg en Dalseweg 287, 6522 CH Nijmegen,

raadsman: mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 18 februari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en van de onder 3 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde en de onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 145 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zijn medewerking verleent aan het ITB Harde Kern traject en aan behandeling van de Waag (Topzorg) en dat hij de afspraken met de jeugdreclassering en zijn moeder nakomt;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en de onder 3 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en de onder 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Vrijspraak

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

4.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Op het moment van uitgeven van het biljet wist de verdachte niet dat het vals geld betrof. De verdachte heeft het geld gekregen om lachgasballonnen van te kopen. Na het geld te hebben aangenomen, heeft de verdachte dit ook direct weer uitgegeven. Pas later is hij er achter gekomen dat het door hem ontvangen bankbiljet vals was. In deze ontbreekt de opzet op het uitgeven van vals geld.

4.3.3.

Beoordeling

De verdachte heeft ’s-nachts in [naam horecagelegenheid] van een kennis van een vriend een bankbiljet van 50 euro ontvangen om lachgasballonnen van te kopen. De verdachte heeft hierbij geen aandacht besteed aan het uiterlijk van het bankbiljet en is direct naar de bar gegaan, waar de ballonnen werden verkocht. Ondanks dat uit een zogenaamd lekenproces-verbaal volgt dat het bankbiljet duidelijk vals was, kan op grond daarvan de wetenschap van de valsheid van het bankbiljet bij de verdachte niet zonder meer worden aangenomen. Dit heeft met name te maken met de omstandigheden waaronder de verdachte het biljet naar eigen zeggen verkreeg. Niet kan derhalve worden bewezen verklaard dat de verdachte wist dat het bankbiljet vals was, noch dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het bankbiljet vals was (toen hij het uitgaf): uit de inhoud en het verhandelde ter terechtzitting blijkt ook van dit laatste onvoldoende.

De rechtbank is kortom op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is waaruit volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit dat hem onder 2 subsidiair ten laste is gelegd.

4.3.4.

Conclusie

Het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en de onder 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 04 december 2018 te Dordrecht [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met een mes in zijn onderarm te steken.

3.

hij op 01 december 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een mes, stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting (van de buik) van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [naam slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten en verdachte

5.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door zijn broer. De verdachte heeft gereageerd op een dreiging van zijn broer, die dreigend met een mes in zijn hand richting de verdachte stond. Ter verdediging heeft de verdachte ook een mes gepakt. Zijn broer heeft als eerste een mes gepakt, nadat hij de verdachte ook al tegen diens slaap had geslagen. De verdachte heeft gereageerd op de directe bedreiging van zijn broer. Daarbij wordt ook opgemerkt dat de verdachte nimmer de bedoeling heeft gehad om zijn broer met het mes te raken. Hij heeft het mes slechts als dreigmiddel willen gebruiken tegen de bedreiging door zijn broer.

5.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer(exces) kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waar onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Het is vaste jurisprudentie dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte en zijn broer hebben verklaard dat zij eerder op de dag al ruzie met elkaar hadden. Later op de dag is de discussie weer opgelaaid, waarbij over en weer werd gescholden, getrapt en geslagen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en zijn broer door hun moeder uit elkaar gehaald, waarna de broer naar de keuken is gegaan en de verdachte in de woonkamer is gebleven. De moeder stond tussen de verdachte en zijn broer in. De verdachte is vervolgens (weer) boos geworden en langs zijn moeder heen gerend richting zijn broer in de keuken. Aldus heeft hij de confrontatie zelf weer opgezocht en juist door deze actie van de verdachte heeft de broer zich bedreigd gevoeld, waardoor hij naar een mes heeft gegrepen om de verdachte op afstand te houden.

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gewelddadige confrontatie met zijn broer zelf heeft opgezocht en dat niet aannemelijk is geworden dat er in die confrontatie sprake is geweest van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanval op verdachte door zijn broer waartegen de verdachte zichzelf heeft moeten verdedigen. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie en dat de rechtbank evenmin toekomt aan de bespreking van het beroep op noodweerexces. Ten overvloede geldt nog dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij had kunnen vluchten, waardoor hij zich aan de situatie had kunnen onttrekken; hij heeft dat echter niet gedaan maar ervoor gekozen een mes te pakken. Het verweer wordt verworpen.

Nu ten aanzien van feit 1 het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden en evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is feit 1 strafbaar en is de verdachte strafbaar voor dit feit.

5.3.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Mishandeling.

3.

Poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van feit 3 uitsluiten. Het feit is dan ook strafbaar.

5.4.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte in relatie tot feit 3 uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De toen 16-jarige verdachte heeft op 4 december 2018 zijn broer met een mes in zijn onderarm gestoken. Daarnaast heeft de verdachte zich op 1 december 2019 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft op straat een jongen, die volgens de verdachte zijn (ex-)vriendin zou hebben lastig gevallen, met een mes geprobeerd te steken in zijn buik. Door aldus te handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en bij hen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Beide keren had het veel erger kunnen aflopen; de verdachte lijkt hier helemaal niet bij te hebben stil gestaan. Het handelen van de verdachte op 1 december 2019 zal ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders hebben veroorzaakt, aangezien de poging tot zware mishandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden. Ook hier heeft de verdachte blijkbaar niet aan gedacht.

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

6.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

17 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

6.3.2.

Rapportages

GZ-psycholoog E. Koster heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 maart 2019. Dit rapport ziet enkel op het onder 1 ten laste gelegde en houdt voor zover van belang het volgende in. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een stagnerende sociaal-emotionele ontwikkeling en van een oppositionele-opstandige gedragsstoornis. De verdachte is onvoldoende in staat te reflecteren op zijn eigen gedrag, om emoties op een adequate manier te reguleren en om sociaal vaardig te zijn. Zijn gewetens- en identiteitsontwikkeling maken een onrijpe indruk. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag en zet zich af tegen regels. Ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde was sprake van de beschreven gebrekkige ontwikkeling, die de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte beïnvloedde. Geadviseerd wordt de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Behandeling en begeleiding zijn noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen. Geadviseerd wordt verder om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde medewerking verlenen aan het toezicht door de jeugdreclassering.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 februari 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Er bestaan ernstige zorgen over de emotieregulatie en sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte. De opvoedsituatie van de verdachte moet worden versterkt. Daarnaast is het voor de verdachte van belang dat hij een gestructureerde daginvulling krijgt en gemotiveerd raakt voor school en werk. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern, meewerkt aan de behandeling bij Topzorg en onderwijs volgt.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland (hierna de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 februari 2020. Dit rapport houdt onder meer in dat de afgelopen periode turbulent is verlopen. De verdachte werd binnen een gesloten instelling voor jeugdhulp geplaatst, alwaar hij profiteerde van de strakke en heldere kaders. Wanneer de verdachte meer vrijheden worden toegekend, vertoont hij echter zelfbepalend gedrag. Het probleembesef van de verdachte en zijn motivatie om tot ander gedrag te komen, moeten worden vergroot. De verdachte heeft duidelijke kaders en grenzen nodig. Geadviseerd wordt een forse voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met een proeftijd van twee jaren, met als voorwaarden medewerking verlenen aan het ITB Harde Kern traject en behandeling van Topzorg bij de Waag, zolang als dit nodig wordt geacht door de jeugdreclassering.

6.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusie van de psycholoog gedragen wordt door de bevindingen en door wat ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het onder 1 ten laste gelegde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de psycholoog, de Raad en de jeugdreclassering begeleiding adviseren en de Raad en de jeugdreclassering daarnaast bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 460,– aan materiële schade, een bedrag van € 20.000,– aan immateriële schade en een bedrag van € 500,- met als omschrijving ‘geen werk’, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht voor toewijzing vatbaar een bedrag van € 160,– bestaande uit materiële schade aan de jas. De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, nu de gevorderde bedragen voor het horloge, het werk en de immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd.

7.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu de vordering in zijn geheel niet is onderbouwd.

7.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de jas van de benadeelde partij door het handelen van de verdachte beschadigd is. Niet is gebleken dat het om een nieuwe jas gaat. De door de benadeelde partij geleden schade zal daarom, ondanks de betwisting door de verdachte, op basis van de dossierstukken worden vastgesteld op € 100,–.

De benadeelde partij zal voor het overige verzochte niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien nadere onderbouwing van de vordering ontbreekt. Verder onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 december 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

7.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,–, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en de onder 3 ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit en de onder 3 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 145 (honderdvijfenveertig) dagen,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan het ITB Harde Kern traject, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan behandeling in de vorm van Topzorg van de Waag of een soortgelijke behandeling bij een soortgelijke instelling;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 100,– (zegge: honderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 100,– (hoofdsom, zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. Stalenberg, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.J. van Dijk en A.A.J. de Nijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. de Roo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 december 2018 te Dordrecht

ter uitvoering van het voornemen om

opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn (onder)arm te steken,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 december 2018 te Dordrecht

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem met een mes in zijn (onder) arm te steken.

2.

[10/284385-19]

hij op of omstreeks 09 november 2019 te Rotterdam (in [naam horecagelegenheid] )

opzettelijk een of meer bankbiljetten van EUR 50 dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 november 2019 te Rotterdam (in [naam horecagelegenheid] ),

opzettelijk

een of meer valse of vervalste bankbiljetten van EUR 50 heeft uitgegeven.

3.

hij op of omstreeks 01 december 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het voornemen om

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting (van de buik) van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [naam slachtoffer 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.